Waarom de Brain Economy wel eens het volgende grote beleidsidee kan worden in 2026

Ik heb geen glazen bol, maar op basis van wat ik vorige week leerde, zou 2026 wel eens het jaar kunnen zijn van The Brain Economy. Als grote spelers als de OESO, UNESCO, het World Economic Forum, en McKinsey zich achter een idee scharen, dan is de kans reëel.

Laten we even kijken naar wat het is, op basis van dit artikel van Harris Eyre en veel mede-auteurs. De Brain Economy vertrekt van een eenvoudige maar ongemakkelijke vaststelling: onze economie draait steeds meer op cognitieve, emotionele en sociale vermogens, terwijl we diezelfde vermogens systematisch onder druk zetten. In klassieke economische modellen blijven hersenen opvallend abstract. Mensen verschijnen er als arbeidskrachten, consumenten of dragers van ‘human capital’, maar zelden als kwetsbare, trainbare en beïnvloedbare biologische systemen. Dat is precies de blinde vlek die het concept van de Brain Economy wil corrigeren

Centraal staat het idee van Brain Capital. Dat begrip bundelt twee elementen die traditioneel gescheiden worden behandeld: hersen­gezondheid (mentale gezondheid, neurologische aandoeningen, cognitieve achteruitgang) en hersenvaardigheden (zoals probleemoplossend vermogen, creativiteit, zelfregulatie, leervermogen en sociale cognitie). Samen vormen ze een economisch kernkapitaal, vergelijkbaar met infrastructuur of productiemiddelen, maar dan fundamenteel menselijk. Zonder gezond en goed ontwikkeld brein valt er weinig te innoveren, samen te werken of complexe systemen te sturen.

De auteurs plaatsen dit expliciet tegen de achtergrond van wat zij een polycrisis noemen: klimaatverandering, democratische erosie, desinformatie, mentale gezondheidsproblemen, lage productiviteitsgroei en snelle technologische verandering versterken elkaar. Die problemen zijn volgens hen niet louter extern aan de economie, maar worden deels door haar logica geproduceerd. Een economie die structureel mentale overbelasting creëert, cognitieve ongelijkheid vergroot en aandacht als handelswaar behandelt, ondermijnt haar eigen draagvlak.

Technologische ontwikkelingen, en vooral generatieve AI, maken dat spanningsveld scherper. Enerzijds vergroten ze de cognitieve hefboom van mensen: routinetaken verdwijnen, complexe analyses worden toegankelijker, kennis circuleert sneller. Anderzijds wordt werk hyper-cognitief: minder fysiek, minder repetitief, maar mentaal intensiever. Dat stelt hogere eisen aan concentratie, flexibiliteit, leren en emotionele veerkracht. Wie het daar moeilijk mee heeft, valt sneller uit. De Brain Economy stelt dat productiviteit in zo’n context niet los te zien is van hersengezondheid.

Daarbij komt dat dezelfde technologieën steeds beter worden in het beïnvloeden van menselijk gedrag. Gepersonaliseerde algoritmen, sociale media en synthetische stemmen of gezichten maken grootschalige cognitieve manipulatie mogelijk. De auteurs spreken expliciet over cognitive warfare: het ondermijnen van vertrouwen, gedeelde kennis en mentale weerbaarheid als strategisch doel. Dat maakt hersengezondheid niet alleen een sociaal of economisch thema, maar ook een democratisch en geopolitiek vraagstuk.

De voorgestelde omslag is dan ook breed. Beleidsmatig pleiten de auteurs voor het systematisch meenemen van hersenimpact in domeinen als onderwijs, werk, digitale regulering, gezondheidszorg, stadsontwikkeling en klimaatbeleid. Niet als extra laagje welzijnsretoriek, maar als kerncriterium: wat doet dit beleid met cognitieve ontwikkeling, stress, aandacht en sociale verbondenheid over de levensloop heen?

Ook meten moet anders. Bruto Binnenlands Product zegt weinig over mentale draagkracht of cognitieve reserves. Daarom schuiven ze Brain Capital dashboards naar voren. Hierin bekijkt men indicatoren rond hersengezondheid, vaardigheden en contextfactoren (zoals onderwijs, leefomgeving en sociale relaties) samen. Dat sluit aan bij bredere bewegingen richting welzijns- en brede-welvaartsindicatoren, maar met een expliciet neurocognitief perspectief.

Belangrijk is wat de Brain Economy níét claimt. Ze biedt geen eenvoudige causaliteit (“investeer X in mentale gezondheid en productiviteit stijgt Y procent”) en geen quick fixes. Integendeel: het gaat om langetermijninvesteringen, systeemdenken en beleidscoördinatie over sectoren heen. De auteurs zijn opvallend expliciet dat kortetermijnlogica’s, of die nu politiek of financieel zijn, slecht passen bij de aard van hersenontwikkeling en -bescherming.

Tegelijk roept de Brain Economy ook een ongemakkelijke vraag op die in het enthousiasme soms onderbelicht blijft. Door het brein expliciet als economisch kapitaal te benoemen, dreigt precies datgene wat men wil beschermen opnieuw geïnstrumentaliseerd te worden. Hersen­gezondheid en cognitieve vaardigheden worden dan niet langer waardevol omdat ze menselijk floreren mogelijk maken, maar omdat ze productiviteit, innovatie of geopolitieke weerbaarheid ondersteunen. Het risico is reëel dat zorg voor het brein opnieuw vooral legitiem wordt wanneer ze economisch rendeert.

Daarmee schuift een klassieke spanning opnieuw naar voren. Willen we een economie die zich aanpast aan menselijke grenzen, of mensen die nog beter moeten worden aangepast aan economische eisen? Zonder expliciete normatieve keuzes kan de Brain Economy onbedoeld uitmonden in een verfijndere vorm van optimalisatiedruk: beter leren focussen, beter leren herstellen, beter leren omgaan met cognitieve belasting — niet omwille van menselijkheid, maar om langer mee te draaien.

De kracht van het concept zit dus niet alleen in wat het toevoegt. Maar ook in wat het concept ons dwingt om expliciet te maken. Een echte Brain Economy vraagt meer dan nieuwe indicatoren of investeringskaders. Ze vereist een publiek gesprek over welke vormen van cognitief functioneren we willen bevorderen. Welke niet. En wie het recht heeft om daar grenzen aan te stellen. Zonder dat gesprek blijft het risico bestaan dat we onze hersenen eindelijk centraal zetten, maar opnieuw vergeten waarom.

Geef een reactie