Mensen die mijn sociale media volgen, weten al waarover het gaat. Gisteren organiseerde Knack een derde hoorcollege van professor Emeritus Walter Prevenier. De 91-jarige historicus kwam terug een vol auditorium E binnen en zie traditioneel ‘goedemorgen’, omdat hij nu eenmaal gewoon was om 33 jaar lang op donderdagochtend Historische Kritiek te geven. Een van de vorige lessen deelde ik al eerder op deze blog.
Gisteren mocht ik het Education Festival in Den Haag openen. Voor één keer gaf ik geen keynote die vertrok vanuit een overzicht van onderzoek. Wel vertrok ik vanuit een reeks vragen die me al een hele tijd bezighouden. Hoe denken we eigenlijk over onderwijs? We hebben verschillende kaders. We hebben verschillende perspectieven. En dan bestaat het gevaar dat je een kader gaat toevoegen. Ja, terechte vrees. En toch, ik deed het lichtjes anders.
Ik ben een man van de wetenschap. Kwalitatief, kwantitatief, meta-analyses. Je leest er hier bijna dagelijks over. Altijd op zoek naar een beter antwoord, steeds dichter proberen te komen bij de waarheid, goed beseffende dat we die wellicht nooit volledig zullen kennen.
Maar waarom die ene van je houdt, of erger nog: waarom die ene niet van je houdt? We kunnen vermoedens hebben, correlaties vinden en modellen bouwen, maar uiteindelijk houdt de wetenschap het ook daar vooral op hypotheses.
Of waarom pedagogen zo graag moeilijke woorden gebruiken. Subjectificatie bijvoorbeeld. Of performativiteit. Of pedagogische tact. Dat zijn ongetwijfeld belangrijke concepten, maar de vraag waarom we ze niet gewoon “mens worden”, “alles moeten meten” of “gezond verstand” noemen, blijft voorlopig onbeantwoord.
Misschien heeft het te maken met identiteit. Misschien met academische tradities. Misschien met een diepgewortelde behoefte om een eenvoudig idee van voldoende lettergrepen te voorzien. Misschien is het een overlevingsstrategie. Als niemand begrijpt wat je zegt, kan ook niemand je tegenspreken. Al blijken andere pedagogen daar verrassend weinig moeite mee te hebben.
En dan zijn er nog de echt moeilijke vragen. Waarom schreef Charles meer dan dertig jaar geleden iets in zijn dagboek over Linda en een Raaf? Waarom houdt Joris niet van paprikachips? En waarom is er een vrachtwagen vol plastic flamingo’s onderweg naar het station?
Daar heeft de wetenschap voorlopig geen antwoord op. Mila wellicht wel. Maar die denkt er nog even over na.
Een nieuwe maand, dus een nieuwe podcast over de voorbije maand! In de mei-editie van Het Onderwijsnieuws praten Rinke en ik weer over een brede waaier aan actuele thema’s die het onderwijslandschap in Vlaanderen en Nederland momenteel bezighouden.
Toen ik, als in een heerlijke koortsdroom, begon met schrijven aan “De Schaduw van de Raaf” besefte ik al snel dat ik een keuze zou moeten maken. Niet over de plot, niet over de personages, maar over iets nog fundamentelers: wat wil ik dat een lezer meeneemt als het boek uit is?
Het antwoord dat ik zonder verpinken gaf, is mogelijk onverwacht voor een jeugdboek van een pedagoog: namelijk niets. Of preciezer: niets dat ik zelf bepaal.
Deze ochtend kwam ik dit bericht tegen op Twitter. Omdat de persoon die het deelde niet Éléonore heet, ga ik ervan uit dat ze het niet zelf schreef. Dus ik ging op zoek. Noem het een afwijking. Ik vond hetzelfde bericht een paar keer, oa op Facebook, maar ook een gelijkaardig bericht van een zekere Claire op Instagram:
Een bekentenis: ik gebruik quasi nooit mijn titel. Geen dr., geen PhD. Noch Algemeen Directeur. Meestal gewoon Pedro. Ik ga er ergens van uit dat mensen na een tijdje wel merken of ik weet waarover ik spreek. Of niet.
Meer nog: ik merk al jaren dat veel studenten – en anderen – mij gewoon bij mijn voornaam kennen. Voordeel van een minder populaire naam te hebben. Een voordeel dat ik trouwens deel met Madonna, die ook geen familienaam nodig heeft ;).
Begrijp me niet verkeerd: ik ben ontzettend trots op wat ik bereikt heb. Een doctoraat haal je niet zomaar. Daar kruipen jaren werk, twijfel, stress, feedback, herschrijven en koppigheid in. Eeuwige dankbaarheid aan de mensen die mij hebben bijgestaan. Bloed, zweet en tranen klinken cliché, maar het klopt vaak wel een beetje.
De voorbije jaren sprak ik verschillende mensen die bedenkingen hadden bij een soort van PISA voor kleuters. Met IELS 2025 krijgen we vandaag toch een eerste internationaal vergelijkbaar beeld van Vlaamse vijfjarigen. In tegenstelling tot PISA, dat ook door de OESO wordt georganiseerd, doen voorlopig slechts acht landen mee, waaronder Engeland en Nederland. Bovendien gaat het om een andere soort meting: geen klassieke toets, maar een speelse, individuele afname via een app. Dat maakt de vergelijking beperkter, maar niet minder interessant. Tot nu toe hadden we vooral fragmenten, kleinere studies en indirecte signalen. Dit is voor het eerst een bredere foto.