Mag je experimenteren met kinderen? (gastblog Paul Kirschner)

Deze post van Paul stond eerst op onderzoekonderwijs.net, overgenomen met zijn toestemming.

Het artikel ‘Mag je experimenteren met kinderen’ in Van twaalf tot achttien heeft mij aan het denken gezet.

Ik ben van beroep onderwijsonderzoeker. Een van de onderdelen van mijn vak – zo niet het meest bepalende onderdeel – is het uitvoeren van (onderwijs)experimenten. Deze experimenten kunnen plaatsvinden in een lab onder kunstmatige condities via zogeheten gerandomiseerd onderzoek met controlegroep maar kunnen ook ecologisch valide studies[1] zijn, dus ‘in het wild’ in de klas / in scholen. De experimenten die ik doe kunnen zeer gecontroleerde experimentele interventiestudies zijn waar ik probeer alle toeval uit te bannen, maar ze kunnen ook quasi-experimenteel of zelfs design-based zijn waar van alles (onverwacht) kan opspelen.

Echter, wat voor onderzoek ik ook doe, met uitzondering van literatuuronderzoek of deskresearch, moet ik uit ethische overwegingen (die ook vastliggen in mijn vakgebied) alles laten toetsen door een instantie die de ethische toetsingscommissie[2] (ETC) heet. Het doet er niet toe of ik alleen een vragenlijst afneem over hoe een kind zegt te leren, een andere onderwijsvorm probeer (en deze al dan niet vergelijk met een vergelijkbare groep zonder deze interventie) of visolie toedien om te zien of dit leidt tot beter leren. In het laatste geval moet ik zelfs naar een medisch ethisch toetsingscommissie (METC). Ongeacht wat ik doe, moet ik deze commissie laten zien dat ik ethisch handel, dat ik via de gekozen instrumenten of ingrepen geen schade zal toebrengen bij de leerling (of de ouder/verzorger), dat ik ‘nazorg’ verzorg na de ingreep , zoals het voeren van een nagesprek of het rapporteren aan de participanten over wat de gevonden resultaten en ga zo maar door.

Als mijn onderzoek – het experimenteren – wordt gedaan met jonge kinderen, moet ik eerst toestemming krijgen van hun ouders of verzorgers. Gaat het om kinderen tussen 12 en 18, dan moet ik zowel van de ouders/verzorgers als van de kinderen zelf toestemming krijgen en voor leerlingen/studenten van 18 of ouder alleen van de jongeren zelf. Ik moet ook leerlingen de mogelijkheid geven om niet aan het experiment mee te doen zonder enige nadelige gevolgen voor hen en ik moet hen ook de ruimte geven om op welk moment dan ook uit het onderzoek te stappen (idem zonder gevolgen).

Met deze ‘klaagzang’ wil ik niet betogen dat dit allemaal teveel is en dat het allemaal minder kan of moet. Integendeel. Ik vind het uitstekend dat ik en mijn collega’s gedwongen worden om ons enerzijds ethisch te moeten verantwoorden voor wat wij doen in onze onderwijsexperimenten en anderzijds (nog belangrijker) vooraf goed na te moeten denken over wat onze ‘onschuldige’ experimenten voor mogelijke nadelige effecten / gevolgen kunnen hebben voor de deelnemers, dus onze kinderen.

Wat ik daarom des te vreemder vind, is dat scholen en zelfs de overheid van alles mogen doen zonder rekening te moeten houden met dergelijke ethische overwegingen. Denk hier aan wat de Commissie Parlementair Onderzoek Onderwijsvernieuwing oftewel de Commissie Dijsselbloem vond (waarvoor ik samen met Frans Prins een van de deelstudies uitvoerde). Drie van de conclusies van het parlementaire onderzoek waren:

  • Er zijn grote risico’s genomen met kwetsbare leerlingen;
  • De wetenschappelijke onderbouwing van ‘het nieuwe leren‘ ontbreekt grotendeels;
  • De wijze van invoering van ‘het nieuwe leren’ was risicovol).

Scholen en overheden kunnen, bijvoorbeeld, een niet weloverwogen ingreep gebaseerd op vage vermoedens of hypes van onderwijsgoeroes en eduquacks en geleid door niet getrainde mensen zomaar uitvoeren (ik zal hier geen namen of onderwijsingrepen noemen maar jullie kennen ze wel). Ook kunnen zij veranderingen / vernieuwingen waar slechts een ietsiepietsie over is nagedacht is, invoeren. Deze veranderingen / vernieuwingen zijn dan gebaseerd op vermoedens of aannames (denk hier aan de Tweede Fase). Nogmaals, in beide gevallen zonder enige ethische toetsing vooraf!

Ik vind dit absurd. Laten wij eisen dat scholen en de overheid zich aan dezelfde normen, regels en standaarden moeten houden als professionele onderwijsonderzoekers. Het gaat om onze kinderen en de schade die wij hen kunnen toebrengen. Daar mogen wij niet lichtzinnig over doen!

[1] Ecologische validiteit (ecological validity) is de mate waarin de onderzoeksresultaten uit een onderzoek overeenkomen met de alledaagse praktijk

[2] ETCs hebben tot doel de waarden, rechten en belangen van deelnemers aan een onderzoek te waarborgen. Bij elk aangevraagd onderzoek gaat deze commissie na of de onderzoekers rekening houden met algemeen geldende wettelijke en/of ethische standaarden met betrekking tot het type onderzoek dat zal worden uitgevoerd. De ETC beoordeelt de ethische aspecten van een onderzoek en zijn methoden, promoot volledig geïnformeerde en vrijwillige deelname door potentiële deelnemers die in staat zijn om dergelijke keuzes te maken (of, indien dat niet mogelijk is, geïnformeerde toestemming gegeven door een geschikte proxy zoals de ouders of verzorgers van een kind), om de alle aspecten van de veiligheid van de deelnemers te garanderen.

Een jaar na de verlenging naar 280 tekens op Twitter: vrijwel niemand maakt er gebruik van (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Een jaar geleden was de overgang definitief: twitteraars hadden niet langer 140, maar 280 tekens tot hun beschikking. Het leidde tot gemopper (onder andere van mij) en uiteindelijk, zoals die dingen gaan, tot acceptatie. Twitter maakte cijfers bekend waaruit blijkt dat vrijwel niemand iets doet met die extra ruimte.

Op een rijtje:

  • De meest voorkomende lengte van een tweet is gedaald, van 34 naar 33 tekens;
  • 88 procent nog steeds 140 tekens of minder;
  • Slechts één procent van de tweets raakt aan de 280 tekens-limiet.

Het gebruik van afkortingen is daarentegen wel gedaald. ‘SMS taal’ als u r, w8 en b4 is dus definitief uit. Daarnaast zijn mensen beleefder geworden: het gebruik van please en thank you is gestegen met respectievelijk 54 en 22 procent.

(Ik kon de bron bij Twitter niet vinden, maar verschillende Amerikaanse techblogs zoals dezedeze en deze deelden de data.)

Natuurlijk gebruikt Facebook je telefoonnummer wel (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Facebook wil heel graag je telefoonnummer. Een van de manieren waarop het sociale netwerk je dat probeert te ontfutselen is de 2-stapsverificatie. Onder het mom van jouw veiligheid, vraagt Facebook je nummer. Die extra veiligheidslaag moet je account beschermen tegen derden die proberen toegang te krijgen. Facebook gebruikt dat nummer echter ook voor andere doeleinden.

Gizmodo rapporteert dat adverteerders die je nummer al hebben, jou kunnen targeten via dat nummer, ook al heb je dat alleen aan Facebook gegeven voor de 2-stapsverificatie. Dat targeten werkt als volgt: sommige bedrijven willen een advertentie richten op iemands wiens nummer of e-mailadres ze hebben, bijvoorbeeld omdat ze eerder iets bij hen gekocht hebben. Facebook heeft veel meer informatie over haar gebruikers dan zij weten. Via het adresboek van je vrienden bijvoorbeeld, of dus verkregen op deze doortrapte manier. Een bedrijf kan je dus ‘vinden’ op basis van je nummer of dat ene e-mailadres dat je nooit voor Facebook hebt gebruikt.

Gizmodo baseert zich op onderzoek waarin deze targeting-methodes zijn getest met een grote dataset. Over de onderzoekers en hun studie:

“They found that when a user gives Facebook a phone number for two-factor authentication or in order to receive alerts about new log-ins to a user’s account, that phone number became targetable by an advertiser within a couple of weeks. So users who want their accounts to be more secure are forced to make a privacy trade-off and allow advertisers to more easily find them on the social network. When asked about this, a Facebook spokesperson said that “we use the information people provide to offer a more personalized experience, including showing more relevant ads.” She said users bothered by this can set up two-factor authentication without using their phone numbers; Facebook stopped making a phone number mandatory for two-factor authentication four months ago.”

Extra frustrerend is dat het voor jou als gebruiker niet mogelijk is te achterhalen welke ‘schaduwinformatie’ Facebook allemaal van jou heeft. Ook voor mensen die hun Facebook weg hebben gedaan is dit onderzoek van belang: diensten als Twitter, Pinterest en Google werken op een zelfde manier.

Lees dit als je mindmaps wil gebruiken als studiemethode (gastblog van Tim Surma)

Deze blogpost verscheen eerst hier!

Tot op welk niveau kunnen we wetenschappelijke bevindingen vertrouwen? Een heleboel wetenschappers repliceerden een 21sociaal-psychologische experimenten uit de tijdspanne van 2010-2015 die gepubliceerd werden in vooraanstaande tijdschriften Nature en Science. De studies hadden sample sizes die tot vijf keer zo groot waren dan de originele studies. Voor 62% van de studies vond men significante effecten in dezelfde richting dan de originele studies, en werden dus succesvol gerepliceerd. Dit was beter dan eerdere projecten (reproducibility project psychology, 2015: 36%; Experimental Economics Replication Project, 2016: 61%). Het artikel staat open-source op Nature.

 

Ik bespreek hier het succesvol gerepliceerde experiment van Jeffrey Karpicke en Janell Blunt (2011) over de effecten van retrieval practice en concept-mapping.

Net zoals we aannemen dat het meten van een fysiek object de grootte, vorm of het gewicht van het object niet zou veranderen, zo gaan mensen er vaak van uit dat het meten (testen) van het geheugen het geheugen niet verandert. We weten inmiddels dat het proberen herinneren van informatie uit je langetermijngeheugen (retrieval practice) zelf gezien kan worden als een leermoment. Intuïtief word vaak foutief gedacht dat het proberen herinneren van die informatie (het ‘toetsen’) enkel het product meet van wat eerder geleerd is, en niet een leermoment an sich is. De populaire studeermethode van mindmappen (elaboreren en actief proberen relaties zichtbaar te maken tussen concepten) werd mee in dit experiment genomen.

In een eerste experiment werden vier condities met elkaar vergeleken. Studenten moesten in een leersessie een tekst verwerken. De eerste groep kon die tekst een keer bestuderen, de tweede groep bestudeerde de tekst vier keer, de derde groep bestudeerde de tekst en maakte er een concept-map van (mindmap als een beter gekend concept in onderwijsmiddens), de laatste groep bestudeerde de tekst een keer en moesten daarna proberen zich zoveel mogelijk te herinneren (retrieval). De studenten moesten na een week een test afnemen waarbij ze zowel letterlijke informatie (verbatim) als infererende vragen (waarbij ze verbanden moesten leggen tussen de inhoud) oplosten. Er werd ook gevraagd aan de studenten om te voorspellen hoeveel procent van de teksten ze zich nog zouden herinneren na een week (metacognitive predictions). Resultaten zie je hieronder.

Zowel op letterlijke als infererende vragen presteerde de groep die zichzelf testte beduidend beter dan de andere groepen. Er waren amper verschillen tussen de studenten die vier keer mochten studeren en de studenten die een mindmap maakten na een keer studeren. Over de twee types vragen gecombineerd is het voordeel van retrieval practice ten opzichte van concept-mapping meer dan 50%. Opvallend is dat de retrieval practice groep *denkt* dat ze het minst zullen onthouden. Dat is helemaal in lijn met eerdere onderzoeken daarover: we zijn als mensen heel slecht in het voorspellen van ons leren op lange termijn en verwarren het vaak met prestatie op het moment zelf (voor een overzicht, zie o.a. Soderstrom en Bjork, 2015)

In een tweede experiment werden twee groepen studenten (concept-mapping versus retrieval practice) getest met educatief realistisch materiaal. De onderzoekers gebruikten wetenschapsteksten die vb de eigenschappen van verschillende spierweefsels omschrijft (enumeration text) en ook een tekst die het spijsverteringsstelsel omschrijft (sequence text). Leerlingen maakten een test waarbij ze een aantal korte antwoorden moesten geven ofwel een mindmap moesten maken van die leerstof. De resultaten zie je hieronder.

 

De groep in de retrieval practice-conditie presteerde beter op de korte-antwoordtest voor zowel de enumeration als de sequence texts, en dat was te verwachten. Verbazingwekkender is dat de retrieval practice groep ook beter presteerde in het maken van correcte mindmaps, meer dan de groep die studeerde door het maken van mindmaps (!)

Wat betekent dit nu voor de onderwijspraktijk?

  • Retrieval practice is een krachtige manier om betekenisvol leren van complexe concepten (die vaak in het wetenschapsonderwijs worden gebruikt) te bevorderen.
  • Mindmaps zijn niet zinloos, verre van. Leerlingen die mindmaps maakten presteerden beter dan de groep die slechts een keer studeerde, en dat kan liggen aan het feit dat je meer tijd spendeert aan de leerstof (total time hypothesis: hoeveel je leert staat in functie van hoeveel tijd je spendeerde aan de leertaak) en dat je elaboreerde (en dus nadacht over verbanden tussen de leerstof). We moeten leerlingen echter waarschuwen dat het maken van een mindmap met het boek open weinig toegevoegde waarde heeft.
  • Wanneer leerlingen dus mindmaps maken nadat ze probeerden om zich de concepten te herinneren (met gesloten boek dus!), lijken de voordelen van retrieval practice mee ingebed te worden in de vaak gebruikte studeermethode van het mindmappen.

Waarom Facebook desinformatie niet kan bestrijden (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Techblog Monday Note maakt een serie over het gevecht tegen desinformatie. In deel 2 besprak redacteur Frederic Filloux waarom het Facebook niet gaat lukken om fake news en andere vormen van hun netwerk te weren. Dat ligt niet aan de techniek, maar aan de waarden van de organisatie.

Facebook heeft de kenmerken van een autoritair regime. Het bedrijf predikt absolute transparantie, behalve voor de eigen leiders. Zuckerberg is de belichaming van gecentraliseerde macht en probeert een cult rond zijn persoon te creëren.

Daarnaast is Facebook eerder bereid om schadevergoedingen te betalen dan een aanpassing aan hun product te maken. Filloux maakt de vergelijking met een auto van Ford waarvan de tank kon exploderen bij een botsing. In plaats van die wagens van de markt te halen, wachtte Ford gewoon de rechtszaken af.

Samengevat:

“Facebook’s DNA is based on the unchallenged power of an exceptional but morally flawed — or at least dangerously immature — leader who sees the world as a gigantic monetization playground. In Mark Zuckerberg’s world, the farther from home, the more leeway he feels to experiment with whatever comes to his prolific mind. Yielding on the Ford Pinto syndrome, he feels little incentive to correct the misuse of the tools he created. And he managed to have no one standing against him.”

Ook tieners vinden dat ze teveel op hun telefoon zitten (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Tieners en telefoons zijn een probleem. Toen ik zelf tiener was, klaagde mijn moeder over de eindeloze gesprekken die ik aan de lijn had (“fiets er even heen” zei ze dan). Tegenwoordig gaan de zorgen over schermtijd: afleiding, slaapproblemen, afhankelijkheid. Ook tieners zelf vinden dat ze teveel tijd doorbrengen op hun telefoon, zo laat een recente studie van Pew Internet zien. Er werden 743 tieners (13-17) en hun 1o58 ouders ondervraagd.

De resultaten maken duidelijk hoe tieners maatschappelijke opvattingen overnemen. Onderstaande grafieken geven enige inzicht, beneden meer toelichting.

Emoties
Ongeveer de helft van de tieners vindt dat van zichzelf dat ze teveel op hun telefoon zitten. Negen van de tien vindt in het algemeen dat teveel tijd online een probleem is voor mensen van hun leeftijd. Iets meer dan de helft onderneemt actie om hun telefoongebruik te beperken. Ook hun gebruik van sociale media (57%) en games (58%) leggen ze aan banden, dit terwijl de percentages van tieners die vinden dat ze teveel tijd doorbrengen met sociale media en games lager liggen, respectievelijk 41 en 26 procent. Opmerkelijk: slechts 45 procent geeft aan dat ze bijna constant online zijn.

De onderzoekers bevroegen vijf emoties die mogelijk gepaard gaan met gescheiden zijn van je telefoon. ‘Bezorgd’ [anxious] wordt het meest genoemd (42%), gevolgd door eenzaam (25%) en ontdaan (24%). Tegelijkertijd zegt 17 procent blij of opgelucht te zijn als hun telefoon niet in de buurt is. 28 procent zegt dat geen van deze emoties op hen van toepassing is.

Er zijn sekseverschillen. Meisjes geven eerder aan teveel op de socials te zitten (47% vs. 35%) en jongens meer op games (11 tegenover 41%). Meisjes voelen zich ook eerder bezorgd en eenzaam zonder telefoon.

Ouders
Ouders maken zich zorgen over de effecten van schermtijd van anderen: ruim tweederde vindt dat hun tieners teveel op hun telefoon zitten. 57 procent stelt dat ze schermtijd beperken.

De tieners vinden dat het vervelend dat hun ouders tijdens een gesprek met hen afgeleid zijn door hun telefoon: 51 procent zegt dat. Ouders zelf zien dat minder: slechts 36 procent van hen zegt dat ze teveel met hun telefoon bezig zijn.

Apple snapt het en maakt telefoon die je minder gebruikt (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Toen de iPhone net uitkwam, was het fantastisch. De smartphone bood allerlei nieuwe manieren waarop we het internet konden gebruiken en waarnaar we blijkbaar al een tijdje op zoek waren geweest. Ik herinner me nog hoe ik Shazam een bijna magische app vond: echt de toekomst.

Wat bleek: het zat andersom. ‘Het internet’ was op zoek geweest naar manieren waarop het ons kon gebruiken. Smartphones en sociale netwerken waren het antwoord. We gingen eindeloze hoeveelheden data afstaan. Soms heel bewust en opzettelijk, bijvoorbeeld door in Foursquare aan te geven waar we waren. Het grootste gedeelte van die dataverzameling verliep echter zonder dat we het wisten. Allerlei andere apps hielden ook onze locaties bij, apps die we dachten alleen te gebruiken om mee te gamen.

De verhoudingen zijn gedraaid. We zijn ons bewust geworden van hoe onze telefoon ons gebruiken in plaats van andersom. We willen minder. Minder notificaties ook. Als je wilt winnen in de markt, dan speel je in op die veranderde behoeften voortkomend uit voortschrijdend inzicht.

Apple begrijpt dit. Het nieuwe besturingssysteem heeft een aantal hulpmiddelen dat helpt inzicht te krijgen in je smartphonegebruik. Mashable schrijft hierover:

“There’s reason to believe Screen Time isn’t just lip service to a serious concern. Apple’s business model isn’t dependent on how much time you spend with its devices; whether you unlock your iPhone once a minute or once a week, Apple made its money when you bought it. Sure, Apple wants to fuel its burgeoning services business as well, but most of its services (like Apple Music) have straightforward subscription models — as opposed to the devil’s bargain of social media where services are cost-free in exchange for data.

This is why Apple stands the best chance of weathering the current tech backlash. Not only do its customers connect with its products in a physical, intimate way, but it’s also the least interested in keeping you constantly engaged with them. If Screen Time makes you use the device less, but generally improves your experience, the company is totally fine with that.”

Apple verliest dus geen geld als je je telefoon minder gebruikt. In het artikel komt Nir Eyal aan het woord, een consultant die boeken heeft geschreven over de gewoontes die hedendaagse technologie creëert. Hij zegt:

“With iOS 12 with Screen Time, they’re building into these devices a way for you to use the devices less. … You might think that doesn’t make any sense, but it does. It’s like seat belts. It wasn’t regulation that first put seat belts in cars — it was consumer demand. And the cars that had seat belts outsold the cars that didn’t have seat belts.”

De eerste iPhone ontworpen om minder gebruikt te gaan worden: het wordt vast een groot succes.

Deprimerend: Bronnen labelen als onbetrouwbaar weerhoudt mensen er niet van nieuws te delen (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

In de overvloed aan informatie is het soms moeilijk vast te stellen wat waar is en wat niet. Er wordt daarom gezocht naar manieren om het publiek betere keuzes te laten maken. Dat kan bijvoorbeeld met een soort vinkjes-systeem: groen als de bron betrouwbaar is en rood als die dat niet is.

Onderzoeksbureau Gallup/Knight Foundation deed een vragenlijstexperiment met 2010 Amerikaanse volwassenen om de effectiviteit van zo’n systeem te testen. De respondenten kregen verschillende koppen voorgelegd met verschillende condities: alleen de naam van een bron, een oordeel goedgekeurd of onbetrouwbaar en datzelfde oordeel met een linkje naar meer info – zie de afbeelding.

Goed nieuws! Het systeem werkt zoals bedoeld. Mensen vonden een kop meer betrouwbaar met een groen vinkje en minder betrouwbaar met een rood label. Mensen wilden onbetrouwbare stukken ook minder graag lezen en delen. Het meest effectief was de tool als mensen wisten dat de rating vastgesteld was door journalisten.

De onderzoekers vonden geen verschillen tussen Republikeinen en Democraten. Bovendien vonden ze ook geen bewijs voor het zogeheten implied truth effect: dat mensen denken dat een verhaal zonder vinkje wel waar is als andere verhalen een rood vinkje hebben.

Maar er was ook slecht nieuws. Ook als ze weten dat een bron onbetrouwbaar is, wil nog steeds 34 procent van de respondenten dit verhaal delen. Er is daarbij ook gevraagd naar de redenen om dat dan toch te doen. Zoals onderstaande figuur laat zien, zegt bijna de helft van deze groep dat ze het bericht willen delen omdat ze de boodschap van het bericht wilden delen. Dit komt overeen met onderzoek van Peter Burger naar broodje-aapverhalen: die delen mensen omdat het misschien wel waar had kunnen zijn en een gewaarschuwd mens telt voor twee.

De onderzoekers geven aan dat zo’n ratingsysteem lastig in de praktijk te brengen is. Waar/niet waar is, zo laten factcheckrubrieken ook zien, soms een onhoudbare dichotomie. Bovendien zijn er ook onbetrouwbare bronnen die soms wel correcte informatie verspreiden. Een dergelijk systeem is ten slotte al snel politiek:

“Once a source rating tool is perceived as biased, the likelihood that the tool remains effective across the political spectrum is low” (p. 19).

Terug bij af dus.

Gevonden via Peter Burger, van wie ik ook de titel van deze blogpost heb overgenomen. 

Wantrouw influencers die ook de negatieve aspecten van een product bespreken (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Influencers worden vaak gezien als de toekomst van reclame. Consumenten houden immers niet van reclame, en bedrijven doen er dus alles aan om hun reclame zo onherkenbaar mogelijk te maken. Er is bovendien nog maar weinig regelgeving voor vloggers en insta-celebs, wat hen een goudmijn maakt voor merken die hun producten willen laten aansmeren door mensen met veel volgers. Klik hier voor een lijstje met de meest succesvolle Nederlandse influencers.

Collega Suzanne de Bakker is gespecialiserd in contentmarketing en werd onlangs door Marketingtribune geïnterviewd over influencers. Op basis van onderzoek legt zij uit dat het niet alleen draait om de deskundigheid en de persona van de influencer. Juist de inhoud is belangrijk:

“Bij een eenzijdige boodschap worden alleen de positieve aspecten van een product benadrukt. Bij een tweezijdige boodschap worden zowel de negatieve als de positieve aspecten van het product besproken. Deze studie toont aan dat tweezijdige boodschappen leiden tot een hogere geloofwaardigheid van de influencer en hogere gedragsintentie van het publiek. Dit betekent dat een influencer als betrouwbaarder wordt gezien als deze niet alleen de positieve aspecten beschrijft maar ook zeker de negatieve en dat dit soort posts effectiever en persuasiever is dan posts die alleen maar positief zijn.”

Het draait dus om geloofwaardigheid en geloofwaardigheid kan geveinsd worden.

Algoritmen zijn de nieuwe poortwachters, en dat is slecht nieuws (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Mijn favoriete tech-socioloog Zeynep Tufekci schreef een stuk voor MIT Technology Review over connectiviteit. Ze schetst de ontwikkeling van sociale media eerst als hoop voor democratisering bij de Arabische Lente en later als tegenovergestelde in tijden van Trump. Dat punt is uiteraard al vaker gemaakt, maar ik wil er één element uitlichten dat mijn aandacht trok.

Kenmerkend voor de nieuwe technologieën (mobiele apparaten met goede camera’s en een internetverbinding in combinatie met sociale netwerken) is dat ze het traditionele poortwachters moeilijk maken. Voorheen konden overheden en media controle uitoefenen over dissidenten. Tijdens protesten als die in Iran in 2009 gingen beelden viraal die we anders nooit gezien hadden:

“It was a difficult image to see: a young woman lay bleeding to death on the sidewalk. But therein resided its power. Just a decade earlier, it would most likely never have been taken (who carried video cameras all the time?), let alone gone viral (how, unless you owned a TV station or a newspaper?). Even if a news photographer had happened to be there, most news organizations wouldn’t have shown such a graphic image.”

Mensen die eerder dachten alleen te staan in hun verzet, haalden nu kracht uit anderen die ze vonden via sociale netwerken.

Deze netwerken zien zichzelf niet als poortwachters, maat als neutrale platforms. Die publieke sfeer die zij faciliteren is druk, en er wordt veel desinformatie ingedeeld die eerder door de oude poortwachters werd uitgefilterd. Bovendien zijn die netwerken natuurlijk niet neutraal. Ze draaien op algoritmen die niet neutraal zijn, maar bedacht door mensen en bedoeld om gebruikers op de site te houden zodat er geld verdiend kan worden:

“[T]he new, algorithmic gatekeepers aren’t merely (as they like to believe) neutral conduits for both truth and falsehood. They make their money by keeping people on their sites and apps; that aligns their incentives closely with those who stoke outrage, spread misinformation, and appeal to people’s existing biases and preferences. Old gatekeepers failed in many ways, and no doubt that failure helped fuel mistrust and doubt; but the new gatekeepers succeed by fueling mistrust and doubt, as long as the clicks keep coming.”

Dit is het punt dat zo cruciaal is: de nieuwe poortwachters zijn algoritmen. Zij gelden als succesvol als ze erin slagen zoveel mogelijk clicks te genereren. En dat lukt goed als het vuurtje van wantrouwen en twijfel aanwakkeren – zie ook ons stuk over YouTube als radicaliseringsmachine.

Om daarop door te gaan (wat Tufekci niet doet): die houding van alles voor de clicks zien we bovendien niet alleen bij Facebook en Twitter, maar ook bij wat we traditionele media noemen. Kranten plaatsen opiniestukken waarvan ze weten dat er ophef over zal ontstaan op sociale media, en ze weten dat dit bezoekers trekt. Ook bij kranten wordt immers strak bijgehouden wat de meest gelezen én ‘besproken’ stukken zijn (tussen aanhalingstekens, want zeggen op Twitter dat iets een stom stuk is, is niet hetzelfde als bespreken). Redacties van praatprogramma’s werken op eenzelfde manier. Wat telt als een succesvolle uitzending wordt naast kijkcijfers ook afgelezen aan de hoeveelheid buzz op sociale media. Net als op YouTube geldt dus voor de late night shows: hoe extremer, hoe beter.

Algoritmen zijn dus niet alleen nieuwe poortwachters, ze sturen ook de traditionele, bestaande poortwachters aan. Dat is slecht nieuws voor de journalistiek, de publieke sfeer en – daarmee – voor de democratie.