Een pleidooi voor het plukken van laaghangend fruit in onderwijs

Gisteren gaf ik een lezing op het High Impact Teaching event in Barneveld en stelde er iets misschien wat aparts voor. Onder andere onder invloed van Hattie kijken we in onderwijs zeer graag naar zaken die een enorm groot effect hebben zoals recent collective teacher efficacy. Het is zeker belangrijk aan dergelijke zaken met mogelijks grote impact te blijven werken, maar vaak kosten deze heel veel moeite en tijd voor dat groot effect te zien.

Het gevaar is dat we door ons hier enkel of vooral op te concentreren, vergeten dat er ook zaken kunnen zijn die weinig moeite en tijd kosten, maar die ook positief effect kunnen hebben. Het effect kan misschien kleiner zijn dan de spectaculaire effectgroottes waarmee geschermd worden, maar als het makkelijk toe te passen is?

Daarom dat ik de benadering van de Education Endowment Foundation wel kan appreciëren. In hun toolkit geven ze niet enkel aan hoe groot het mogelijk effect is -uitgedrukt in maanden-, ze kijken ook naar de moeite die het kost én naar de sterkte van de evidentie.

Voorbeelden van dergelijk laag fruit zijn bijvoorbeeld samenwerkend leren, werken aan metacognitie – zie ook de posters, effectief huiswerk (ja huiswerk!), en veel van wat in Klaskit staat.

Soms is het zelfs cynisch te noemen als we liever geld uitgeven aan (zeer) dure maatregelen waar weinig of geen evidentie voor bestaat dat het enig effect zou hebben zoals bijvoorbeeld co-teaching, terwijl we laaghangend fruit over het hoofd zien of soms zelfs afraden.

P.S.: als er iemand met een grote zak geld dit leest, het EEF staat open voor een Vlaamse en/of Nederlandse vertaling van de Toolkit.

Een interessante case-study rond vrijheid van onderwijs: taalonderwijs

De voorbije weken ontwikkelde zich een interessante case rond vrijheid van onderwijs die een stukje verborgen bleef in alle verkiezingsnieuws. Ik wil de case brengen zonder partij te kiezen – al zou wie de discussie op twitter volgde anders kunnen vermoeden. Meer nog, ik begrijp zeer goed alle betrokken partijen en iedereen heeft valide argumenten. Wel kan deze case study helpen begrijpen wat er wellicht allemaal staat te gebeuren na de volgende verkiezingen.

Waarover gaat het? Wouter Duyck bond de kat de bel aan met deze tweet:

Terwijl Wouter viel over de verantwoording, is er iets anders zeer opvallend. De tekst geeft aan dat “de regelgeving” het toelaat, maar de scholen worden geadviseerd dit niet te volgen. Minister Crevits kondigde het als volgt aan:

Vanaf het schooljaar 2017-2018 krijgen scholen de mogelijkheid om in het basisonderwijs het onderwijs in vreemde talen te versterken. Dat kan door het stimuleren van taalinitiatie vanaf het eerste jaar lager onderwijs en de mogelijkheid voor scholen om aan leerlingen die al een goede basis Nederlands hebben vanaf het derde jaar lager onderwijs Frans, Engels of Duits aan te bieden.

Trouw aan de filosofie van ons onderwijs die gekenmerkt wordt door een zeer grote vorm van vrijheid, heeft de regelgevende macht het hier over ‘mogelijkheden’. Het is dus voor alle duidelijkheid niet verplicht, maar scholen mogen het zelf beslissen.

Die vrijheid van onderwijs is vaak frustrerend voor bepaalde politici. Ze zouden zeer graag meer impact hebben op wat er in de klas gebeurt. Maar in de praktijk blijft dit beperkt tot de eindtermen, en zelfs bij de invoering daarvan bepleitte het Steineronderwijs met succes dat de eindtermen hun pedagogische project in gedrang bracht, waardoor ze andere eindtermen kregen.

Er zijn ook politici die de enorme vrijheid van onderwijs wel genegen lijken te  zijn, maar deze uiten dan een andere frustratie: die vrijheid van onderwijs komt niet op het niveau waarvan zij dat graag zouden hebben. Deze reactie van Koen Daniëls maakt hierin veel duidelijk:

De redenering is hier: de overheid geeft veel vrijheid, maar de koepels (en netten) – en in deze bedoelen ze in de praktijk vaak 1 welbepaalde koepel – nemen die vrijheid in en geven scholen geen vrijheid.

Of in deze concrete case:

  • Overheid zegt: er is formeel taalonderwijs in Frans, Engels en Duits mogelijk vanaf het derde leerjaar
  • Katholiek Onderwijs Vlaanderen zegt: taalinitiatie mag je als school doen en moedigen we aan, maar formeel onderwijs: niet doen.

Terug: er zijn verschillende argumenten om het niet te doen die eerlijk gezegd eerder van praktische aard zijn dan dat er sprake is van een duidelijke wetenschappelijke consensus.

Enkele voorbeelden die terecht opgemerkt werden oa op Twitter:

  • zijn de lesgevers hiervoor opgeleid,
  • de concurrentie die tussen scholen kan ontstaan,
  • de verschillen die er kunnen zijn tussen leerlingen bij het begin van het secundair onderwijs,
  • de leerlijn die niet doorgezet wordt in het secundair onderwijs,

Ik heb een sterk vermoeden dat na de verkiezingen we een pak van dergelijke discussies zullen krijgen. Kijk bijvoorbeeld hoe Katholiek Onderwijs Vlaanderen subtiel de brede eerst graad toch lijkt op te leggen voor hun scholen door een uur Nederlands of Frans uit het verplichte curriculum te halen van het eerste jaar, met het argument dat scholen het altijd nog in hun keuzepakketten kunnen steken. Dat klopt, en scholen kunnen dit zeker zelf beslissen dit te doen of niet te doen. Maar als massaal scholen dit moeten doen omdat anders bijvoorbeeld de basisgeletterdheid in gedrang komt voor Nederlands of omdat het niveau van Frans maar blijft dalen – om de twee hete hangijzers te noemen die er zijn of zitten aan te komen – dan heb je de facto minder keuze-uren en een steeds meer gelijklopende eerste graad. Ik zeg niet dat dit bedoeling van Katholiek Onderwijs Vlaanderen zou zijn, ik kan niet in hun hoofden kijken. Dat het zo kan ervaren worden door bepaalde politici, lijkt me wel degelijk mogelijk.

Black Mirror in het onderwijs

Black Mirror hoef ik u misschien niet voor te stellen. De dystopische reeks over wat er allemaal kan misgaan met technologie is heel populair. Telkens weer valt vooral op hoe je maar net iets verder moet gaan dan wat we vandaag doen, om iets te krijgen dat je echt niet wil.

Deze ochtend verscheen dit artikel in Het Nieuwsblad dat een handleiding kan zijn voor een aflevering van Black Mirror, spijtig genoeg was het serieus en zat de verschrikkelijke verdraaiing er ook al zeer concreet in.

Gelukkig kwamen er ook al reacties, ook vanuit de KU Leuven:

Zeer waar!

Is er iets grondigs fout in bepaalde wetenschappelijke disciplines?

Ik moet bekennen: ik ben een fan van Alan Sokal, verantwoordelijk voor de Sokal hoax.

De Sokal-affaire betreft een hoax uit 1996, bedacht door Alan Sokal, hoogleraar in de natuurkunde aan New York University. Sokal stuurde een nepartikel, doorspekt met onzinnige redeneringen en pseudowetenschappelijk jargon, naar het Amerikaanse academische tijdschrift Social Text. Hij wilde, bij wijze van experiment, te weten komen of een goed geschreven maar compleet onzinnig artikel gepubliceerd zou worden in een postmodern tijdschrift als het a) goed zou klinken, en b) de redactieleden zou vleien met ideologische maar holle concepten. Het artikel werd inderdaad gepubliceerd en kreeg veel aandacht in de internationale academische wereld. Het bracht een debat op gang over de invloed van ideologie op de wetenschapsbeoefening en de normen voor intellectuele eerlijkheid. (Wikipedia)

Maar… het artikel was niet door een peer review proces gegaan. Sindsdien zijn er nog verschillende Sokal-geïnspireerde pogingen geweest en de man heeft zelf ook veel kritiek gekregen.

Dit zal ook het geval zijn bij dit nieuw voorbeeld dat een pak verder is gegaan. Gedurende 2 jaar heeft een team van drie onderzoekers niet 1 nonsens artikel maar een hele reeks van artikels geschreven én gepubliceerd gekregen in verschillende journals rond gender, feminisme, ras en fat studies. Deze artikels werden wel peer gereviewed en 1 artikel kreeg zelfs een speciale vermelding over hoe goed het wel was. Het artikel gaat over copulerende honden in het park als voorbeeld van verkrachtingscultuur. Een ander artikel is een herwerking van stukken uit Mein Kampf herschreven naar het idee van intersectionaliteit.

De kans is groot dat men terug vooral op de boodschappers gaat schieten – iets wat we ook zien bij de replicatiecrisis – en het blijft een gevaarlijk spel dat het vertrouwen in wetenschap zwaar onder druk zet. Ik vrees ook vooral verdere polarisatie, zeker in tijden waar bijvoorbeeld Orban gender studies wil verbieden. Maar dit onderzoek dateert van voor de beslissing van Orban en de onderzoeken pleiten voor alle duidelijkheid niet voor afschaffen van deze verschillende disciplines. Wel dat er een serieus debat gevoerd wordt over hoe wetenschap moet gevoerd worden. Benieuwd of dat debat zal lukken.

Een moeilijk evenwicht in de werkdrukdiscussie

Deze cartoon postte ik enkele jaren geleden:

Het grote tijdsonderzoek dat gisteren gepubliceerd werd, bevestigt dit beeld. Leerkrachten werken veel en hard. Nu zou je een paar fouten kunnen maken. Enkel naar uren kijken, bijvoorbeeld. Sommige leerkrachten werken misschien minder uren, maar hebben een meer belastende taak zoals bijvoorbeeld in het buitengewoon onderwijs.

Een andere fout zou zijn dat je leerkrachten zou verplichten enkel nog een bepaald aantal uren te werken. Dit staat haaks op wat nodig is als leerkracht. Leraren gaan voor hun leerlingen graag die extra mile. Het laatste wat ons onderwijs nodig heeft zijn urentellers of urenkloppers.

Dat laatste is wat in veel landen misbruikt wordt, door steeds meer van lesgevers te vragen in het besef dat die toch hun leerlingen niet in de stuk willen laten. Tot het barst, zoals momenteel in Nederland of tot niemand meer les wil geven (ook zoals in Nederland).

Wat kan je wel doen? Maken dat er niet teveel gevraagd wordt. De kans is groot dat leerkrachten dan misschien zelfs evenveel uren zullen werken, maar dat ze met de dingen bezig zijn die het meeste voldoening geven (lesgeven, zorg, leerlingbegeleiding,…) en die toevallig ook er meest toe doen.

Onderwijs is een roeping en moet dat blijven. Maar een roeping mag geen excuus zijn om niet na te denken over de aantrekkelijkheid en zwaarte van een beroep.

Hoe goed moet je zelf zijn om kritiek te geven?

Mensen die Paul, Casper en mezelf een beetje volgen, weten dat we al een tijdje met een nieuw mytheboek bezig zijn. Maak van dat tijdje drie jaar, als ik naar de eerste documenten kijk. Een van de belangrijkste redenen voor mezelf is dat na boek 1 het allemaal veel groter werd dan verwacht. Boek 1 was al uitgebreid gecheckt, maar je bent als de dood om zelf fouten te maken als je mythes probeert te doorprikken. Het is nog niet verlammend.

Moest aan deze persoonlijke besognes denken bij twee dossiers die de voorbije dagen de media hebben gehaald. Er is de verschrikkelijke affaire Fabre. Ok, misschien mag ik niet verschrikkelijk zeggen, want iedereen is onschuldig tot het tegendeel is bewezen. Maar eerlijk, bij elke getuigenis die ik las, was de gruwel groot. Op de poel der verderf die soms Twitter heet, werd al snel door sommigen ook de link gelegd tussen “linkse culturos” die nu zelf geconfronteerd werden met een schandaal en die dit zouden minimaliseren. Sommige reacties verbaasden mij eerlijk gezegd ook nogal, maar er waren ook veel mensen van alle mogelijke gezindtes die onmiddellijk met meer dan straffe woorden aangaven: dit kan niet. Het zou fout zijn om fouten van enkelen te gebruiken om anderen het recht te ontnemen kritiek te geven. Ja, je kan de vorige zin om verschillende politieke dossiers toepassen, bedenk ik na herlezen.

Het tweede dossier is dat van het verbod op gender studies in Hongarije. Ik schreef zelf met Linda Duits een boek en een hoofdstuk dat gender-gerelateerd is. En het verbieden van een denkrichting in wetenschap door de politiek is niet goed te praten. Tegelijk kan ik zelf behoorlijk boos worden als ik sommige artikels zie die door de Twitter-account Real Peer Review verspreid worden en die behoorlijk vaak uit gender studies komen. Los van dat elke tak van wetenschap zijn eigen aanpak en paradigma’s heeft, zie je regelmatig dingen verschijnen waarvan je je afvraagt of niemand even gevraagd heeft of het wel wetenschappelijk genoeg was. Die twitter-account heeft ook al veel kritiek gekregen omdat ze wetenschap zouden belachelijk maken, maar eerlijk: ze hoeven meestal maar iets te quoten. Punt is wel dat ze niet enkel naar gender studies moeten kijken. Ik lees voor mijn werk zeer veel onderzoek, en heb toch ook regelmatig in mijn haren zitten krabben. Gelukkig is er ook nog veel degelijk onderzoek, ook in gender studies. Maar het gevaar is wel dat net door de minder sterke papers het vakgebied weggezet wordt en het onmogelijk gemaakt wordt om kritiek te geven op de samenleving.

En dus komt terug de vraag: Hoe goed moet je zelf zijn om kritiek te geven? Het is een vraag zonder antwoord van mijn kant. Antwoorden zijn welkom op een gele briefkaart, of gewoon hieronder.

Elke keer ik lees dat intelligentie deterministisch is… (opgelet veel links)

…vraag ik me af waar die mensen de voorbije dertig jaar zaten.

Voor alle duidelijkheid:

Toch worden mensen die naar IQ of intelligentie verwijzen door sommigen steevast weggezet als deterministen of erger, lijkt IQ daarom voor velen per definitie taboe en dreigt erfelijkheidsonderzoek snel dezelfde weg op te gaan. Voorwaar een behoorlijk anti-wetenschappelijke houding, even onwetenschappelijk als stellen dat alles genetisch vastgelegd zou zijn of dat IQ allesbepalend zou zijn.

Of om het toch nog een pedagogenpost te maken: volledig pedagogisch optimisme (puur nurture of blank slate), noch volledig pedagogisch pessimisme (puur nature) zijn mijn inziens gerechtvaardigd. Pedagogisch rationeel optimisme dan maar?

Over discussies in en vooral over het onderwijs

Een van de redenen waarom discussies in het onderwijs soms zo moeilijk kunnen zijn, is imho niet omdat de meningen zo ver uit elkaar liggen, maar omdat er net vaak veel gemeenschappelijks is. Neem discussies over inclusief onderwijs. Voor- en tegenstanders willen het beste voor het kind, dat is het gemeenschappelijke. Wat het beste is voor het kind, daarover verschillen de meningen dan weer wel.

Ik moest hier aan denken toen ik de column las van Paul Goossens in De Standaard over de nieuwe schoolstrijd, met daarin enkele ad hominems richting oa Dirk Van Damme. Hij beschrijft een strijd tussen cognitieve psychologen zoals Wouter Duyck en sociologen, al vermeldt Goossens enkel 2 economen met naam, namelijk Kristof De Witte (KU Leuven) en Jean Hindriks (UCL). De strijd die Goossens dan beschrijft is er een van een kamp die opkomt voor de elite en tegen gelijke kansen is, en een kamp dat strijd voor gelijke kansen.

Maar ook hier is het verre van zo eenvoudig. Misschien ben ik naïef, maar ik zie vooral weer veel gemeenschappelijks. Een van de gemeenschappelijke punten is net dat iedereen wil arme leerlingen het ook beter doen. Je kan veel bedenkingen hebben bij de OESO, maar dat we over dit thema spreken en blijven spreken heeft ook met PISA te maken. Het is wel zeker zo dat er af en toe wel ook wetenschappelijke discussies opborrelen over de correcte interpretatie van sommige maten en dat in de vergelijking tussen landen het er af en toe behoorlijk selectief aan toe gaat bij wellicht iedereen omdat je nooit alles kan meenemen. Toch gaan de meeste discussies vooral weer over het hoe, bijvoorbeeld met discussies over de brede eerste graad.

Mag ik een extreem voorbeeld geven? Ik weet uit verschillende goede bronnen dat mijn bezoek aan Michaela vorig jaar onder andere de Vlaamse minister-president Geert Bourgouis enthousiast over dit schoolidee maakte. Toen de journalist de school omschreef als de droomschool van Theo Francken werd dit door sommige trollen als negatief ervaren maar likete de man zelf het bericht. Je kan veel hebben voor of tegen deze school – trust me – maar 1 ding is zeker: de school bestaat alleen maar omdat ze de kloof tussen arm en rijk wil dichten onder het motto: laat je afkomst je toekomst niet bepalen. Of iedereen die deze school genegen is dit denkt, kan ik mijn handen niet voor in het vuur steken en of dit de enige zaligmakende oplossing is, ben ik zeer zeker van niet.

Michaela is een traditionele school die stelt dat ze evidence-based werkt, maar die groepswerk verbiedt. Dan werk je niet evidence-based, maar doe je aan cherry-picking. Je kan je ook ten zeerste afvragen of kinderen uit arme gezinnen aparte scholen geven te verantwoorden is (en ja, dat is een eufemisme), al worden ‘rijke’ kinderen zeker niet geweerd.

Maar opgelet, tegelijk toont onder andere onderwijskundig en ja, ook cognitief psychologisch onderzoek en PISA dat bijvoorbeeld zelfontdekkend leren dat in sommige methodescholen zeer gepromoot wordt en als eerder progressief ervaren wordt, op bepaalde momenten en voor bepaalde doelen gebruikt de kloof tussen kinderen uit rijke en achtergrond net kan vergroten. Een van de redenen waarom Directe Instructie voor basiskennis aan populariteit wint, is net dat deze aanpak wel de kloof deels zou kunnen mee helpen dichten indien op het juiste moment gebruikt. Dat is de reden waarom DI een belangrijke basis voor Michaela is.

Geïnspireerd door Hannah Arendt zou je kunnen stellen dat iedereen in het onderwijs progressief is, iedereen wil dat een kind vooruit gaat, maar dat onderwijs ook steeds een conservatief karakter heeft – doorgeven wat we als samenleving belangrijk vinden – opdat progressie mogelijk wordt. Maar over hoe je dat doet? Daar zullen we wellicht altijd blijven discussiëren en het is fout te denken dat er 1 oplossing bestaat die voor iedereen en altijd best zal werken.

Oh, en mocht je je afvragen waar pedagogen zich bevinden tussen de polen die Goossens beschrijft als psychologen versus sociologen, dan moet ik je teleurstellen. Dit is alsof de psychologen en sociologen al 1 blok zouden zijn, dat pedagogen 1 unisone mening zouden hebben en nog belangrijk alsof er maar 2 polen zouden zijn waartussen iedereen zich beweegt. De werkelijkheid is vaak veel complexer dan in een column genoteerd wordt.

Hoe gaan we de onderwijsproblemen niet oplossen? En een klein, maar zeer concreet voorstel dat misschien wel kan helpen.

De voorbije dagen was er vooral veel onderwijsmiserie in het nieuws, wellicht in schril contrast met wat de meeste kinderen en leerkrachten gisteren op de eerste schooldag zelf ervoeren. Vandaag las ik in Het Laatste Nieuws hoe een leerkracht uit West-Vlaanderen de oplossing ziet voor niet alles maar toch veel: schaken. Ze is hier niet alleen in. Ook Armenië zet hier op in. Mooi, maar hoe fijn het spel ook is: zo gaan we de problemen niet oplossen.

Ik neem het als voorbeeld – niet om met stenen naar die ene juf of dat ene land te gooien – maar omdat het me triggerde. Wat we vandaag vaak doen in onderwijs is van alles uitproberen. En dat is goed, experimenteren is belangrijk en nodig. Maar het warm water steeds opnieuw uitvinden, is onnodig tijdverlies en verspilling van energie. Het idee van far transfer – leer A en je kan beter B – dat onderhuids bij het schaakidee aanwezig is, werd al in 1903 door Thorndike onderzocht waarbij hij vaststelde dat het op zijn minst extreem moeilijk is, en meestal niet het geval. De meeste onderzoeken hebben dit sinds 1903 vooral bevestigd. Schaken is hierop geen uitzondering, een uitgebreide wetenschappelijke review uit 2017 toont dat leren schaken vooral 1 ding doet: je leren schaken. Punt.

Daarom zou het zo mooi zijn, mochten we bij nieuwe, of vermeend nieuwe onderwijsideeën, doen wat het Amerikaanse National Educational Policy Center heeft gedaan bij de nieuwe school die James LeBron oprichtte. Ze namen de verschillende onderdelen van de aanpak en visie van de school. Vervolgens bekeken de wetenschappers van het instituut hoeveel kans op slagen elk onderdeel heeft op basis van de huidige wetenschappelijke kennis.

Geef toe, het zou mooi zijn: een instelling, misschien een onderdeel van een universiteitsfaculteit, of misschien een onderdeel van de inspectie, waar je als school je plannen kan laten toetsen. Niet enkel aan haalbaarheid, maar ook aan mogelijke positieve en negatieve gevolgen op basis van wat we vandaag weten uit onderwijsonderzoek. In het kader van de onderwijsvrijheid doet iedereen daarna toch nog wat hij of zij wil, maar dan toch op zijn minst met meer achtergrondkennis. Het kan misschien zelfs voor een goed gevoel zorgen als je hoort dat het kan lukken, maar als je tegelijk ook aandachtspunten meekrijgt die de kans op slagen kunnen vergroten. Ik kreeg deze vraag zelf al een paar keer en ik beken, ik deed het de voorbije jaren ook al wel eens vrijwillig, maar om dit goed te doen heb je een multidisciplinair team en tijd nodig.

Ik besef dat het een andere benadering van evidence-informed werken is, maar een die misschien haalbaarder is dan te verwachten dat alle scholen zelf alle onderzoek doornemen. Neem van me aan, de literatuur doornemen alleen al rond far transfer voor ons nieuw mytheboek heeft heel veel tijd gekost.

Zo een check zou nooit mogen en kunnen de bedoeling hebben om 1 welbepaalde visie op te leggen en het mag ook niet de bedoeling zijn experiment af te remmen. Integendeel, het moet experimenteren net effectiever maken. Het grote voordeel van een dergelijke aanpak, is dat het de veelvoud aan mogelijk succesvolle aanpakken erkent en scholen net binnen hun visie kan ondersteunen.