Waarom er op 20 maart geen blogpost verschijnt.

Op 20 maart staken er zeer veel leerkrachten in Vlaanderen van basisonderwijs tot hoger onderwijs. Om mijn collega’s te steunen verschijnt er daarom uit solidariteit die dag geen blogpost op deze site.

Meer lezen waarom onderwijs duur is en duurder zal worden, check hier.

Over Michael Jackson en Rousseau

De VRT gaat voorzichtig omgaan met de muziek van Michael Jackson na de controverse die ontstaan is door de nieuwe documentaire over de zanger en twee van zijn mogelijke slachtoffers. Het is niet nieuw. Eerder was er al de zanger van Noir Désir, Bertrand Cantat die in de gevangens belandde omdat hij zijn vriendin doodde. Konden we nog naar zijn lieflijk liedje luisteren? In de geschiedenis zijn er nog verschillende muzikale en andere helden die van hun troon gevallen zijn, zoals Jerry Lee Lewis (trouwde met zijn minderjarig nichtje), Chuck Berry (iets met camera’s en toiletten) en zullen we maar zwijgen over Bill Cosby of Jimmy Saville (die laatste is wellicht de ergste van de bende).

Als je de biografie leest van een van de grotere invloeden van de pedagogiek, Jean Jacques Rousseau, zou je ook wel eens kunnen schrikken. De man was een typisch geval van 12 stielen en 13 ongelukken. Probeerde vanalles uit onder andere als componist, en had opeens toch succes met een boek over opvoeding. Wat minder geweten is, is dat hij zijn vrouw verplichtte hun vijf kinderen af te staan na de geboorte. Waarbij je moet weten dat 7 op de 10 kinderen dit niet zou overleven. Er zijn wel twee elementen ter verdediging: het was toen niet zo ongewoon én achteraf betoonde hij spijt. Maar toch, voor een man die de wereld inspireerde met een boek over het volmaakte kind dat corrupt wordt door opvoeding, is dit behoorlijk apart te noemen. Dat hij nog kleine kantjes had, zoals paranoïde neigingen en hypochondrie, is minder bezwaarlijk.

Maar er zijn nog pedagogen met moeilijke achtergronden. Zo is er een terugkerend verhaal over pedagoog Peter Petersen, de grondlegger van de Jenaplanscholen, dat hij nazi-sympathieën heeft gehad.

Moeten we alles in zijn tijd zien? Moeten we de ideeën verketteren omdat de bedenkers fout waren? Moeten we de liedjes schrappen omdat de zangers gevaarlijke freaks bleken?

Gisteren hoorde ik op Radio 1 een moraalfilosoof uitleggen dat voorzichtigheid geboden is, zolang dader en slachtoffers nog leven en/of er last van kunnen hebben. Het kan een oplossing zijn, maar moeilijk blijft het.

Een kleine tussenstand

Dit stukje schrijf ik Washington op de luchthaven wachtend op mijn vervroegde vlucht naar Boston. Ik moet een vroegere vlucht nemen omdat ik hier weg moet zijn voor de sneeuwstorm losbreekt. Nooit verwacht die zin te moeten schrijven :).

Sinds ik vorige week donderdag uit België vertrok, gaf ik lezingen op het eiland Jersey en in verschillende scholen en districten hier in de VS. Het is behalve een extreem vermoeiende vooral een zeer leerrijke ervaring.

Door op zoveel mogelijke plaatsen met leerkrachten te babbelen, leer je de gelijkenissen en de verschillen. Veel bezorgdheden worden op vele plaatsen gedeeld. Zo sprak ik vandaag voor een publiek vol leerkrachten, directies en ondersteuners van public schools in Maryland. De bezorgdheid die ze hadden over ongelijkheid in de samenleving, herkende ik maar al te goed. Of dat de meeste leerkrachten op zondagavond aan het werk zijn, ook een opvallende constante. Een paar jaar geleden was ik zelf erg verbaasd dat het werk van Paul, Casper en mezelf in verschillende talen uitgebracht werd, nu snap ik dat veel mythes overal te wereld voorkomen en dat leraren met ongeveer dezelfde uitdagingen geconfronteerd worden.

Er zijn natuurlijk ook veel verschillen. In mijn lezingen spreek ik weinig over het onderwijs in Vlaanderen, maar tijdens de gesprekken achteraf, komen de vragen vaak. De verbazing is groot als ik duidelijk maak dat iedereen relatief goedkoop naar het hoger onderwijs kan. Dat er – op de ingangsexamens voor enkele studierichting na – geen centrale examens zijn? Het kan er met moeite in.

Maar weet je wat ik het meeste herken overal waar ik kom? De liefde die leerkrachten voelen voor hun leerlingen.

En weet je, dat geeft een mens hoop.

Anuna, Anna-Maria of Dries?

In de reacties op de klimaatspijbelaars of bosbrossers zie je regelmatig twee varianten terug van hoe mensen naar kinderen en jongeren kijken. Je hebt een groep van mensen die sterk vermoeden dat kinderen en jongeren niet tot dergelijke manifestaties in staat zijn. Zij reageerden met een gemeend ‘zie je wel’ toen de geruchten over een samenzwering de ronde begonnen te doen. Het zijn vaak dezelfde mensen die geshockeerd zijn door sommige van de pikante protestborden die je tijdens klimaatmarsen kan lezen.

Aan de andere kant zie je mensen die de jeugd als toekomst zien. Het zijn dan de jongeren die ons de weg moeten wijzen en die het vaak beter weten dan wij, volwassenen. Die tieners zijn dan nog bijna even ongerept als de natuur waar diezelfde jongeren voor pleiten. De bosbrossers lijken het in deze zelf realistischer te zijn: nee, we hebben niet per se oplossingen: wij zijn namelijk, euh, jongeren en we willen niet beweren dat we het beter weten dan de specialisten.

De ironie is dat beide beelden, waartussen natuurlijk nog veel schakeringen bestaan, vaak meer zeggen over diegene die kijkt dan over de jongeren zelf en wellicht allebei deels fout en deels correct zijn. De vraag blijft dan wie de jongere dan echt is? Is het Anuna? Of is het misschien Anna-Maria? Misschien is het toch Dries? Ik vrees dat dé jongere niet bestaat.

Bij de hedendaagse jongeren zijn er progressieve krachten. Die waren er ook bij vorige generaties. Tussen de jongeren vandaag zijn er ook nog steeds behoorlijk conservatieve krachten. Het lijken wel net mensen. Dit is slecht nieuws voor wie onmiddellijk beginnen te dromen en te hopen over een nieuwe hoopgevende generatie. Dit is even slecht nieuws voor doemdenkers over de jeugd van tegenwoordig. Het is een beetje van alles. Ja, er bestaan dus jongeren die naar festivals gaan en rommel achterlaten net zoals er jongeren bestaan die hierover niet te spreken zijn. En omdat jongeren ook maar mensen zijn, zal er zelfs overlap bestaan tussen die twee groepen. Even hypocriet als de mensen die nu in februari vergeten naar hun sportclub te gaan en zo verzaken aan hun goede voornemens bij de start van het nieuwe jaar.

Gemiddeld gesproken zijn er wel verschuivingen merkbaar. Uit het ICCS-onderzoek uit 2017 bleek al dat de Vlaamse jongeren meer met het klimaat bezig zijn en dat ze een goede kennis hebben over politiek en maatschappij. Bij dit laatste scoorden ze duidelijk beter dan de jongeren uit 2009 die dezelfde test ondergingen. Misschien het meest opvallende cijfer: op het vlak van gendergelijkheid doet de Vlaamse jeugd het heel goed. 96% van de Vlaamse jongeren bleek het ermee eens dat mannen en vrouwen in elk opzicht dezelfde rechten zouden moeten hebben. Tegelijk gebruikte ik bewust het woord gemiddeld. Achter gemiddelden kunnen nog grote verschillen schuilgaan zoals bijvoorbeeld in wat ze weten over onze samenleving en besef dat zelfs de resultaten over gendergelijkheid betekenen dat 4% van de jongeren het er niet noodzakelijk mee eens is.

Die verscheidenheid onder de jongeren maakt het ook moeilijk in zijn algemeenheid te reageren op de klimaatmarsen en het spijbelen. Er zullen zeer zeker zeer geëngageerde jongeren meelopen voor wie het een bewuste keuze is. Er zullen evenzeer jongeren bij zijn voor de sfeer, onder druk van vrienden of om geen les te krijgen. Verschillende van de jongeren zullen ook nauwelijks schade ondervinden van hun gemiste lessen, tegelijk zullen er ook stilaan echt slachtoffers vallen onder jongeren die een te grote achterstand oplopen. De verscheidenheid is de uitdaging waar scholen tegen aanlopen om spijbelende jongeren fair te behandelen.

En voor wie graag veralgemeent, besef dat je wellicht in een spiegel zit te kijken.

 

Valse tegenstellingen

In discussies kom je vaak valse tegenstellingen tegen. De voorbije weken viel me dit weer op. Neem de bosbrossers of klimaatspijbelaars. Je kan perfect voor het milieu zijn en toch vragen stellen bij spijbelen. Of gisteren: je kan perfect vinden dat minister Schauvliege een kapitale fout gemaakt heeft met haar leugen over de staatsveiligheid, maar ook evenzeer fout vinden dat ministers op hun persoonlijke telefoon bestookt worden met duizenden sms-jes.

Het gaat in beide gevallen over twee verschillende discussies die echter zo verweven lijken dat al snel de sms-actie veroordelen gelijkgesteld wordt aan de minister goedpraten. Dit werd natuurlijk een stuk door de ondertussen ex-minister veroorzaakt omdat ze er expliciet naar verwees in haar persconferentie. Gisteren kregen daarom journalisten die hun afkeur over de sms-actie kenbaar maakten al snel het verwijt dat ze meegingen in het frame van de partij.

Met dat laatste ben ik het dus niet eens. In de discussie gisteren in de Afspraak bleek een van de bedenkers achter de sms-actie aan te geven dat voor hem het doel de middelen heiligt want hij was verontwaardigd over het beleid. In een adem liet hij doorschemeren dat alles op café bij een pint bedacht was, wat verklaarde waarom hij niet wist dat ministers in ons land vaak geen twee gsm’s hebben zoals hij dacht. In welke mate politici in hun privéwereld schietschijven mogen worden van dergelijke acties van in se een kleine groep mensen die ergens niet mee eens zijn, is wel degelijk een debat waard.

De ironie kan nu zijn dat de valse tegenstelling ook in de andere richting werkt, iets wat ook al in de donkere uithoeken van sociale media merkbaar was: klimaatverdedigers werden door de actie ook al her en der weggezet als radicaliserend of erger. Ondertussen werden ook door verschillende gebruikers het mailadres en telefoonnummer gedeeld van de jonge man die mee achter de actie zat. Evenzeer meer dan behoorlijk fout, imho.

Oja, gisteren was het ook nog de international Safer Internet Day…

MOOC’s, de revolutie die nooit echt kwam

Ik besprak net voor een Franse nieuwsbrief een artikel dat eerder deze maand verscheen in Science. Auteurs Justin Reich en José A. Ruipérez-Valiente bespreken de huidige stand van zaken van MOOC’s. Na iets meer dan zes jaar moeten ze op basis van onder andere data van de belangrijkste aanbieders van de open leerplatformen besluiten dat van de vele hype-berichten weinig over blijft. In plaats van disruptie van het hoger onderwijs en enorme democratiseringsmogelijkheden waarbij jongeren uit afgelegen gebieden toch zouden kunnen studeren, kregen we dit:

The vast majority of MOOC learners never return after their first year, the growth in MOOC participation has been concentrated almost entirely in the world’s most affluent countries, and the bane of MOOCs—low completion rates—has not improved over 6 years.

Meest opvallend, meer dan de helft van de studenten die zich in een cursus inschrijven… bekijken zelfs nooit een inhoudelijk stuk van de cursus.

De auteurs zien wel nog een mogelijke toekomst voor deze platformen in een bestaande niche van levenslang leren, maar besluiten met deze waarschuwing:

MOOCs will not transform higher education and probably will not disappear entirely. Rather, they will provide new supports for specific niches within already existing education systems, primarily supporting already educated learners. The 6-year saga of MOOCs provides a cautionary tale for education policy-makers facing whatever will be the next promoted innovation in education technology, be it artificial intelligence or virtual reality or some unexpected new entrant. New education technologies are rarely disruptive but instead are domesticated by existing cultures and systems.

Rust in het onderwijs? Een kleine analyse.

UPDATE: in een eerste versie van deze post had ik foutief Torhout geschreven in plaats van Roeselare. Mijn fout!

Er komen verkiezingen aan, dus schrijven organisaties massaal memoranda met eisenpakketten voor de volgende regering(en). Er was het memorandum van de Vlaamse Onderwijsraad, gisteren de memoranda van het GO en Katholiek Onderwijs Vlaanderen. Minister Crevits verzuchtte naar aanleiding van de drie memoranda dat men in de VLOR voor rust in het onderwijs pleit, terwijl het net en de koepel (die onderdeel zijn van de VLOR) net met een pak vaak drastische veranderingen aankomen.

Gisteren kreeg het Katholiek Onderwijs Vlaanderen de handen op elkaar toen men bij de voorstelling van hun plannen voor rust pleitte, maar of een hervorming van de modernisering hierbij kan rekenen is nog maar de vraag. Dat de VLOR en de 2 andere memoranda van elkaar afwijken, is niet onlogisch. Het toont dat de twee grootste onderwijsverstrekkers niet alleen heersen over ons onderwijs. Dat er bij de Vlaamse Onderwijsraad nauwelijks iets te lezen staat over schaalvergroting of BOS – op het volwassenenonderwijs na – maar wel veel aandacht krijgt bij het katholiek onderwijs, is niet zo verbazingwekkend. Vakbonden zijn bijvoorbeeld al een tijdje koele minnaars van deze plannen en de voorbije discussies in Roeselare, Veurne, Leuven, Gent,… zullen de discussie niet makkelijker maken. Dat de Vlaamse regering dit decreet opborg is een veeg teken aan de wand. Tegelijk weerhoudt het de koepelorganisatie niet om hiervoor te blijven pleiten en het actief te promoten.

Het pleidooi om de leerplicht te verlagen van het gemeenschapsonderwijs, ligt in lijn van een politieke consensus die al een tijdje aan het groeien is aan beide kanten van de taalgrens. Enkel de partij van de huidige minister van onderwijs lijkt niet happig, niet in het minst omdat het voorstel ook in 1 adem genoemd wordt met een verandering van het aantal uren godsdienst.

Het eerder gelekte pleidooi van de koepel onder leiding van Lieven Boeve voor onderwijsassistenten werd gisteren al snel een oproep tot onderzoek om na te gaan of dit een goed idee was. Gisteren volgde ook nog het voorstel om geen eindtermen voor de tweede graad te ontwikkelen, maar enkel op het einde van de eerste graad en derde graad. Dit lijkt me politiek een onhaalbare kaart. We leven in tijden waarbij zowat alle politieke partijen de macht van de koepels te groot vinden. Sommige partijen willen wel meer vrijheid voor de scholen, maar vinden tegelijk dat de tussenschotten te vaak met die vrijheid aan de haal gaan. Het is een verklaring waarom het woord vrijheid zo vaak viel bij de voorstelling van de leerplannen voor de eerste graad van het secundair onderwijs.

De uitleg die ik las waarom men geen eindtermen voor de tweede graad meer zou willen, namelijk dat de derde graad een uitdieping is van de tweede graad, deed me nog meer in mijn uitdunnende haren krabben bij het voorstel om vier afstudeertypes in te voeren, wat de facto zou betekenen dat je op je 16de moet kiezen tussen hogeschool en universiteit. Dit lijkt volledig in te gaan tegen alle discussies rond de modernisering van het secundair onderwijs waarbij keuze uitgesteld moet worden. Veel recent onderzoek rond jongeren en hun brein toont dat kiezen niet evident is voor tieners. Het is daarom, samen met de invloed op ongelijkheid, dat we meer dan 10 jaar discussies achter de rug hebben over een brede eerste graad. Dan pleiten om een andere, levensbepalende keuze naar voor willen schuiven, is op zijn minst opmerkelijk te noemen.

De drie memoranda hebben ook verschillende zaken met elkaar gemeen zoals de aandacht voor het lerarentekort, de nood aan investeringen in infrastructuur, de dringende aandacht voor tegengaan van ongelijkheid in het onderwijs en bij uitbreiding de samenleving.

Maar deze overeenkomsten verhelen niet dat ik minister Crevits goed begrijp als ze vindt dat de pleidooien voor rust een beetje hol klinken naast de eisenpakketten die vooral verschillen in visies op onderwijs in de verf zetten.

Van wie is de school?

Zonder te veel in te gaan op het thuisfront, bracht een gesprek over de actualiteit met een van mijn zonen me wel op een pertinente vraag: van wie is de school?

De facto zou je kunnen zeggen dat de meeste scholen eigendom zijn van de inrichtende macht, de vzw, de organisatie,… achter de school. Maar die zijn niet zomaar baas over de school. Los van de overheid die de nodige vereisten oplegt, heb je vaak ook nog een kluwen van invloeden. Zo merkte ik bijvoorbeeld de voorbije maanden hoeveel invloed (of macht) bijvoorbeeld bischoppen kunnen hebben op een groot deel van ons onderwijs (zie ook hier).

Je hebt dan ook nog directe en indirecte macht die ouders hebben op een school. Je hebt enerzijds de participatie via ouderraden en dergelijke, maar onderschat de indirecte macht niet. De meest ruwe vorm is kinderen al dan niet naar een school laten gaan, maar een zijn subtielere vormen denkbaar. De eerste aflevering van de luizenmoeder bevatte hier al een mooi staaltje van, maar de juridisering van het onderwijs is sowieso geen fictie.

Maar is de school ook niet een stuk van de leraren? Of zou de school niet meer van de leraren mogen zijn? Je zou kunnen zeggen dat leerkrachten gewoon werknemers zijn die voor hun werk betaald worden en dus moeten plooien naar de wil van de werkgever. Dit gebeurt veel, maar tegelijk zie je de macht verschuiven onder andere door het lerarentekort. Leerkrachten beseffen het misschien nog niet zo goed, maar als je een schaars goed wordt, dan kan je eisen stellen. Misschien een van de duidelijkste tweets hierover die ik de voorbije week zag passeren was deze:

De job van schooldirecteur zal er wel enkel nog moeilijker door worden, geplet tussen deze hamers en aambeeld.

En voor wie het zich afvraagt de kinderen, wie denkt er aan de kinderen? De meesten in dit verhaal. Denk ik, hoop ik.

Maar een school die niet (mee) van de leerlingen en hun ouders, de leerkrachten of de directies is, die zal niet zijn.

Wees maar eens een ouder van een kind dat naar het eerste jaar secundair moet…

De kranten staan er vandaag vol mee, terwijl het nieuws in feite al in 2018 bekend was: de inschrijvingen voor het eerste jaar secundair onderwijs zullen wellicht niet zo goed verlopen. Er komt niet 1 eenduidig systeem waarbij alle scholen moeten instappen in een digitaal aanmeldingssysteem door een belangenconflict dat ingeroepen werd tegen het decreet dat nu (tijdelijk) de kast in gaat (lees ook hier). En dus wordt er weer gevreesd voor kamperen, al promoot de Vlaamse overheid wel digitale inschrijvingssystemen met financiële middelen. Als verschillende scholen ook verschillende aanmeldmomenten gebruiken, zoals in het artikel in De Morgen aangekondigd wordt, verzwaart dit de uitdaging voor de ouders die bijvoorbeeld twijfelen tussen scholen binnen de stad of aan de rand.

Maar dit is niet het enige dat ouders van deze leerlingen te wachten staat. Kiezen voor een school zal moeilijker zijn dan ooit om verschillende redenen. We starten met een nieuw secundair onderwijs. Dit zal op zich al wennen zijn voor iedereen, maar de verschillen tussen scholen zullen groter zijn dan voorheen. Al dan niet geïntegreerd werken, bepaalde opties aanbieden of niet in het tweede jaar, bepaalde vakken aanbieden of niet,… Onder andere de katholieke koepel biedt zijn scholen de nodige vrijheid in hun leerplannen en ik weet van scholen die van plan zijn nog meer vrijheid te nemen, wat hun goed recht is.

Maar… die scholen kunnen nog steeds moeilijk communiceren, omdat de leerplannen tot nu toe enkel voorlopig zijn omdat de eindtermen zeer laat defintief gestemd zijn. Gelukkig heeft men al de voorlopige versies. Dit alles nog los van de vraag hoe dit zich zal vertalen in handboeken en aanpakken. Alle scholen draaien overuren.

Maar voor ouders betekent dit alles dat zelfs in steden waar alle scholen in bijvoorbeeld een inschrijvingssysteem stappen, het een uitdaging zal worden om een rangschikking van eerste, tweede of derde keuze op te stellen.

En dan start je zoon of dochter in een nieuw secundair onderwijs, waarbij Lieven Boeve onder ander vroeg aan de onderwijsinspectie de eerste twee jaar mild te zijn voor de scholen. En je beseft dat ze telkens met nieuwe eindtermen en leerplannen geconfronteerd zullen worden de komende zes jaar.

Beste ouders, ik besef dat deze post niet veel hoop geeft voor de komende maanden en langer, maar gelukkig weet ik dat momenteel de meeste scholen keihard hun best doen om zo goed mogelijk onderwijs mogelijk te maken in deze – zacht uitgedrukt – uitdagende tijden. Dit is iets waarvoor ze alle steun en respect verdienen.

Waarom elke lagere school een jukebox zou moeten hebben…

Lees zeker tot het einde…

Het is een idee waar ik al jaren mee speel, maar ben het vrij zeker: elke basisschool zou minstens een jukebox moeten hebben. Denk even na: wat kan je allemaal niet leren van een jukebox? Terwijl de muziek het meest voor de hand ligt, kan de jukebox gebruikt worden voor het aanleren van letters en cijfers. De fijne motoriek oefenen met het induwen van de knopjes, is misschien te ver gezocht, maar het toestel bevordert wel degelijk autonomie zoals Deci en Ryan eerder omschreven: het kind krijgt zelf de keuze uit een beperkt aantal opties om een liedje te kiezen wat motiverend kan werken. De leerkracht kan het aanbod van liedjes aanpassen aan de tijden van het jaar, denk aan kerstliedjes of sinterklaasliedjes. Daar is de lente van Jan De Wilde kan misschien voor lastige vragen zorgen. De lichtjes van de jukebox kunnen trouwens ook rustgevend werken bij overactieve kleuters en hebben niet het schadelijke blauwe licht van een schermpje. Dat de kinderen hierdoor ook nog met erfgoed in contact komen is enkel maar een pluspunt te noemen. Dat de jukebox een lawaaierige klas zou kunnen overstemmen, lijkt me eerder misbruik.

Ik moet bekennen dat veel van wat ik hierboven schreef, ik ooit gebruikte om mijn vrouw te overtuigen een jukebox te kopen toen mijn vrouw zwanger was van onze eerste zoon. Jaren na datum zal ik ook maar toegeven dat het vooral was omdat ik een jukebox wou. Ik bedacht eerder deze week of dit soms ook niet het geval is bij sommige van de didactische media die we in scholen kopen? Willen we soms niet gewoon het ding en zijn de didactische redenen dan niet vooral een rationalisering van onze wens?

Nee, we hebben nog steeds geen jukebox en de kinderen zijn ondertussen te oud.