Opinie: Er zit meer in een canon-discussie dan je denkt

Dit stuk verscheen gisteren op DeMorgen.be:

In de startnota voor de onderhandelingen voor een Vlaamse regering staat er een voorstel voor een canon, een lijst van ankerpunten uit de Vlaamse cultuur en geschiedenis die leerlingen en nieuwkomers moeten kennen.

En dat hebben we geweten. De voorbije dagen amuseerde Twitter zich met de nodige grappen, verzamelden media mogelijke invullingen en rolden historici over elkaar heen om het idee af te schieten. Toch zit er meer in een canon-discussie dan je denkt.

Eerste punt van discussie: hoe belangrijk vinden we kennis in het onderwijs? Bij de opstelling van de eindtermen was er al een kentering zichtbaar, waarbij kennis terug meer naar de voorgrond werd geschoven. Het is een discussie wereldwijd tussen onderwijsonderzoekers, maar zeker onder cognitieve psychologen kan je horen hoe je zonder een kennisbasis niet tot meer algemene denkvaardigheden zoals kritisch denken kan komen. Kritisch zijn zonder feitelijke kennis is gewoon lastig doen.

Moet die kennis dan in een officieel curriculum vastgelegd worden of kunnen leraren, scholen of koepels dit zelf bepalen? Die vraag brengt ons bij een tweede punt: wie bepaalt wat er in de klas aangebracht wordt? In Vlaanderen hebben we een lange traditie van grote autonomie binnen het onderwijs. Er zijn (vooralsnog) nauwelijks centrale examens. Er waren eindtermen die enkel gebruikt werden om de kwaliteit van de scholen te monitoren, en die eindtermen waren vaak zo vaag opgesteld dat de verschillen tussen scholen nog behoorlijk groot kunnen zijn. Tegelijk toonden nogal wat politici zich gefrustreerd omdat ze vinden dat de scholen niet echt autonoom zijn, maar te veel afhangen van koepels en netwerkorganisaties enerzijds, en handboekenuitgevers anderzijds. Die machtsstrijd om wat er in de klas meegegeven wordt, is al zeer oud, maar het is duidelijk dat een deel van de politici rond de onderhandelingstafel de macht van die koepels, netwerkorganisaties en uitgevers graag wil zien verminderen. Dat de regelmatige evaluaties uit de startnota ‘netoverschrijdend’ zouden moeten zijn, is hier wellicht ook niet vreemd aan.

Verborgen Waarden

Het derde punt is niet de canon an sich, maar de reden waarom. Er zou moeten gewerkt worden aan een Vlaamse identiteit. Dit is een waarde die men via het onderwijs zou willen doorgeven, of beter zou willen proberen door te geven. Veel mensen buiten het onderwijs leken de voorbije dagen opeens te beseffen dat in onze scholen niet enkel kennis en vaardigheden aangeleerd worden, maar dat onze kinderen er ook vorming krijgen. In alles wat je in de klas doet, zitten er namelijk waarden verborgen. Van de teksten die een leerkracht kiest om te gebruiken in de les, over werken aan democratische houding tot bijvoorbeeld aandacht voor het milieu door het door de vingers zien van klimaatspijbelen. Het zijn allemaal voorbeelden van waarden. Het zijn zaken die we blijkbaar als leraar, school of samenleving meer waardevol vinden dan andere die het curriculum niet gehaald hebben.

Meer nog, het is onmogelijk om waarden-loos les te geven. Als het gemeenschapsonderwijs neutraal moet worden, wat je zou kunnen begrijpen als het helemaal niet meegeven van waarden, dan is dat op zich ook het meegeven van de zeer duidelijke waarde van neutraliteit.

Er zijn verschillende valkuilen bij waardenonderwijs waarvan we de uitersten beter mijden. Het ene uiterste is indoctrinatie, het andere uiterste is enkel onbewust en ondoordacht waarden meegeven. Het voorstel tot een canon heeft ten minste al de verdienste dat de tweede optie rond het thema identiteit moeilijk wordt. Het is dus positief dat we als samenleving discussiëren over welke waarden we onze kinderen al dan niet willen meegeven.

Dergelijke discussies passen bij het denken van politiek filosofe Hannah Arendt, momenteel een belangrijke inspiratiebron binnen de pedagogiek. Volgens haar heeft onderwijs een bewarende of conserverende taak. Hiermee bedoelde ze dat elke generatie moet nadenken over wat ze hun kinderen willen meegeven. Ik vermoed dat weinig mensen bijvoorbeeld zullen vinden dat onze kinderen ijkpunten in de geschiedenis zoals de twee wereldoorlogen niet moeten kennen. Besef echter dat ook dit een keuze is met regionale nuances waarbij de ‘grote oorlog’ in Vlaanderen eerder de eerste is, terwijl het ietsje verder, in Nederland, eerder de tweede is.

Cruciaal is dat Arendt er wel aan toe voegde dat dergelijk ‘bewaren’ nodig is opdat de volgende generatie zijn eigen keuzes kan maken. Los van de vraag of die keuze vastgelegd moet worden in een canon, is het duidelijk dat die keuzes daarom beter nooit in steen worden gehouwen.

Wat staat er in de startnota voor de onderhandelingen Vlaamse regering over onderwijs (en wat niet)

Bart De Wever gaf de startnota voor de onderhandelingen van een tweede Zweedse regering vrij. Onderwijs krijgt daarin een prominente plaats vroeg in de nota. Wat staat er?

Het Vlaamse onderwijs heeft altijd tot de top behoord en dat moet zo blijven. Het streven naar excellentie – het maximale halen uit de talenten van elke leerling – moet primeren boven een verkeerd begrepen gelijkheidsstreven dat leidt tot nivellering en niveauverlaging. Met regelmatige, gevalideerde netoverschrijdende proeven en aangescherpte eindtermen verhogen we de kwaliteit van ons onderwijs. Met verplichte taalbadklassen Nederlands voor kinderen die daar nood aanhebben, vermijden we leerachterstand en schooluitval. We versterken het kleuter- en lageronderwijs. In het secundair onderwijs waken we erover dat het huidige aanbod van onderwijsvormen, ASO, TSO, KSO en BSO, gegarandeerd blijft. De getrapte studiekeuze vanaf het tweede jaar behouden we. We geven weer vertrouwen aan leerkrachten en directies, verminderen hun administratieve taken en herstellen het respect voor de leraren en de klassenraad. We investeren fors in aantrekkelijke schoolgebouwen en in extra capaciteit, vooral inhet secundair onderwijs. We schaffen de dubbele contingentering in het hele leerplichtonderwijs af en geven ouders opnieuw maximale vrijheid in de schoolkeuze voor hun kinderen. Aan de doelstellingen van het M-decreet geven we voortaan een pragmatische invulling: inclusief onderwijs indien haalbaar, kwaliteitsvol buitengewoon onderwijs indien meer aangewezen.Daarover beslissen leerkrachten en schooldirecties in overleg met de ouders.

*UPDATE* An Vermeulen wees me terecht er op dat er nog 2 elementen extra in de tekst staan die ook niet onbelangrijk zijn:

  • In het officieel onderwijs voeren we de levensbeschouwelijke neutraliteit in voor leerkrachten en leerlingen. 
  • Om het identiteitsbesef van de jongere generatie te bevorderen, stellen we in navolging van Nederland een Vlaamse canon op, een lijst van ankerpunten uit onze Vlaamse cultuur en geschiedenis, die Vlaanderen als Europese natie typeren en die onze leerlingen op school en nieuwkomers in onze inburgeringscursus moeten kennen

In feite ogenschijnlijk weinig verrassends, met zaken waar oa de N-VA al lang op hamert:

  • Afschaffing dubbele contigentering
  • Herbekijken M-decreet
  • Behouden ASO, TSO, KSO en BSO
  • Verminderen planlast (zelden iemand voor verhogen planlast horen pleiten, trouwens).
  • Neutraliteit (minder verrassend als je buiten onderwijs kijkt.

Maar tussen de regels zitten er ook wel verrassingen:

  • De regelmatige, gevalideerde netoverschrijdende proeven stonden al in het masterplan SO van Pascal Smet, maar hier staat expliciet netoverschrijdend. Het Katholiek onderwijs kondigde al zelf een dergelijke toets aan op het einde van de eerste graad, maar wie zal deze organiseren? Is dit een aankondiging van centrale examens? Waarvoor zullen deze gebruikt worden? Ik kan me inbeelden dat bvb CD&V hier moeite mee kan hebben.
  • “De getrapte studiekeuze vanaf het tweede jaar behouden we.” Dit is in feite erkennen dat de studiekeuze de factor nu ligt op 13 jaar in het tweede jaar van de eerste graad die je nu in feite geen brede graad meer kan noemen, maar een beetje breed eerste jaar. Het is een opvallend zin, bekeken in de loop van de geschiedenis.
  • De canon als middel (iets waar nu al veel discussie over is op Twitter)

Het is ook altijd belangrijk te kijken wat er niet expliciet in staat:

  • Opvallend weinig aandacht voor dossiers waarvan verschillende waarnemers aangeven dat ze net cruciaal zullen worden de komende jaren:
    • lerarentekort en lerarenopleiding (het respect voor leraren moet wel hersteld worden, maar hoe?)
    • inhoud basisonderwijs
  • Hoger onderwijs wordt wel indirect vermeld met investeringen in onderzoek, maar verder komt het er nogal bekaaid van af qua aandacht.

Nu, dit alles is maar een startnota voor de komende onderhandelingen en ik kan me inbeelden dat er wellicht nog teksten klaar liggen met meer details.

Nu in de VS: Het is je eerste schooldag en als je thuiskomt? Dan zijn je ouders er niet meer.

Via Larry Ferlazzo vond ik dit bericht over de raids die in Mississippi gevoerd werden om mensen die illegaal in de VS verblijven op te pakken. De gevolgen voor kinderen én onderwijs blijken niet min:

Heb het verhaal gecheckt, en blijkt te kloppen. Check ook hier of hier.

En wat nu? Zeer veel onduidelijkheid, nog erger, ook veel onduidelijkheid over wat er met alle kinderen gebeurt.

Hier zijn geen woorden voor. Gewoon geen.

Hoe reageren op “1 op de 3 eerstejaars aan de KU Leuven kampte met psychische klachten”? Meer vragen dan antwoorden.

Een zeer opvallend bericht op de website van De Morgen. 1op 3 eerstejaarsstudenten aan de KU Leuven zou kampen met psychische klachten. Dit lijkt gigantisch en als je er al vraagtekens bij durft plaatsen, zou het kunnen overkomen als harteloos. Nochtans zien we uit ander onderzoek dat in Vlaanderen zowat 5,7% zich minder goed in zijn vel voelt, en die kunnen echt niet allemaal aan de KU Leuven zitten. Kijkt men naar een ouder artikel in VETO zou je kunnen zeggen dat het goed nieuws, in 2016 sprak men nog over de helft van de studenten, maar dan ging het niet alleen over eerstejaars.

Op Twitter reageerde Wim Van den Broeck als volgt:

Is er sprake van overdiagnose? Is er sprake van meer druk? Is er sprake van minder weerbaarheid bij jongeren? Zijn er meer moeilijkere thuissituaties zoals verder in het artikel aangegeven wordt, thuis een belangrijke oorzaak volgens de JOP-monitor? Heeft prof Van den Broeck gelijk? Het zijn allemaal verklaringen die ik de voorbije jaren al zag passeren, maar die moeilijk vast te pakken zijn. Maar misschien is er nog iets helemaal anders aan de hand… met de cijfers?

Als je wat dieper kijkt in de cijfers, ontdek je al snel een pak nuance en meer herkenbare percentages die tegelijk ook vragen bij mij oproepen:

31 procent van de 1.650 participerende eerstejaars meldden psychische klachten zoals faalangst (6,4 procent), slaapstoornissen (6,2 procent), aanpassing/eenzaamheid (5,6 procent), behandeling bij psycholoog of psychiater (2,6 procent), familiale of relationele problemen (2,5 procent), depressie (2,5 procent), paniekaanvallen (0,8 procent), eetstoornis (0,6 procent) en zelfmoordgedachten of -pogingen (0,4 procent).

Hierbij vraag ik namelijk me wel af hoeveel overlap tussen de percentages zitten? Ik kan me inbeelden dat 1 persoon slechter scoort op verschillende van die factoren? Het lijkt alsof men in het jaarverslag van de KU Leuven een fout gemaakt is en men alle klachten heeft opgeteld? De tabel is niet echt sluitend te noemen, maar het kan zijn dat er ook andere klachten waren die niet opgenomen zijn in het overzicht.

In hetzelfde jaarverslag vind je namelijk ook deze cijfers terug:

De belangrijkste redenen voor een consultatie zijn:

  • Urogenitale klachten 24%
  • Luchtwegenaandoeningen 16%
  • Huidaandoeningen 11%
  • Preventieve raadplegingen 9%
  • Orthopedie en traumatologie 9%
  • Maagdarmklachten 8%
  • Psychische aandoeningen 5%

Waarbij die laatste percentages meer in de lijn liggen van de verwachtingen op basis van ander onderzoek. En het zou betekenen dat er veel mensen die klachten hebben, niet de weg vinden naar hulp binnen de universiteit, wat op zich dan weer een ernstig probleem zou zijn, iets wat ook in het VETO-artikel aangekaart wordt. Nog meer vragen dus.

Wat voor mij vooral belangrijk is en blijft: iedereen die hulp nodig heeft, moet die krijgen. Daarbij is overdiagnosticering – als die er al dan niet zou zijn – gevaarlijk omdat zo de mensen die echt hulp nodig hebben misschien minder hulp krijgen of ondergesneeuwd worden. Laagdrempeligheid blijft belangrijk en het taboe op psychische problemen heeft spijtig genoeg nog steeds Te Gek-campagnes nodig, al zie ik een positieve evolutie. Preventie is wellicht ook noodzakelijk, naast meer zicht op al dan niet dalende weerbaarheid en/of stijgende druk.

Los daarvan: een persbericht dat dus meer vragen dan antwoorden oproept.

Waarom de volgende onderwijsminister maar beter stevig in de schoenen staat (opinie)

De voorbije maand verscheen dit opiniestuk in De Morgen, ik deel het ook nog even hier:

De verkiezingen zijn voorbij, coalities moeten worden gevormd en uiteindelijk wordt bepaald wie wat gaat doen. Enkele partijen gaven al voor de verkiezingen aan dat ze de volgende minister van Onderwijs wilden leveren. Ik wens wie het ook zal worden nu al veel succes. Dat het niet simpel zal worden, is een understatement. Wat volgt is een bloemlezing, zonder de pretentie volledig te zijn.

Minister Crevits (CD&V) kreeg bij het begin van haar legislatuur een niet zo fraai cadeau van haar voorganger Smet (SP.a) in de vorm van een M-decreet dat met onvoldoende omkadering en financiering kort na de verkiezingen werd ingevoerd. Dit ‘presentje’ was vooral erg voor de leraren, kinderen en ouders. Dit kwam samen met de federale beslissing van de pensioenhervorming, waar minister Crevits als Vlaams minister weinig impact op had. Beide beslissingen hebben haar legislatuur mee getekend. Het M-decreet werd ondertussen grondig aangepakt, maar is volgens veel betrokkenen nog steeds niet optimaal geregeld. Ook de gevolgen van die pensioenhervorming zullen de volgende minister nog parten spelen. En er is meer.

Eindtermen

Zo is er de opstart van een in aller haast uitgevoerde modernisering van het secundair onderwijs met nieuwe eindtermen, wat zeker zal gepaard gaan met kinderziekten. De top van het katholiek onderwijs vroeg niet voor niets enige piëteit van de onderwijsinspectie tijdens de eerste twee jaar. Ondertussen zal het alle hens aan dek zijn om op tijd klaar te raken met de nieuwe eindtermen voor de tweede en derde graad. De eindtermentrein vertrekt namelijk wel op tijd, op 1 september 2019 in het eerste jaar van het secundair onderwijs, en dat betekent dat twee jaar later er nieuwe eindtermen én leerplannen én handboeken nodig zijn voor het derde jaar van het secundair onderwijs.

Tijdens deze legislatuur zal ook het effect van de modernisering zichtbaar worden, maar dat is wellicht pas voor het einde van de regeerperiode. Al is er afgesproken in het het masterplan secundair onderwijs dat er op het einde van de eerste graad moet nagegaan worden hoe de scholen voor de eindtermen presteren via gestandaardiseerde testen. Het katholiek onderwijs kondigde al dergelijke tests aan, maar een dergelijke ontwikkeling kost ook veel tijd en energie om deze valide en betrouwbaar te maken. Deze tests zijn vooralsnog geen taak van de minister, maar dit kan nog veranderen. Ondertussen zal er wellicht vooral een robbertje gevochten worden rond de eindtermen basisonderwijs, waarbij de vraag centraal zal staan wat al dan niet basis is.

Deze discussies – zeker deze over de eindtermen basisonderwijs – zullen stormachtiger worden als er nog slechte resultaten over ons onderwijs bekendgemaakt worden, iets wat niet ondenkbaar is. De voorbije maanden bleken zowel lagere schoolkinderen als hogeschoolstudenten slechter te scoren voor begrijpend lezen. Op 3 december komen de nieuwe PISA-cijfers uit over onder andere de leesvaardigheid van onze 15-jarigen.

Hierbij zal steeds vaker naar de lerarenopleiding gekeken worden. Ik hoorde de voorbije tijd politici al in stilte dromen van eindtermen voor toekomstige leraren die verdergaan dan de vrij algemeen geformuleerde basiscompetenties. Over de (onder)financiering van het hoger onderwijs werd er tijdens de voorbije verkiezingen nauwelijks gesproken. In het slechtste geval zal dit zo blijven.

Nijpend lerarentekort

Nu we het toch over de leraren hebben. In juni kwam ook nog het TALIS-rapport waarin de OESO het beroep van leraar en directeur vergelijkt in de verschillende deelnemende landen. Crevits kon onder andere door de pensioenhervorming geen loopbaanpactakkoord bereiken. TALIS en vooral het steeds meer nijpende lerarentekort zullen de noodzaak voor een dergelijk akkoord nog acuter maken. En dat in een wereld waar er stilaan van elk beroep een tekort is. Het lerarentekort komt trouwens in combinatie met plaatstekort in het secundair onderwijs in de steden, de enorme budgetten die blijvend nodig zijn voor de schoolgebouwen…

Dit alles zal nog gekruid worden naargelang de gezindte van de minister, met de nodige discussies met koepels en netten enerzijds en vakbonden en ouderverenigingen anderzijds. Wacht, even naar adem happen.

Dit stuk is niet bedoeld om ervoor te zorgen dat niemand nog minister van Onderwijs wil worden. Wel is het een oproep aan de verschillende partijen om alleen aan echt sterke figuren te denken voor deze positie. Sterke figuren (m/v/x) die ook nog eens beseffen dat ze de vruchten van hun harde werk wellicht pas geplukt zien worden door in het beste geval hun opvolger, omdat het effect van onderwijsbeleid nu eenmaal zeer traag gaat.

Klein berichtje uit de zomerslaap… 2 takken van de pedagogiek die vaak over het hoofd gezien worden

Mijn blog is in zomerslaap, zelf wel nog aan het werk al is het aan een iets rustiger tempo. Ietsje meer tijd ook om me terug te laten verzinken in wetenschappelijke literatuur voor mijn plezier (ja, dat kan). De voorbije dagen merkte ik dat er weer een hele discussie pedagogiek versus onderwijskunde opleefde op sociale media. Los van de vraag of er zoveel tegenstelling hoeft te zijn, viel me ook op dat pedagogiek herleid lijkt te worden tot een welbepaalde invulling van een welbepaald deel van het veel ruimere veld van de pedagogiek. Of nog beter herleid tot een welbepaalde invulling vaan een welbepaald deel van de onderwijspedagogiek, want bijvoorbeeld gezinspedagogiek wordt al te vaak helemaal vergeten. Het lijkt me dus een tegenstelling tussen ‘een’ onderwijspedagogiek versus onderwijskunde.

Ondertussen verdiep ik me in een ander deel van de pedagogiek die vaak over het hoofd gezien wordt, namelijk de historische pedagogiek. Bij de afscheidsviering van professor Marc Depaepe had ik verschillende boeken genoteerd én besteld om me deze zomer in te verdiepen. Even bij de KU Leuven leentjebuur gaan spelen voor een omschrijving:

In het Centrum voor Historische Pedagogiek staat de historische studie van opvoeding, onderwijs en vorming centraal. Uitgaande van de vooronderstelling dat pedagogische processen en inzichten nooit zomaar uit de lucht komen vallen, wordt de ontstaansgeschiedenis en de verspreiding van onder meer educatieve concepten, onderwijsprogramma’s en pedagogische theorieën bestudeerd. Daarbij wordt gebruik gemaakt van uiteenlopend bronnenmateriaal zoals historische afbeeldingen, archiefstukken, interviews, oude filmfragmenten, schoolboeken en handgeschreven briefwisseling. Naast het bestuderen en beschrijven van het pedagogische verleden wordt er ook expliciet aandacht besteed aan een kritische reflectie over de manier waarop dat verleden beschreven kan worden en de relevantie hiervan voor toekomstige pedagogen. Door studenten aandachtig te maken voor de geschiedenis van pedagogische concepten en praktijken en hen te laten reflecteren over de manier waarop deze geschiedenissen beschreven kunnen worden, wil het Centrum voor Historische Pedagogiek studenten en collega-onderzoekers laten stilstaan bij de taal die vandaag in de pedagogische praktijk en het pedagogische onderzoek gebruikt wordt.

Zo is de beschrijving van de trip die de Belgische Dewey, Ovide Decroly samen met zijn collega Buysse maakte naar de VS zeer leerzaam. Ik herontdekte hoe de huidige strijd zijn roots lijkt te hebben in de tegenstelling tussen Dewey en Thorndike, waarbij Lagerman stelt dat Thorndike won.

Een andere tak van pedagogiek die soms over het hoofd gezien wordt, zal minder aan bod komen in mijn komende vakantieweken, namelijk de comparatieve of vergelijkende pedagogiek. Nochtans is deze tak ook ongemeen boeiend, maar je moet nu eenmaal keuzes maken en het is iets dat ik in feite al voortdurend opvolg. Voor een duiding van het vakgebied, ga ik bij de collega’s van Universiteit Gent even te leen:

Dit opleidingsonderdeel beoogt de studenten inzicht te verschaffen in diverse internationale onderwijssystemen en internationale ontwikkelingen in onderwijs waardoor zij kritisch kunnen reflecteren over actuele pedagogische en onderwijskundige processen.

Onderwijssystemen vergelijken wordt vandaag spijtig genoeg vaak verengd tot PISA en soms PIRLS en co, maar het is veel ruimer en complexer en het hielp en helpt me om net beter die onderzoeken te begrijpen.

Ik snap dat beide takken van pedagogiek minder aantrekkelijk kunnen lijken voor de dagelijkse klaspraktijk. Toch helpen de inzichten en technieken uit beide takken me heel erg bij het nadenken over onderwijs en pedagogiek en vormen ze een grote basis voor ons werk bij de mytheboeken. Oh, en ze helpen ook relativeren. Dat ook.

Wat kan je deze week verwachten?

Het is de laatste week van het schooljaar, dus… er zijn een paar klassieke thema’s die de komende dagen zullen terugkomen:

  • “Waarom zit mijn kind nu al thuis”-tweets en verhalen. (antwoord: deliberaties nemen tijd in).
  • Luxeverzuim (Mijn kinderen hadden toch al bijna geen les, als populaire verklaring).
  • Hoera, goede punten (of niet) op sociale media.
  • Berichten in de media over hoe je al dan niet met goede punten omgaat (ook op sociale media).
  • Cadeautjes voor de juf en meester, misschien zelfs hier en daar een artikel over hoe leraren hier zelf over denken.
  • Links of rechts tips over hoe je met kinderen in een lange zomervakantie kan omgaan (al verschenen die de voorbije weken al behoorlijk vaak).

Maar… het is ook de zomer voor de start van het gemoderniseerde secundair onderwijs, nieuwe eindtermen en wie weet, hebben we op 2 september een nieuwe (of hernieuwde) minister van onderwijs.

Nu, de kans dat het de komende week vooral over de hitte zal gaan, is ook behoorlijk groot…

Zou een vergelijkende methode-site zoals deze een goed idee zijn voor ons onderwijs of niet?

Deze week ontdekte ik via een blogpost van Robert Slavin deze site Evidence for Essa.

Wat doet de organisatie en site?

To maximize the impact on practice, educational leaders must have a simple, straightforward way to identify programs and practices that meet the ESSA evidence standards. This website was created to help identify these programs. It provides a free, authoritative, user-centered database to help anyone – school, district, or state leaders, teachers, parents, or concerned citizens – easily find programs and practices that align to the ESSA evidence standards and meet their local needs.

Whether you want to view all programs with evidence in a given category, such as elementary math or secondary reading, or you want to narrow your search to programs that have been evaluated and proven in schools like yours, or you want to know about the evidence for a particular program you have heard about, this website can help you. It identifies for you the level of evidence under ESSA that is associated with a given program, provides you with a snapshot of what the program looks like and costs, identifies the grades, communities, and children included in the program’s evaluations, and points you in the direction of more information about the program, its evaluations, and implementation.

Vrij vertaald: het controleert lees- en rekenmethodes op hun wetenschappelijke merites en meerwaarde, om problemen met methodes in onderwijs te voorkomen.

De voorbije maanden hebben we in Vlaanderen ook in het kader van leesonderwijs blikken gezien richting methodes en uitgevers. Na het onderzoek van Jan Van Damme kreeg ik zelf ook twee vragen uit de uitgeverswereld of hun methode toevallig ‘de slechte’ was. Voor alle duidelijkheid, ik wist en weet het nog steeds niet.

Is een dergelijke site nu een goed idee of niet? Ik weet het niet. Ik zie voor- en nadelen. Voor evidence-informed kiezen: mooi. Ik hoorde de verzuchting van scholen ook al te vaak: we weten niet goed wat kiezen en hebben vaak het gevoel blind te moeten kiezen.

Tegelijk is er de vraag wie het zou kunnen/mogen maken. Ik kan me inbeelden dat een overheid, zeker met onze grondwet voorzichtig zou zijn. Een onafhankelijke organisatie en/of een interuniversitaire samenwerking lijkt meer voor de hand te liggen, maar de macht van zo een onderneming zou al snel groot kunnen worden.

Eerlijk: ik ben er zelf nog niet uit. Wat denken jullie?

Zijn ouders de ware plaag? Column van Pieter Derks

Het lijkt deze ochtend een trend in de berichten die ik binnen krijg: ouders hebben het gedaan. Terwijl veel herkenbaar is in de zoals steeds hilarisch pijnlijke column van Pieter Derks (ook over personaliseren en maandverband), wil ik spontaan een beetje tegengas geven.

Het is namelijk niet zo dat alle ouders de ware plaag zijn, volgens mij. Je kan niet iemand verwijten dat hij of zij het beste wil voor zijn of haar kind.

Maar wat dat beste is? Daarover verschillen de meningen.

Maar of iedereen hetzelfde kan geven of eisen voor zijn of haar kinderen? Nee.

En een school wil niet enkel het beste voor het ene kind, maar moet voor alle kinderen zorgen. Per definitie een evenwichtsoefening.

Of alle eisen terecht zijn? Nee, maar het is moeilijk om door het bos de bomen te zien. Voor iedereen.

Dat ouders schrik hebben in onze samenleving, is al vaak vastgesteld. Maar een individuele ouder kan je en wil ik dit niet verwijten. Die angst is trouwens niet het alleenrecht van de ouders.

En ik schrijf dit niet enkel omdat ik naast pedagoog en leraar ook… ouder ben. We zullen er samen moeten uitraken.

Pedagogiek is een stoel met minstens vier poten

Misschien heb je het als lezer van deze blog al gemerkt, maar ik noem mezelf per definitie pedagoog en onderzoeker. Over het woordje ‘pedagoog’ en de bijhorende tak van de wetenschap de pedagogiek, wil ik het even uitgebreider hebben op deze pinkstermaandag. De voorbije maanden heb ik namelijk uitgebreid nagedacht over mijn persoonlijke visie op pedagogiek. Deels omdat ik hoopte dat ik deze nodig zou hebben, deels omdat ik de voorbije tijd een beetje te vaak met discussies en situaties geconfronteerd ben waarbij ik dacht: hier ontbreekt iets.

Het is misschien een banaal beeld, maar voor mij is pedagogiek een stoel met minstens vier poten, ik bespreek de vier pijlers een voor een.

Lees verder