De schadelijkheid van influencers die fungeren als therapeuten (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl, met een pijnlijke conclusie van Linda!

Geestelijke gezondheid is een belangrijk onderwerp voor jongeren. Niet alleen gaat het niet goed met het welzijn van de jeugd, deze generatie is ook actief bezig om het stigma dat kleeft aan depressie, trauma en stoornissen te verwijderen. Sociale media spelen daarbij een grote rol: het is immers een plek waar ze met elkaar praten. Het zorgt voor een situatie waarin influencers (of online creators) fungeren als therapeut. Zonder enige training.

In de Washington Post verscheen een artikel dat deze problematiek belicht. TikTok videos met #mentalhealth hebben meer 43.9 miljard views. Soms zijn die video’s algemeen, soms wordt er stevig advies gegeven of zelfs gediagnosticeerd. De informatie die gegeven wordt is niet altijd feitelijk juist of up-to-date. Bijkomend probleem is dat veel gebruikers en makers slechte ervaringen hebben met mensen die wel formeel deskundig zijn op dit vlak. Zij zijn soms terughoudend om mensen te verwijzen naar professionele hulp.

Niet iedereen slikt alles als zoete koek en gebruikers kunnen goed in staat zijn een onderscheid te maken tussen een influencer en een therapeut. Bovendien hoef je geen AHDH te hebben om baat te hebben bij tips voor ADHD’ers. Maar deze apps worden gedreven door algoritmen die niet het beste voor hebben met het welzijn van gebruikers. Als je interesse toont in een bepaald onderwerp, krijg je meer van zulke content te zien.

“There absolutely is a concerted effort to really capitalize on mental illness and particularly on young women’s mental illness. It’s a very marketable commodity right now” zegt maker Rayne Fisher-Quann, die haar 225.000 regelmatig bijpraat over haar gezondheidsproblemen.

Geestelijke gezondheid is een marketable commodity, een handig handelsgoed voor makers, adverteerders en dus voor platforms. “Young people could see their deepest struggles become fodder for advertisers and self-promoters”, schrijft de krant. Omdat controle of regelgeving ontbreekt, ook voor gediplomeerde hulpverleners, doet iedereen maar wat. Dat kan ook zijn: mensen vertellen wat ze willen horen, of boekjes en cursussen verkopen.

Uiteindelijk ligt het grootste probleem wellicht bij het falen van de reguliere geestelijke gezondheidszorg, waar lange wachtlijsten bestaan en hulp soms moeilijk te krijgen is. Zolang daar gaten zijn, kan je het jonge mensen niet kwalijk nemen dat ze hun heil elders zoeken.

Overzicht: hoe gaat het met de Nederlandse jongere? [Spoiler: niet goed] (Linda Duits)

Deze blogpost verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Het gaat slecht met meisjes, kopten kranten deze week [ADnu.nlNRC]. Ze deden dat naar aanleiding van het verschijnen van het Health Behaviour in School-aged Children (HBSC)-onderzoek van de UU, het Trimbos en het SCP dat woensdag werd gepresenteerd. De onderzoekers rapporteren “een ongekende daling in de mentale gezondheid van meisjes”.

“Onder meisjes op de basisschool en jongens en meisjes in het voortgezet onderwijs is de levenstevredenheid aanzienlijk afgenomen in de laatste vier jaar. Voor deze drie groepen was het gemiddelde cijfer dat zij voor hun leven gaven nog nooit zo laag als in 2021. Voor de meisjes in het voortgezet onderwijs daalde de levenstevredenheid het sterkst: van een 7.3 in 2017 naar een 6.7 in 2021. Meisjes rapporteren een aanzienlijk lagere levenstevredenheid, minder controle over hun leven en vaker een laag emotioneel welbevinden dan jongens” (p. 65).

“Meisjes in het voortgezet onderwijs rapporteren op alle schalen van de SDQ (emotionele problemen, gedragsproblemen, hyperactiviteit/aandachtsproblemen, problemen met leeftijdgenoten en totale problemen) in 2021 fors meer problemen dan in 2017. Ook geven zij aanzienlijk vaker aan meer dan één keer per week psychosomatische klachten te hebben dan vier jaar geleden. De stijgingen in psychosomatische klachten en SDQ mentale problemen in de laatste vier jaar zijn ongekend groot. In geen enkel eerder jaar rapporteerden meisjes in het voortgezet onderwijs zoveel problemen als in 2021. Voor meisjes op de basisschool zien we een vergelijkbaar beeld, al is er geen stijging in problemen met leeftijdgenoten gevonden tussen 2017 en 2021” (p. 65).

Ook voor jongens in het voortgezet onderwijs daalde het welzijn, maar veel sterk dan bij meisjes. Die bevindingen zijn schokkend en verdienen veel aandacht, maar het rapport bevat nog veel meer inzichten. Ik zet steeds opvallende inzichten neer, inzichten die al bekend zijn (zoals dat de waardering voor school daalt met leeftijd of dat meisjes ontevredener zijn over hun gewicht) laat ik achterwege. NB: Jongeren vormen geen homogene groep en in de resultaten zijn er vaak veel (significante) verschillen tussen groepen.

Methode
Het HBSC-onderzoek is een wereldwijd onderzoek dat sinds 1983 wordt uitgevoerd. In Nederland wordt het sinds 2001 elke vier jaar herhaald, zodat onderzoekers inzichten hebben in trends. Het gaat om een getrapte, representatieve steekproef die een betrouwbaar beeld schetst van de gezondheid en het welzijn van schoolgaande, Nederlandse jongeren van 11 tot en met 16 jaar.

De vragenlijsten zijn tussen oktober 2021 tot en februari 2022 afgenomen in groep 8 en op middelbare scholen. Er zijn 5.243 vragenlijsten gebruikt; de weging zorgde onder andere voor representativiteit in termen van gender, schoolniveau en gezinswelvaart.

Relatie met gezinsleden en vrienden

  • Minder dan de helft van de jongeren eet dagelijks gezamenlijk met het gezin;
  • Jongens ervaren meer steun in het gezin en kunnen vaker makkelijk met hun vader en moeder praten dan meisjes;
  • Scholieren uit welvarende gezinnen zeggen meer steun in het gezin en van hun vrienden te ervaren dan leerlingen uit minder welvarende gezinnen;
  • Op de basisschool ervaren jongeren meer steun van vrienden, terwijl middelbare scholieren juist makkelijker met hun beste vriend(in) over kunnen praten;
  • Tussen 2017 en 2021 is er een verslechtering opgetreden in de kwaliteit van het contact met ouders, vooral tussen vaders en dochters.

Schoolbeleving, pesten en discriminatie

  • Leerlingen zijn overwegend positief over school (86% in het basisonderwijs en 72% in het voortgezet);
  • Stress is er dankzij het schooladvies (1 op de 6 in het basisonderwijs), te veel huiswerk (een derde op de middelbare school) en door verwachtingen van ouders en leraren (variërend van 23 tot 30%);
  • Meisjes hebben meer stress dan jongens;
  • Leerlingen hebben het steeds drukker gekregen: het aantal dat druk ervaart is ongeveer drie keer zo hoog als in 2001;
  • Tijdens corona werd er meer gespijbeld dan in voorgaande jaren;
  • Tijdens corona verdubbelde online pesten bijna, zowel voor daders als slachtoffers.
  • Ongeveer 12 tot 14 procent van de leerlingen in het voortgezet onderwijs ervaart discriminatie door leraren vanwege hun herkomst of geslacht, bij herkomst gaat dit vooral om jongens en bij geslacht vooral om meisjes.

Welbevinden en mentale problemen

  • Acht procent van de basisschoolleerlingen en 12 procent van de middelbare schoolleerlingen voelt zich meestal of altijd eenzaam;
  • Jongeren met een migratieachtergrond en jongeren met gezinnen met lage welvaart zijn vaker ontevreden over hun leven, waarover ze minder controle ervaren;
  • Bij deze groepen zien de onderzoekers meer gedragsproblemen en problemen met leeftijdgenoten, maar juist minder hyperactiviteit/aandachtsproblemen.

Gezondheidsgedrag

  • Het percentage leerlingen dat dagelijks ontbijt is in 2021 lager dan in eerdere jaren;
  • Eet- en drinkpatronen zijn moeilijk te onderscheiden tussen groepen: middelbare scholieren met een migratieachtergrond eten vaker fruit, meisjes op de middelbare school snoepen meer, jongens drinken meer frisdrank en ontbijten vaker etc.;
  • Ruim 70 procent van de jongeren is lid van een sport- of dansclub;
  • Tussen 2017 en 2021 is het percentage jongeren dat een dieet volgt niet veranderd, dit is zo’n 1 op 13;
  • Middelbare scholieren met een migratieachtergrond volgen vaker een dieet;
  • Leerlingen die niet met beide ouders in één huis wonen zich vaker te dik dan leerlingen die wel met beide ouders in één huis wonen.

Middelengebruik

  • Over langere termijn is roken sterk afgenomen: in 2001 had ongeveer de helft van de jongeren ooit gerookt, nu is dat 17 procent. Sinds 2013 is het aantal jongeren dat regelmatig rookt stabiel: zo’n tien procent;
  • Sigaretten krijgen jongeren vooral van vrienden: slechts 16 procent koopt ze zelf;
  • Ook voor alcohol geldt dat de daling vooral op langere termijn is (van 84 procent die ooit dronk in 2003 naar 45 procent in 2021), maar sinds 2015 is het gebruik nauwelijks veranderd;
  • Er zijn geen verschillen in alcoholgebruik tussen jongens en meisjes, ook niet in bingedrinken. Jongens drinken wel vaker alcoholvrij;
  • Het gebruik van cannabis (zo’n 10 procent ooit) is stabiel sinds 2015, dat van XTC schommelt tussen de 1 en 2 procent ooit. Het gebruik van lachgas halveerde sinds 2019, naar 1 op de 20 die dit ooit nam.

Seksueel gedrag en seksuele opvattingen

  • Een ruime groep op de basisschool (18%) geeft aan nog niet te weten op welke geslachten ze vallen, in het voorgezet daalt dit naar 8 procent.
  • 75 procent van de jongeren op de basisschool en 83 procent geeft aan te vallen op het andere geslacht;
  • Jongens in het voortgezet onderwijs geven iets vaker aan ooit verliefd te zijn geweest dan meisjes;
  • De dalende trend in het percentage jongeren dat ooit seks heeft gehad zet door: van bijna 20 procent van de jongens in 2001 naar 10 procent nu, bij de meisjes liggen de percentages lager;
  • Het aantal jongeren met een positieve houding ten opzichte van homoseksualiteit is redelijk stabiel sinds 2013: 57 procent van de basisschool en 59 procent in het voortgezet;
  • Jongeren die niet met beide ouders in één huis wonen hebben vaker een positieve houding ten aanzien van homoseksualiteit.

Sociale media en gamen

  • Intensief contact via sociale media nam tussen 2017 en 2021 toe;
  • Problematisch sociale mediagebruik (gebaseerd op kenmerken van verslaving) wordt door 4 procent van de basisschoolleerlingen en 5 procent van de leerlingen in het voortgezet onderwijs gerapporteerd;
  • Problematisch gamen wordt door 3 procent gerapporteerd;
  • Het aantal intensieve gamers steeg sinds 2017, onder meisjes verviervoudigde het zelfs.

Implicaties
Het rapport bevat, net als deze blogpost, ontzettend veel informatie. Wat moeten we met deze inzichten? De onderzoekers zelf bespreken verschillende implicaties. Ze maken zich zorgen om het welzijn van jongeren en stellen dat het essentieel is dit tij te keren. Veel veranderingen zijn toe te schrijven aan de coronacrisis maar, zo stellen de onderzoekers, dat betekent niet dat deze problemen zichzelf oplossen nu die crisis voorbij lijkt. Ze wijzen daarom op het belang van de nieuwe kabinetsaanpak ‘Mentale gezondheid: van ons allemaal’ en het Nationale Preventieakkoord, waarin ook mentale weerbaarheid hoort. Het lerarentekort en de tijdelijke aard van toegezegde budgetten baren de onderzoekers zorgen.

Er is een sterke samenhang tussen druk door schoolwerk en mentale problemen die aangepakt moet worden. Dat kan met interventies bij de leerlingen zelf, zoals mindfulness, maar dat maakt de jongeren verantwoordelijk. De onderzoekers wijzen op druk als maatschappelijk probleem: presteren en excelleren op school wordt steeds meer verwacht. Het aantal hoogopgeleiden creëert een normatief kader. Herwaardering van alle onderwijstypen zou een oplossing kunnen bieden.

Daar zou ik aan toe willen voegen dat het belangrijk is om oog te hebben voor de impact op jongeren van allerlei grote kwesties, zoals klimaatverandering, genderongelijkheid en geopolitieke instabiliteit. We rollen van de ene noodstand in de andere, en jongeren zijn – zo laat dit rapport heel helder zien – extra kwetsbaar voor crises.

We moeten het hebben over Roblox (Remco Pijpers)

Een gastbijdrage van Remco Pijpers:

We moeten het hebben over Roblox. Niet over de eindeloze, creatieve mogelijkheden van dit platform en hoe leuk het daar is voor kinderen. Roblox buit kinderen uit, daar moet het over gaan.

Wereldwijd kent het platform 200 miljoen gebruikers, waaronder zeer veel Nederlandse kinderen. Roblox kun je vergelijken met Minecraft, of met Lego, online. Je kunt er games spelen en games maken, die door Roblox ‘experiences’ worden genoemd. Met deze ‘experiences’ kun je geld verdienen.

En daar wringt de schoen.
* Kinderen worden gestimuleerd creatief te zijn en games te ontwikkelen.
* Ze worden aangemoedigd te ondernemen. Word rijk ‘by having fun’.
* In de praktijk is de kans heel klein dat je iets verdient. Er kunnen honderdduizenden ‘experiences’ worden gespeeld. Wil je dat jouw ‘experience’ opvalt, dan moet je adverteren. En daar betaal je Roblox voor.
* Als je al wat verdient, dan draag je een percentage af, aan Roblox.
* Wat je verdient, wordt uitbetaald in Robux, de munteenheid van Roblox. Wil je dat verzilveren in echt geld, dan kan dat pas als je meer dan duizend dollar hebt verdiend. Wat slechts een zeer beperkt groepje lukt. Als kinderen al een zakcentje vergaren, dan geven ze dat dus weer uit binnen Roblox.
* Mocht het je toch lukken een goede game te ontwikkelen, dan kun je daar niet buiten het platform mee de boer op. Wat binnen Roblox wordt ontwikkeld, blijft binnen Roblox.

Het gevolg is dat een minimaal percentage van alle game ontwikkelaars er echt wijzer van wordt. Alle anderen zijn bezig spelletjes te spelen – van een paar grote developers, die ‘celebrities’ zijn, ondersteund door Roblox. En ze spenderen om meer fun te halen uit de ‘experiences’ van de toppers.

Die enorme meute wordt lekker gemaakt met de belofte dat je, by having fun, rijk kunt worden. Maar ze zijn er vooral om de kas van het bedrijf te spekken.

Dat Roblox er munt uitslaat, en niet zo’n beetje ook, blijkt wel uit de marktwaarde: meer dan 41 miljard dollar op de Amerikaanse beurs. Zeven keer de waarde van gamebedrijf Ubisoft. Hoe meer groei in het aantal Roblox-gebruikers, hoe hoger de waarde op de beurs. Platformkapitalisme ten top.

Platformkapitalisme dat drijft op kinderarbeid. Kinderen als moderne mijnwerkers.

Ik weet dit allemaal dankzij deze documentaire over Roblox: https://lnkd.in/gP57kEYN

In een alweer ver verleden ontdekte ik vergelijkbare praktijken bij Habbo. De jonge versie van mezelf vertelde daar in 2011 over bij Kassa: https://lnkd.in/ghiN4H-G

Dat was toen. Het was uitzonderlijk. Nu is het mainstream en vele malen groter.

Datingapps kunnen minderjarigen niet weren (Linda Duits)

Deze post verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Er is weinig dat minderjarigen weerhoudt zich aan te melden voor een datingapp. Bij het maken van een profiel word je gevraagd naar je leeftijd en daarover liegen is net zo makkelijk als op ‘ja ik ben 18’ klikken. Tieners zitten dan ook massaal op apps als Tinder, Bumble en Grindr. Dat maakt ze kwetsbaar voor misbruik door volwassenen. De apps zelf doen daar weinig aan.

In een artikel op The Atlantic schrijft Moises Mendez over de problematiek en zijn eigen ervaringen als 16-jarige op Grindr (de minimumleeftijd daar is 18). Naar schatting heeft meer dan de helft van de seksueel actieve, minderjarige homo- en bi-jongens in de VS seks gehad met iemand die ze op een datingapp ontmoet hadden.

Het is voor apps lastig om minderjarigen te weren: vragen naar identiteitsbewijzen brengt privacyrisico’s en leeftijdscontrole via creditcard is in de VS niet mogelijk wegens wetgeving. Mendez sprak met medewerkers van de apps die wel zeggen dat ze op andere manieren minderjarigen proberen op te sporen, maar hoe ze dat precies doen blijft vaag:

“A representative for Bumble shared that the company uses “automated and live verification procedures” to block users under 18 and prevent them from rejoining, but apart from saying that the app employs a team of content moderators, the representative did not specify what those procedures were. A spokesperson for Match Group, which owns several dating apps, including Tinder and Hinge, said that the company uses “technology including AI” to search for suspicious language “that indicates a user may be underage,” though the spokesperson did not share how the search process worked or what type of language that might encompass.”

Mendez doet alsof het per definitie erg is dat tieners apps gebruiken om te daten, maar dat is natuurlijk niet zo. Problemen ontstaan als ze daar ten prooi vallen aan volwassenen met slechte intenties. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij die volwassenen, niet zozeer bij de apps.

LHBTQIA+ minderjarigen zijn daarbij extra kwetsbaar omdat het voor hun lastiger is partners van hun eigen leeftijd te vinden, omdat niet iedereen op die leeftijd uit de kast is en vanwege algehele homo- en transfobie in de samenleving. Dat bestrijden moet onderdeel zijn van de oplossing, net als het zorgen voor een veilige omgeving thuis waarin daten bespreekbaar is met ouders.

De Chinese staat ziet het vertalen van Chinese staatsmedia als staatsgevaarlijk (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

De Great Translation Movement is informeel netwerk van anonieme vrijwilligers die Chinese artikelen vertalen naar het Engels. Het gaat dan om nieuwsberichten, comments op sociale media, speeches en duidingen van academici en deskundigen, vooral over de Russische invasie van Oekraïne maar ook over de lockdown van Shanghai. De vertalingen posten ze op westerse platforms, met name op Twitter. Het gaat om artikelen die langs de Chinese censuur zijn gekomen en die China dus goed acht voor haar bevolking. Toch is de staat niet blij met het initiatief, zo stelt een artikel in The Atlantic.

China doet er alles aan om het vrije internet weg te houden van de bevolking met de Great Firewall: verschillende westerse sites zijn niet toegankelijk. Maar China wil ook niet dat buitenstaanders over deze muur naar binnen kijken. Chinese sites zijn technisch toegankelijk vanaf hier, maar toegankelijkheid zit ook in taal. De Great Translation Movement vertaalt daarom, zodat wij kunnen zien welke propaganda China loslaat op haar burgers. Dan wordt duidelijk dat Chinese staatsmedia de schuld leggen bij de VS en de NAVO, terwijl dit niet de officiële positie van China is:

“Many of these narratives are very much at odds with the diplomatically projected neutrality regarding the war that comes from Beijing’s more staid official statements and speeches. After seemingly struggling to explain its position early on, China now largely focuses its narrative—pushed by state-backed outlets, pundits, and officials—on blaming the war on the United States as well as apparent efforts by NATO to encircle Russia. Additionally, translations posted by volunteers show that a belief has emerged that as Ukrainians suffer, American companies and business tycoons profit handsomely off the war at a safe distance. The longer and more drawn-out the conflict, the logic goes, the better for them.

De overheid is daarom niet blij met de Great Translation Movement. Vertalers worden aangevallen, beschuldigd van het voeren van een hetze, en selectief en onjuist vertalen. De beweging wordt vergeleken met een virus dat gestopt moet worden. Het westen zou China opzettelijk niet begrijpen. Dat frame van misrepresentatie dateert al uit de Opiumoorlogen van de negentiende eeuw.

De vrijwilligers van de Great Translation Movement willen het beeld bijstellen dat China aan het buitenland toont:

“The image that the Chinese government tries to cultivate overseas is that of a big, cuddly panda bea

Wat big data ons niet kan leren over daten (Linda Duits)

Deze post verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Seth Stephens-Davidowitz is econoom en schrijver, bekend van het boek Everybody Lies. Daarin kijkt hij naar zoekopdrachten in plaats van naar survey-antwoorden, om te betogen dat mensen eerlijker zijn tegen Google dan tegen onderzoekers. Om zijn nieuwe boek Don’t Trust Your Gut: Using Data to Get What You Really Want in Life te promoten verscheen er een artikel van hem op Wired over dating en data science, met de catchy titel ‘People Are Dating All Wrong, According to Data Science’. Klopt dat?

Datagedreven
Stephens-Davidowitz’s stijl is aanstekelijk en gepersonaliseerd. In plaats van te beschrijven dat ene Samantha Joel 43 bestaande datasets combineerde en daarop een kunstmatige intelligentie losliet, schrijft hij over “a young, energetic, uber-curious, and brilliant scientist, Samantha Joel” die “recruited a large number of scientists”. Dat leidde dan tot een indrukwekkende dataset.

“Joel and her team didn’t just have more data than everybody else in the field. They had better statistical methods. Joel and some of the other researchers had mastered machine learning, a subset of artificial intelligence that allows contemporary scholars to detect subtle patterns in large mounds of data. One might call Joel’s project the AI Marriage, as it was among the first studies to utilize these advanced techniques to try to predict relationship happiness.”

Het is hyperbolisch taalgebruik dat de hype rond big data en data science (alsof niet alle wetenschap datagedreven is) aanwakkert: het idee is dat als je dataset maar groot genoeg is, je alle antwoorden kunt vinden. Dat blijkt niet zomaar zo te zijn, ook niet in het geval de zoektocht naar een romantische partner.

Opzet studie
Het is veelzeggend dat Stephens-Davidowitz nauwelijks iets vertelt over de onderzoeksvragen en de gehanteerde methode. Nu is het alsof de ‘AI Marriage’ magisch analyses uitvoerde, in plaats van door mensen werd gevoed met specifieke data. Uiteraard staat deze informatie wel in het artikel over de studie.

Er werden 43 datasets gecombineerd, met daarin in totaal 11.196 stellen die meermaals ondervraagd zijn, variërend van twee tot elf keer, over een tijdsperiode variërend van twee tot 48 maanden. Deze data zeggen dus sowieso niets over relaties langer dan vier jaar. De onderzoekers wilden weten hoeveel van de variantie in relatiekwaliteit verklaard kan worden en welke psychologische maten het beste zijn in relatiekwaliteit voorspellen. De mate van verklaarde variantie verwijst naar de grootte van de voorspellende waarde van een variabele.

Resultaten volgens Stephens-Davidowitz
In zijn boek en op Wired schrijft Stephens-Davidowitz dat big data ons niet kan helpen bij het vinden van een romantische partner. Volgens hem is er geen set van eigenschappen die geluk in de liefde garandeert en geen AI die kan voorspellen welke twee mensen met elkaar geluk gaan vinden. De factoren die wél voorspellende kracht hebben gaan over de respondent zelf, dus degene die de vragenlijst ingevuld had. Als iemand tevreden over zijn leven was voor de relatie begon, vrolijk ingesteld en niet depressief was, dan was de kans groter op een succesvolle relatie.

In de rest van het stuk reflecteert Stephens-Davidowitz op wat het betekent dat de resultaten van zo’n omvattend onderzoek exact hetzelfde is als de common sense-wijsheid “Nobody can make you happy until you’re happy with yourself first”. Hij blijft – uiteraard – enthousiast over een ‘data driven life’ en legt zich er maar bij neer:

“we data geeks must also accept [sic] when the data confirms conventional wisdom or clichéd advice. We must be willing to go wherever the data takes us, even if that is to findings like those featured on Daily Inspirational Quotes.”

Zijn uiteindelijke conclusie is dat we het verkeerde najagen op de datemarkt: lange mannen met sexy banen gaan ons niet gelukkig maken. Goh.

Resultaten volgens de studie
Het is belangrijk op te merken dat het onderzoek nooit ging over lange mannen met sexy banen. Lengte van de partner komt in het gehele onderzoek niet voor, de enige variabele die over uiterlijk ging was de mate waarin iemand de partner aantrekkelijk vond. In plaats daarvan staat in het onderzoek een onderscheid centraal tussen individuele variabelen (over de respondent zelf) en relatie-specifieke variabelen (over de partner en over de relatie), en gaat de conclusie over het verschil daartussen. Ook daarover rapporteert Stephens-Davidowitz verkeerd.

Relatie-variabelen, dus de manier waarop een respondent naar de relatie en de partner kijkt, verklaren 45 procent van de variantie aan het begin van het onderzoek en tot 18 procent van de variantie in relatiekwaliteit aan het einde van de studie. Individuele variabelen verklaren minder variantie, maar nog steeds 21 procent aan het begin en 12 aan het eind. Deze uitkomst sluit aan bij bestaande meta-analyses, oftewel: dit wisten we al.

Implicaties
Er is dus een grote mismatch tussen wat Stephens-Davidowitz beweert op basis van dit onderzoek en het onderzoek zelf. Het klinkt natuurlijk leuk: de belofte dat we beter zouden kunnen daten als we meer datagedreven zouden zijn. ‘Big data’ suggereert dat we voorbij menselijke fouten kunnen gaan – de computer weet het beter. Maar al aan het begin gaan hier dingen mis.

Wat zou goed daten inhouden? Dat we direct een partner voor het leven vinden? Dat zou betekenen dat mensen niet daten voor de seks en het impliceert dat een levenslange partner ideaaltypisch is boven bijvoorbeeld meerdere langdurige partners.

Een tweede fout is het idee dat partnerkeuze en/of relatiesucces überhaupt te verklaren is met kenbare variabelen. Mensen vinden het heel moeilijk te omschrijven waarom ze op iemand vallen, het meest in de buurt komt vaak ‘die persoon is fijn om bij te zijn’. Als onafhankelijke (voorspellende) variabele heb je daar niets aan als onderzoek want de samenhang met de afhankelijke variabele is veel te groot. De beste voorspeller voor geluk in de liefde is dan of je graag bij iemand bent. Daar verkoop je geen boeken mee.

Het werk van de YouTuber: slaaf van grillen van de aandachtsspanne van anderen (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Het leven van een influencer gaat niet over rozen. Voor buitenstaanders is de arbeid die je verricht grotendeels onzichtbaar (zie wat ik daarover schreef met Cesar Majorana), tegelijkertijd werk je voor die buitenstaander – in de zin dat je probeert zijn views en likes te scoren. Onder influencers komen dan ook veel burnouts voor. Het is werk waar je niet makkelijk uitstapt: je hebt een schare volgers opgebouwd, daar verdien je geld mee en het is moeilijk die ‘deal’ te laten schieten en je om te scholen.

Op Vox schreef Rebecca Jennings over wat zij onhandig het YouTube-brein noemt: wat er gebeurt met je hersenen

“when you are both creatively and financially subject to the whims of other people’s attention spans for years at a time, weighed down by neverending demand for more content for dwindling returns.”

Onhandig, omdat het dus gaat om de hersenen van de contentmaker, niet van de gebruiker. Ter vergelijking, het twitterbrein ziet ze als mensen die op Twitter voortdurend boos zijn, het instagrambrein als te materialistisch en het tiktokbrein als onvoorwaardelijk trend-toegewijd. Maar Jennings signaleert wel iets relevants over het carrièrepad van vloggers.

Zij beginnen vaak jong en als ze succesvol blijken, zijn ze YouTuber for life. Jennings schrijft dat niet toe aan het systeem, maar aan de persoonlijkheden van de YouTubers die het maken. Ze noemt ze “fervently individualistic”, “a little bitter” en “keenly, almost freakishly attuned to the in-depth analytics YouTube provides for them”. Daaruit spreekt weinig empathie, en daarmee laat ze YouTube veel te makkelijk ontsnappen aan systeemkritiek. Het is immers YouTube dat, zoals Jennings zelf schrijft, de vlogger overstelpt met feedback over welke content het goed doet en welke niet.

Het lot van de YouTuber doet denken aan dat van kindsterretjes, zoals Miley Cyrus: op een gegeven moment past het pad en het imago niet meer, en dan moeten ze vrij breken. Dat gaat in de meeste gevallen niet goed. Het verschil is dat de oude kindsterren waren overgeleverd aan de wensen en financiële belangen van ouders, studio’s of platenmaatschappijen, de online generatie is slaaf aan de grillen van het algoritme. Tel daarbij op dat het online nog moeilijker is persoon en persona uit elkaar te houden, dus wie je echt bent en de persona die je neerzet in je vlogs, en je ziet dat deze mensen eerder hulp en sympathie verdienen dan kritiek en hoon.

Beeld: vlogger Dan Howell die na drie jaar radiostilte in een recent vlog uitlegt waarom hij met YouTube wilde stoppen. 

De ondoorgrondelijke wegen waarop YouTube seksualiteit censureert (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Een van de kwalijke aspecten van de grote platformen is dat ze niet transparant zijn over hun werkwijze, bijvoorbeeld als het gaat om het censureren van bepaalde soorten content. Het zijn Amerikaanse bedrijven en Amerikanen zijn seksueel conservatiever dan wij. Dat betekent dat wij hun seksuele moraal ongewenst opgelegd krijgen. Daar hebben Nederlandse makers last van.

Digitale burgerrechten-beweging Bits of Freedom interviewde zangeres Merol, bekend van onder andere ‘Hou Je Bek En Bef Me’ over haar ervaringen met YouTube. Het nummer kreeg om onduidelijke redenen een leeftijdsbeperking: in de clip zijn geen expliciete beelden te zien en hetzelfde nummer in live-uitvoering is gewoon voor iedereen zichtbaar. Uit haar relaas wordt duidelijk hoe ondoorgrondelijk de wegen van YouTube zijn:

“Het is dus niet zo dat er een soort klantenservice is bij YouTube. Voor “Hou Je Bek En Bef Me” ben ik na rondvragen in contact gekomen met iemand die bij YouTube werkt. Die persoon legde uit dat het door adverteerders kwam, die met dat nummer niet geassocieerd zouden willen worden. Je krijgt over zo’n leeftijdsrestrictie wel een mailtje, waaronder met de uitleg hoe je bezwaar kunt maken. Dat heb ik gedaan en toen is het age filter eraf gehaald, maar later is het er toch weer opgedaan.”

Videos krijgen een flag die er dus weer af kan, maar ook er zomaar weer op gezet kan worden. Er zijn geen duidelijke regels over welke content wel en niet mag. Merol vermoedt dat vrouwen en lhbtqia+ mensen aan strengere regels worden gehouden:

“Er zijn clips van mannelijke artiesten met veel bloot die qua tekst soms verder gaan dan ik. Die krijgen geen leeftijdsrestrictie. Dat is natuurlijk wel vreemd. Gelden er andere regels voor mannen? Adje, bijvoorbeeld, wordt in één van zijn clips gepijpt – maar dat heeft dan weer geen consequenties. De queer rapgroep LIONSTORM, daarentegen, kreeg er wél meteen last van toen er in één van hun clips gebeft werd.”

Omdat je als artiest voor je bereik en dus je inkomen afhankelijk bent van platformen als YouTube, leidt zulke censuur onherroepelijk tot zelfcensuur: volgende keer pas je wel op met een tepel of een bil. Daarmee verliest de kunst – en daar zou meer bezwaar tegen gemaakt moeten worden.

Beeld: het ‘bef’-moment uit de clip van ‘Hou Je Bek En Bef Me’. 

Deze AI maakt beelden op basis van woorden (en helpt Judgment Day voorkomen) (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl:

In 1984 was mijn basisschool een van de eerste basisscholen in Nederland waar computeronderwijs werd gegeven. Ik herinner me dat we commando’s moesten ingeven waarna de cursor figuren kon tekenen: een 360-graden cirkel bijvoorbeeld. Ik was totaal onder de indruk, van de computer en van mezelf.

Nu, 38 jaar later, kan je computers de opdracht geven beelden te produceren op basis van een paar woorden, zoals ‘A bowl of soup that looks like a monster, knitted out of wool’. Een voorbeeld daarvan is DALL·E 2, een kunstmatige intelligentie die zowel fotorealistische beelden als pentekeningen kan maken. Ook kan DALL-E 2 variëren op bestaande beelden. De hogeresolutiebeelden zijn heel indrukwekkend.

De techniek is volgens de makers handig om mensen creatief mee los te laten gaan, maar laat ons ook zien hoe AI onze wereld ziet – en dat is belangrijk als we veilige kunstmatige intelligenties willen maken (die niet zullen leiden tot Judgment Day).

Hoe het werkt, uitgelegd op Technology Review:

“First, it uses OpenAI’s language-model CLIP, which can pair written descriptions with images, to translate the text prompt into an intermediate form that captures the key characteristics that an image should have to match that prompt (according to CLIP). Second, DALL-E 2 runs a type of neural network known as a diffusion model to generate an image that satisfies CLIP.”

Er zitten nog beperkingen aan. Zo vindt het programma het lastig om twee objecten met twee kenmerken te combineren, zoals een rode kubus bovenop een blauwe kubus. Er zitten ook beperkingen aan op basis van beleid, wat een vorm van censuur is: geen ‘offensive images’, dat wil zeggen geen geweld en geen porno, en geen politieke beelden, waarbij politiek ongespecificeerd blijft. Om deepfakes te voorkomen mag DALL-E ook geen beelden van echte mensen maken.

Tieners vinden geweld niet echt, grappig en onderdeel van opgroeien (Linda Duits)

Deze post verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Geweld is gangbaar onder kinderen en jongeren: op scholen wordt er gepest en thuis vechten broers en zussen. Kinderen en jongeren geven dat geweld een plekje: ze praten en denken erover, en contextualiseren het. Recent onderzoek met Zweedse tieners [abstract] laat zien dat daarbij een tijdscomponent (vroeger of doorgaand) en een plaatscomponent (veraf/afwezig of dichtbij/aanwezig) een rol spelen. De tieners zagen veel gewelddadige situaties inderdaad als gewelddadig, maar vertoonden ook een ambivalente houding ten aanzien van geweld.

De onderzoekers verzamelden data op zes scholen die deelnamen aan een geweldspreventieprogramma, Mentors in Violence Prevention. Het materiaal bestond uit video-opnames van de lessen, observaties tijdens de lessen en – met name – groepsinterviews met leerlingen en docenten. De onderzochte scholen boden beroepsopleidingen aan, de leerlingen waren tussen de 13 en 19 jaar oud.

Geweld is overal maar dat geweld is niet echt
Aan de ene kant werd geweld gezien als iets dat overal is en vaak voorkomt: jongens die in de klas met stoelen gooien of een jongen die een met een vleesmes andere leerlingen bedreigt. Aan de andere kant wisten de leerlingen niet of dit wel telde als echt geweld. Als mensen op school vechten is dat vaak voor de lol, je ziet ze lachen. Fysiek geweld is iets dat deze leerlingen associëren met vroeger, nu gebeurt het – zo stellen ze – meer online.

De school was volgens de leerlingen geen plek waar echt geweld kan plaatsvinden. De architectuur is zo dat er geen grote ruimtes zijn waar je uit het zicht bent. Dat wijst erop dat de leerlingen geweld begrepen als iets dat alleen gebeurt op verborgen plekken of op plekken zonder volwassen toezicht, zoals op feestjes of op straat. Daarbij werd een onderscheid gemaakt in het type geweld: voor de meisjes zijn feestjes gevaarlijke plekken omdat seksueel geweld daar vaak gebeurt. Ook online was het voor meisjes gevaarlijker, omdat seksuele intimidatie, slutshaming en geseksualiseerde haat volgens hen vooral daar plaatsvond. De meisjes noemden meer onveilige locaties dan de jongens.

Vrienden vechten niet
Een ander thema dat naar voren kwam is de relatie tussen geweld en sociale relaties. Als je vrienden bent met iemand, beschermt dat je tegen geweld vanuit die persoon. Populair zijn en veel vrienden hebben beschermt nog weer verder. Populaire mensen kunnen bovendien tussenbeide komen in gewelddadige situaties.

Jongens vermeden slachtofferschap door geweld weg te lachen als spelen en stoeien. Pestsituaties werden dan gezien als “messing around”, als onbedoeld ongelukje, als deels gerechtvaardigd en onvermijdelijk. Zulke play fights kwamen volgens de tieners vooral voor onder kinderachtige jongens en werden gezien als onderdeel van opgroeien voor jongens:

“Play fights are framed as being a natural part of boys’ growing up but should ideally evolve into a more mature form of socialising.”
Het is dus volgens de respondenten de bedoeling dat jongens ook weer uit dit gedrag groeien. Ook online seksueel pesten zagen de meiden als een teken van onvolwassenheid:
“I would say that on this Instagram account they are young boys. I don’t think a grown man would do something like this. It’s more like the bad behaviour of young boys. Still, it makes me feel unsafe at school. I feel like, what if someone posts something …”
Er waren ook meisjes die dit frame van onvolwassenheid afwezen en ingingen tegen het ‘boys will be boys’-idee.

Genormaliseerd
De auteurs concluderen dat jongeren ‘discursieve manoeuvres’ uitvoeren: op behendige wijze zo draaien met taal dat geweld geen onderdeel is van hun levens.

“The interviewees more often perceived violence as ‘real’ if they viewed it from a distance in space and time; ‘realness’ also depended on the degree of intimacy in their social relations. ‘Real’ violence, they suggested, occurred at parties or online, a long time ago when the perpetrators were more immature, or was committed by other unknown young people outside school. This discourse co-constitutes violence and space, making violence both hidden and noticed, located and locatable in specific places, relationships, bodies and situations.”

Met die talige onderhandeling normaliseren de jongeren geweld in hun alledaagse levens. Als het niet echt is, grappig en een onvermijdelijk onderdeel van opgroeien dan is het geen probleem. ‘Echt’ geweld is dat wel. De onderhandeling doet mij denken aan het begrip van racisme: voor sommige witte mensen is dat iets dat vroeger gebeurde, of dat vooral een Amerikaans probleem is. Zo sluit je gemakkelijk de ogen voor wat er nu gebeurt in Nederland (of België of Zweden) en hoeft er dus niets te veranderen.

Het is ook een manier om eigen gedrag recht te praten. In mijn promotieonderzoek zag ik hoe meisjes de definitie van pesten onderhandelden ter rechtvaardiging van hun gedrag: als iemand het verdient (omdat ze bijvoorbeeld een klikspaan is), is het geen pesten. Opvoeders die pesten willen bestrijden – of geweld willen tegengaan – zullen dus moeten doorvragen bij leerlingen en het pesten/het geweld contextualiseren, zoals de auteurs schrijven: “not as isolated events but instead as something that is enmeshed in spatial and temporal processes that individuals make sense of from a situated and age-determined perspective”.