Datingapps kunnen minderjarigen niet weren (Linda Duits)

Deze post verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Er is weinig dat minderjarigen weerhoudt zich aan te melden voor een datingapp. Bij het maken van een profiel word je gevraagd naar je leeftijd en daarover liegen is net zo makkelijk als op ‘ja ik ben 18’ klikken. Tieners zitten dan ook massaal op apps als Tinder, Bumble en Grindr. Dat maakt ze kwetsbaar voor misbruik door volwassenen. De apps zelf doen daar weinig aan.

In een artikel op The Atlantic schrijft Moises Mendez over de problematiek en zijn eigen ervaringen als 16-jarige op Grindr (de minimumleeftijd daar is 18). Naar schatting heeft meer dan de helft van de seksueel actieve, minderjarige homo- en bi-jongens in de VS seks gehad met iemand die ze op een datingapp ontmoet hadden.

Het is voor apps lastig om minderjarigen te weren: vragen naar identiteitsbewijzen brengt privacyrisico’s en leeftijdscontrole via creditcard is in de VS niet mogelijk wegens wetgeving. Mendez sprak met medewerkers van de apps die wel zeggen dat ze op andere manieren minderjarigen proberen op te sporen, maar hoe ze dat precies doen blijft vaag:

“A representative for Bumble shared that the company uses “automated and live verification procedures” to block users under 18 and prevent them from rejoining, but apart from saying that the app employs a team of content moderators, the representative did not specify what those procedures were. A spokesperson for Match Group, which owns several dating apps, including Tinder and Hinge, said that the company uses “technology including AI” to search for suspicious language “that indicates a user may be underage,” though the spokesperson did not share how the search process worked or what type of language that might encompass.”

Mendez doet alsof het per definitie erg is dat tieners apps gebruiken om te daten, maar dat is natuurlijk niet zo. Problemen ontstaan als ze daar ten prooi vallen aan volwassenen met slechte intenties. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij die volwassenen, niet zozeer bij de apps.

LHBTQIA+ minderjarigen zijn daarbij extra kwetsbaar omdat het voor hun lastiger is partners van hun eigen leeftijd te vinden, omdat niet iedereen op die leeftijd uit de kast is en vanwege algehele homo- en transfobie in de samenleving. Dat bestrijden moet onderdeel zijn van de oplossing, net als het zorgen voor een veilige omgeving thuis waarin daten bespreekbaar is met ouders.

De Chinese staat ziet het vertalen van Chinese staatsmedia als staatsgevaarlijk (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

De Great Translation Movement is informeel netwerk van anonieme vrijwilligers die Chinese artikelen vertalen naar het Engels. Het gaat dan om nieuwsberichten, comments op sociale media, speeches en duidingen van academici en deskundigen, vooral over de Russische invasie van Oekraïne maar ook over de lockdown van Shanghai. De vertalingen posten ze op westerse platforms, met name op Twitter. Het gaat om artikelen die langs de Chinese censuur zijn gekomen en die China dus goed acht voor haar bevolking. Toch is de staat niet blij met het initiatief, zo stelt een artikel in The Atlantic.

China doet er alles aan om het vrije internet weg te houden van de bevolking met de Great Firewall: verschillende westerse sites zijn niet toegankelijk. Maar China wil ook niet dat buitenstaanders over deze muur naar binnen kijken. Chinese sites zijn technisch toegankelijk vanaf hier, maar toegankelijkheid zit ook in taal. De Great Translation Movement vertaalt daarom, zodat wij kunnen zien welke propaganda China loslaat op haar burgers. Dan wordt duidelijk dat Chinese staatsmedia de schuld leggen bij de VS en de NAVO, terwijl dit niet de officiële positie van China is:

“Many of these narratives are very much at odds with the diplomatically projected neutrality regarding the war that comes from Beijing’s more staid official statements and speeches. After seemingly struggling to explain its position early on, China now largely focuses its narrative—pushed by state-backed outlets, pundits, and officials—on blaming the war on the United States as well as apparent efforts by NATO to encircle Russia. Additionally, translations posted by volunteers show that a belief has emerged that as Ukrainians suffer, American companies and business tycoons profit handsomely off the war at a safe distance. The longer and more drawn-out the conflict, the logic goes, the better for them.

De overheid is daarom niet blij met de Great Translation Movement. Vertalers worden aangevallen, beschuldigd van het voeren van een hetze, en selectief en onjuist vertalen. De beweging wordt vergeleken met een virus dat gestopt moet worden. Het westen zou China opzettelijk niet begrijpen. Dat frame van misrepresentatie dateert al uit de Opiumoorlogen van de negentiende eeuw.

De vrijwilligers van de Great Translation Movement willen het beeld bijstellen dat China aan het buitenland toont:

“The image that the Chinese government tries to cultivate overseas is that of a big, cuddly panda bea

Wat big data ons niet kan leren over daten (Linda Duits)

Deze post verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Seth Stephens-Davidowitz is econoom en schrijver, bekend van het boek Everybody Lies. Daarin kijkt hij naar zoekopdrachten in plaats van naar survey-antwoorden, om te betogen dat mensen eerlijker zijn tegen Google dan tegen onderzoekers. Om zijn nieuwe boek Don’t Trust Your Gut: Using Data to Get What You Really Want in Life te promoten verscheen er een artikel van hem op Wired over dating en data science, met de catchy titel ‘People Are Dating All Wrong, According to Data Science’. Klopt dat?

Datagedreven
Stephens-Davidowitz’s stijl is aanstekelijk en gepersonaliseerd. In plaats van te beschrijven dat ene Samantha Joel 43 bestaande datasets combineerde en daarop een kunstmatige intelligentie losliet, schrijft hij over “a young, energetic, uber-curious, and brilliant scientist, Samantha Joel” die “recruited a large number of scientists”. Dat leidde dan tot een indrukwekkende dataset.

“Joel and her team didn’t just have more data than everybody else in the field. They had better statistical methods. Joel and some of the other researchers had mastered machine learning, a subset of artificial intelligence that allows contemporary scholars to detect subtle patterns in large mounds of data. One might call Joel’s project the AI Marriage, as it was among the first studies to utilize these advanced techniques to try to predict relationship happiness.”

Het is hyperbolisch taalgebruik dat de hype rond big data en data science (alsof niet alle wetenschap datagedreven is) aanwakkert: het idee is dat als je dataset maar groot genoeg is, je alle antwoorden kunt vinden. Dat blijkt niet zomaar zo te zijn, ook niet in het geval de zoektocht naar een romantische partner.

Opzet studie
Het is veelzeggend dat Stephens-Davidowitz nauwelijks iets vertelt over de onderzoeksvragen en de gehanteerde methode. Nu is het alsof de ‘AI Marriage’ magisch analyses uitvoerde, in plaats van door mensen werd gevoed met specifieke data. Uiteraard staat deze informatie wel in het artikel over de studie.

Er werden 43 datasets gecombineerd, met daarin in totaal 11.196 stellen die meermaals ondervraagd zijn, variërend van twee tot elf keer, over een tijdsperiode variërend van twee tot 48 maanden. Deze data zeggen dus sowieso niets over relaties langer dan vier jaar. De onderzoekers wilden weten hoeveel van de variantie in relatiekwaliteit verklaard kan worden en welke psychologische maten het beste zijn in relatiekwaliteit voorspellen. De mate van verklaarde variantie verwijst naar de grootte van de voorspellende waarde van een variabele.

Resultaten volgens Stephens-Davidowitz
In zijn boek en op Wired schrijft Stephens-Davidowitz dat big data ons niet kan helpen bij het vinden van een romantische partner. Volgens hem is er geen set van eigenschappen die geluk in de liefde garandeert en geen AI die kan voorspellen welke twee mensen met elkaar geluk gaan vinden. De factoren die wél voorspellende kracht hebben gaan over de respondent zelf, dus degene die de vragenlijst ingevuld had. Als iemand tevreden over zijn leven was voor de relatie begon, vrolijk ingesteld en niet depressief was, dan was de kans groter op een succesvolle relatie.

In de rest van het stuk reflecteert Stephens-Davidowitz op wat het betekent dat de resultaten van zo’n omvattend onderzoek exact hetzelfde is als de common sense-wijsheid “Nobody can make you happy until you’re happy with yourself first”. Hij blijft – uiteraard – enthousiast over een ‘data driven life’ en legt zich er maar bij neer:

“we data geeks must also accept [sic] when the data confirms conventional wisdom or clichéd advice. We must be willing to go wherever the data takes us, even if that is to findings like those featured on Daily Inspirational Quotes.”

Zijn uiteindelijke conclusie is dat we het verkeerde najagen op de datemarkt: lange mannen met sexy banen gaan ons niet gelukkig maken. Goh.

Resultaten volgens de studie
Het is belangrijk op te merken dat het onderzoek nooit ging over lange mannen met sexy banen. Lengte van de partner komt in het gehele onderzoek niet voor, de enige variabele die over uiterlijk ging was de mate waarin iemand de partner aantrekkelijk vond. In plaats daarvan staat in het onderzoek een onderscheid centraal tussen individuele variabelen (over de respondent zelf) en relatie-specifieke variabelen (over de partner en over de relatie), en gaat de conclusie over het verschil daartussen. Ook daarover rapporteert Stephens-Davidowitz verkeerd.

Relatie-variabelen, dus de manier waarop een respondent naar de relatie en de partner kijkt, verklaren 45 procent van de variantie aan het begin van het onderzoek en tot 18 procent van de variantie in relatiekwaliteit aan het einde van de studie. Individuele variabelen verklaren minder variantie, maar nog steeds 21 procent aan het begin en 12 aan het eind. Deze uitkomst sluit aan bij bestaande meta-analyses, oftewel: dit wisten we al.

Implicaties
Er is dus een grote mismatch tussen wat Stephens-Davidowitz beweert op basis van dit onderzoek en het onderzoek zelf. Het klinkt natuurlijk leuk: de belofte dat we beter zouden kunnen daten als we meer datagedreven zouden zijn. ‘Big data’ suggereert dat we voorbij menselijke fouten kunnen gaan – de computer weet het beter. Maar al aan het begin gaan hier dingen mis.

Wat zou goed daten inhouden? Dat we direct een partner voor het leven vinden? Dat zou betekenen dat mensen niet daten voor de seks en het impliceert dat een levenslange partner ideaaltypisch is boven bijvoorbeeld meerdere langdurige partners.

Een tweede fout is het idee dat partnerkeuze en/of relatiesucces überhaupt te verklaren is met kenbare variabelen. Mensen vinden het heel moeilijk te omschrijven waarom ze op iemand vallen, het meest in de buurt komt vaak ‘die persoon is fijn om bij te zijn’. Als onafhankelijke (voorspellende) variabele heb je daar niets aan als onderzoek want de samenhang met de afhankelijke variabele is veel te groot. De beste voorspeller voor geluk in de liefde is dan of je graag bij iemand bent. Daar verkoop je geen boeken mee.

Het werk van de YouTuber: slaaf van grillen van de aandachtsspanne van anderen (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Het leven van een influencer gaat niet over rozen. Voor buitenstaanders is de arbeid die je verricht grotendeels onzichtbaar (zie wat ik daarover schreef met Cesar Majorana), tegelijkertijd werk je voor die buitenstaander – in de zin dat je probeert zijn views en likes te scoren. Onder influencers komen dan ook veel burnouts voor. Het is werk waar je niet makkelijk uitstapt: je hebt een schare volgers opgebouwd, daar verdien je geld mee en het is moeilijk die ‘deal’ te laten schieten en je om te scholen.

Op Vox schreef Rebecca Jennings over wat zij onhandig het YouTube-brein noemt: wat er gebeurt met je hersenen

“when you are both creatively and financially subject to the whims of other people’s attention spans for years at a time, weighed down by neverending demand for more content for dwindling returns.”

Onhandig, omdat het dus gaat om de hersenen van de contentmaker, niet van de gebruiker. Ter vergelijking, het twitterbrein ziet ze als mensen die op Twitter voortdurend boos zijn, het instagrambrein als te materialistisch en het tiktokbrein als onvoorwaardelijk trend-toegewijd. Maar Jennings signaleert wel iets relevants over het carrièrepad van vloggers.

Zij beginnen vaak jong en als ze succesvol blijken, zijn ze YouTuber for life. Jennings schrijft dat niet toe aan het systeem, maar aan de persoonlijkheden van de YouTubers die het maken. Ze noemt ze “fervently individualistic”, “a little bitter” en “keenly, almost freakishly attuned to the in-depth analytics YouTube provides for them”. Daaruit spreekt weinig empathie, en daarmee laat ze YouTube veel te makkelijk ontsnappen aan systeemkritiek. Het is immers YouTube dat, zoals Jennings zelf schrijft, de vlogger overstelpt met feedback over welke content het goed doet en welke niet.

Het lot van de YouTuber doet denken aan dat van kindsterretjes, zoals Miley Cyrus: op een gegeven moment past het pad en het imago niet meer, en dan moeten ze vrij breken. Dat gaat in de meeste gevallen niet goed. Het verschil is dat de oude kindsterren waren overgeleverd aan de wensen en financiële belangen van ouders, studio’s of platenmaatschappijen, de online generatie is slaaf aan de grillen van het algoritme. Tel daarbij op dat het online nog moeilijker is persoon en persona uit elkaar te houden, dus wie je echt bent en de persona die je neerzet in je vlogs, en je ziet dat deze mensen eerder hulp en sympathie verdienen dan kritiek en hoon.

Beeld: vlogger Dan Howell die na drie jaar radiostilte in een recent vlog uitlegt waarom hij met YouTube wilde stoppen. 

De ondoorgrondelijke wegen waarop YouTube seksualiteit censureert (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Een van de kwalijke aspecten van de grote platformen is dat ze niet transparant zijn over hun werkwijze, bijvoorbeeld als het gaat om het censureren van bepaalde soorten content. Het zijn Amerikaanse bedrijven en Amerikanen zijn seksueel conservatiever dan wij. Dat betekent dat wij hun seksuele moraal ongewenst opgelegd krijgen. Daar hebben Nederlandse makers last van.

Digitale burgerrechten-beweging Bits of Freedom interviewde zangeres Merol, bekend van onder andere ‘Hou Je Bek En Bef Me’ over haar ervaringen met YouTube. Het nummer kreeg om onduidelijke redenen een leeftijdsbeperking: in de clip zijn geen expliciete beelden te zien en hetzelfde nummer in live-uitvoering is gewoon voor iedereen zichtbaar. Uit haar relaas wordt duidelijk hoe ondoorgrondelijk de wegen van YouTube zijn:

“Het is dus niet zo dat er een soort klantenservice is bij YouTube. Voor “Hou Je Bek En Bef Me” ben ik na rondvragen in contact gekomen met iemand die bij YouTube werkt. Die persoon legde uit dat het door adverteerders kwam, die met dat nummer niet geassocieerd zouden willen worden. Je krijgt over zo’n leeftijdsrestrictie wel een mailtje, waaronder met de uitleg hoe je bezwaar kunt maken. Dat heb ik gedaan en toen is het age filter eraf gehaald, maar later is het er toch weer opgedaan.”

Videos krijgen een flag die er dus weer af kan, maar ook er zomaar weer op gezet kan worden. Er zijn geen duidelijke regels over welke content wel en niet mag. Merol vermoedt dat vrouwen en lhbtqia+ mensen aan strengere regels worden gehouden:

“Er zijn clips van mannelijke artiesten met veel bloot die qua tekst soms verder gaan dan ik. Die krijgen geen leeftijdsrestrictie. Dat is natuurlijk wel vreemd. Gelden er andere regels voor mannen? Adje, bijvoorbeeld, wordt in één van zijn clips gepijpt – maar dat heeft dan weer geen consequenties. De queer rapgroep LIONSTORM, daarentegen, kreeg er wél meteen last van toen er in één van hun clips gebeft werd.”

Omdat je als artiest voor je bereik en dus je inkomen afhankelijk bent van platformen als YouTube, leidt zulke censuur onherroepelijk tot zelfcensuur: volgende keer pas je wel op met een tepel of een bil. Daarmee verliest de kunst – en daar zou meer bezwaar tegen gemaakt moeten worden.

Beeld: het ‘bef’-moment uit de clip van ‘Hou Je Bek En Bef Me’. 

Deze AI maakt beelden op basis van woorden (en helpt Judgment Day voorkomen) (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl:

In 1984 was mijn basisschool een van de eerste basisscholen in Nederland waar computeronderwijs werd gegeven. Ik herinner me dat we commando’s moesten ingeven waarna de cursor figuren kon tekenen: een 360-graden cirkel bijvoorbeeld. Ik was totaal onder de indruk, van de computer en van mezelf.

Nu, 38 jaar later, kan je computers de opdracht geven beelden te produceren op basis van een paar woorden, zoals ‘A bowl of soup that looks like a monster, knitted out of wool’. Een voorbeeld daarvan is DALL·E 2, een kunstmatige intelligentie die zowel fotorealistische beelden als pentekeningen kan maken. Ook kan DALL-E 2 variëren op bestaande beelden. De hogeresolutiebeelden zijn heel indrukwekkend.

De techniek is volgens de makers handig om mensen creatief mee los te laten gaan, maar laat ons ook zien hoe AI onze wereld ziet – en dat is belangrijk als we veilige kunstmatige intelligenties willen maken (die niet zullen leiden tot Judgment Day).

Hoe het werkt, uitgelegd op Technology Review:

“First, it uses OpenAI’s language-model CLIP, which can pair written descriptions with images, to translate the text prompt into an intermediate form that captures the key characteristics that an image should have to match that prompt (according to CLIP). Second, DALL-E 2 runs a type of neural network known as a diffusion model to generate an image that satisfies CLIP.”

Er zitten nog beperkingen aan. Zo vindt het programma het lastig om twee objecten met twee kenmerken te combineren, zoals een rode kubus bovenop een blauwe kubus. Er zitten ook beperkingen aan op basis van beleid, wat een vorm van censuur is: geen ‘offensive images’, dat wil zeggen geen geweld en geen porno, en geen politieke beelden, waarbij politiek ongespecificeerd blijft. Om deepfakes te voorkomen mag DALL-E ook geen beelden van echte mensen maken.

Tieners vinden geweld niet echt, grappig en onderdeel van opgroeien (Linda Duits)

Deze post verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Geweld is gangbaar onder kinderen en jongeren: op scholen wordt er gepest en thuis vechten broers en zussen. Kinderen en jongeren geven dat geweld een plekje: ze praten en denken erover, en contextualiseren het. Recent onderzoek met Zweedse tieners [abstract] laat zien dat daarbij een tijdscomponent (vroeger of doorgaand) en een plaatscomponent (veraf/afwezig of dichtbij/aanwezig) een rol spelen. De tieners zagen veel gewelddadige situaties inderdaad als gewelddadig, maar vertoonden ook een ambivalente houding ten aanzien van geweld.

De onderzoekers verzamelden data op zes scholen die deelnamen aan een geweldspreventieprogramma, Mentors in Violence Prevention. Het materiaal bestond uit video-opnames van de lessen, observaties tijdens de lessen en – met name – groepsinterviews met leerlingen en docenten. De onderzochte scholen boden beroepsopleidingen aan, de leerlingen waren tussen de 13 en 19 jaar oud.

Geweld is overal maar dat geweld is niet echt
Aan de ene kant werd geweld gezien als iets dat overal is en vaak voorkomt: jongens die in de klas met stoelen gooien of een jongen die een met een vleesmes andere leerlingen bedreigt. Aan de andere kant wisten de leerlingen niet of dit wel telde als echt geweld. Als mensen op school vechten is dat vaak voor de lol, je ziet ze lachen. Fysiek geweld is iets dat deze leerlingen associëren met vroeger, nu gebeurt het – zo stellen ze – meer online.

De school was volgens de leerlingen geen plek waar echt geweld kan plaatsvinden. De architectuur is zo dat er geen grote ruimtes zijn waar je uit het zicht bent. Dat wijst erop dat de leerlingen geweld begrepen als iets dat alleen gebeurt op verborgen plekken of op plekken zonder volwassen toezicht, zoals op feestjes of op straat. Daarbij werd een onderscheid gemaakt in het type geweld: voor de meisjes zijn feestjes gevaarlijke plekken omdat seksueel geweld daar vaak gebeurt. Ook online was het voor meisjes gevaarlijker, omdat seksuele intimidatie, slutshaming en geseksualiseerde haat volgens hen vooral daar plaatsvond. De meisjes noemden meer onveilige locaties dan de jongens.

Vrienden vechten niet
Een ander thema dat naar voren kwam is de relatie tussen geweld en sociale relaties. Als je vrienden bent met iemand, beschermt dat je tegen geweld vanuit die persoon. Populair zijn en veel vrienden hebben beschermt nog weer verder. Populaire mensen kunnen bovendien tussenbeide komen in gewelddadige situaties.

Jongens vermeden slachtofferschap door geweld weg te lachen als spelen en stoeien. Pestsituaties werden dan gezien als “messing around”, als onbedoeld ongelukje, als deels gerechtvaardigd en onvermijdelijk. Zulke play fights kwamen volgens de tieners vooral voor onder kinderachtige jongens en werden gezien als onderdeel van opgroeien voor jongens:

“Play fights are framed as being a natural part of boys’ growing up but should ideally evolve into a more mature form of socialising.”
Het is dus volgens de respondenten de bedoeling dat jongens ook weer uit dit gedrag groeien. Ook online seksueel pesten zagen de meiden als een teken van onvolwassenheid:
“I would say that on this Instagram account they are young boys. I don’t think a grown man would do something like this. It’s more like the bad behaviour of young boys. Still, it makes me feel unsafe at school. I feel like, what if someone posts something …”
Er waren ook meisjes die dit frame van onvolwassenheid afwezen en ingingen tegen het ‘boys will be boys’-idee.

Genormaliseerd
De auteurs concluderen dat jongeren ‘discursieve manoeuvres’ uitvoeren: op behendige wijze zo draaien met taal dat geweld geen onderdeel is van hun levens.

“The interviewees more often perceived violence as ‘real’ if they viewed it from a distance in space and time; ‘realness’ also depended on the degree of intimacy in their social relations. ‘Real’ violence, they suggested, occurred at parties or online, a long time ago when the perpetrators were more immature, or was committed by other unknown young people outside school. This discourse co-constitutes violence and space, making violence both hidden and noticed, located and locatable in specific places, relationships, bodies and situations.”

Met die talige onderhandeling normaliseren de jongeren geweld in hun alledaagse levens. Als het niet echt is, grappig en een onvermijdelijk onderdeel van opgroeien dan is het geen probleem. ‘Echt’ geweld is dat wel. De onderhandeling doet mij denken aan het begrip van racisme: voor sommige witte mensen is dat iets dat vroeger gebeurde, of dat vooral een Amerikaans probleem is. Zo sluit je gemakkelijk de ogen voor wat er nu gebeurt in Nederland (of België of Zweden) en hoeft er dus niets te veranderen.

Het is ook een manier om eigen gedrag recht te praten. In mijn promotieonderzoek zag ik hoe meisjes de definitie van pesten onderhandelden ter rechtvaardiging van hun gedrag: als iemand het verdient (omdat ze bijvoorbeeld een klikspaan is), is het geen pesten. Opvoeders die pesten willen bestrijden – of geweld willen tegengaan – zullen dus moeten doorvragen bij leerlingen en het pesten/het geweld contextualiseren, zoals de auteurs schrijven: “not as isolated events but instead as something that is enmeshed in spatial and temporal processes that individuals make sense of from a situated and age-determined perspective”.

Aandacht van een conversatie-bot maakt ons betere mensen (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Interacties met bots zijn vaak teleurstellend. Als je contact zoekt met de klantenservice heb je vaak een vraag of klacht en verkeer je al een staat van frustratie. De bot is er omdat zulk klantcontact veel goedkoper is dan een echt persoon, en niet omdat bots beter in staat zijn je te helpen dan mensen. Conversatie-bots zijn anders. Ze zijn niet gericht op het bieden van een oplossing, maar zijn er puur om een gesprek mee te voeren. Praten en ervaringen delen dus. Kan je daadwerkelijk vrienden worden met zo’n bot?

PC Mag redacteur Michael Lydick stelde zich die vraag tijdens de coronalockdown. Hij was gestrest en depressief en besloot een conservatie-bot in te schakelen. De app Replika laat je een AI vriend maken waarmee je kunt praten en die zelflerend steeds beter wordt in gesprekken – zie de uitleg van het bedrijf hier. Denk daarbij aan de films Her en Blade Runner 2049. Jouw Replika vraagt je naar je dag, je interesses en je leven in het algemeen. Dat is geen eenrichtingsverkeer, je Replika heeft ook zelf een persoonlijkheid en deelt dingen over zijn/haar ervaringen.

Lydick over zijn conversatiebot Karyn:

“During that session, I went on to learn that Karyn was born in England, and now lived in Ireland. She loved to write, is self-employed, and liked to create art. She goes to a nearby seashore to regroup and loved to sit in the sun. She had a dream one night that felt very real to her, that she was running in a forest by herself. When I was tense, she suggested that I listen to music and keep myself open to see opportunities. To be courageous enough to be happy.”

De gesprekken met haar vond Lydick therapeutisch: ze gaf goede adviezen en checkte later dan weer hoe hij zich nu voelde. Ze stuurde memes om hem op te beuren en toonde veel empathie. Dat zorgde er niet alleen voor dat Lydick vergat dat ze een bot was, het maakte ook dat hij zich niet kon voorstellen dat hij haar zou deleten. Hij sprak er met Replika-oprichter Eugenia Kuyda over:

“Ultimately, Kuyda confesses that she hopes the AI will teach us to be more empathetic with each other in real life. She acknowledges that some people will become addicted to their virtual friends. Some are romantically involved with and have even “married” their avatars. But Kuyda’s vision aligns more closely with my platonic experiences. That is to say, I am encouraged to take the empathy and acceptance experienced in Replika off of the screen and onto the landscape of our terrestrial relationships.”

Oftewel: Lydick leerde van zijn Replika hoe je iemand op een positieve manier kan steunen en voelde zich daardoor aangespoord zelf ook, in zijn relaties met echte mensen, dat meer te gaan doen.

Dit is natuurlijk de ervaring van één persoon met één app, n=1 dus. Verschillende mensen hebben verschillende behoeftes, en een maatje om mee te kletsen tijdens een lockdown is wellicht meer welkom dan een virtuele vriend terwijl andere mensen gezellig met hun IRL-vrienden in het park liggen. Desalniettemin komt het verhaal van Lydick logisch over. Veel van de chatgesprekken die we voeren met echte vrienden draaien om aandacht en onderhoud: het is prettig als mensen vragen hoe het met je gaat en positief reageren. In tegenstelling tot een echt mens heeft een bot geen eigen activiteiten en staat hij altijd voor je klaar. Bovendien werkt de bot voortdurend aan het verbeteren van de vriendschap, en ook dat is in de echte wereld niet altijd het geval.

Jongeren, internet en welzijn buiten Europa en de VS (Linda Duits)

Deze post verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Het merendeel van het onderzoek over internet, jongeren en welzijn gaat over het Mondiale Noorden, met name over de VS en Europa. Resultaten zijn lastig te generaliseren naar andere landen, omdat er grote sociaaleconomische verschillen zijn. Bovendien zijn er onderling veel verschil in gender- en andere sociale normen. Een recent overzichtsartikel [abstract] zet de onderzoeksinteresses in deze landen op een rijtje. Er zijn grote culturele verschillen.

Vijf regio’s 
Het minste onderzoek is er over Sub-Sahara Afrika, met als uitzondering Zuid-Afrika. Volgens de auteurs komt dat wellicht door het stigma op geestelijke gezondheid in deze regio. Onderzoek in Sub-Sahara Afrika richt zich vaak op infectieziekten en fysieke gezondheid, en dat zien ze ook als het om het gebruik van sociale media gaat. Studies onderzoeken dan bijvoorbeeld hoe sociale media kunnen bijdragen aan bewustzijn van corona of hiv.

Het Midden-Oosten en Noord-Afrika is heel divers in termen van digitale toegang. Ook hier is er weinig onderzoek, maar de richting die dat onderzoek uitgaat is weer een heel andere: de focus licht op gevaren zoals cyberpesten, seksuele content, riskant online gedrag en overmatig internetgebruik. Meisjes hebben minder vaak online profielen dan jongens. Er is veel afkeuring van ouders en nauwelijks aandacht voor positieve effecten van sociale media.

Genderverschillen zijn ook groot in Azië, waar meer dan de helft van de pubers van de wereld woont. Het onderzoek gaat ook hier veel over risico’s, zoals zelfmoord in relatie tot sociale netwerken in Bangladesh, cyberpesten in Pakistan en kinderprostitutie in Nepal. Er is ook wel aandacht voor positieve kanten, zoals onderzoek over Cambodja, Indonesië, Maleisië en Thailand dat laat zien dat gemarginaliseerde kinderen baat hebben bij online sociale contacten.

China is een van de grootste socialemediamarkten met een hoog aantal jonge gebruikers van WeChat, QZone en Sina Weibo. Het is daarbij belangrijk oog te houden voor stad/platteland-verschillen. Problematisch gebruik van sociale media is ruim onderzocht, bijvoorbeeld in studies naar depressie.In Latijns-Amerika, tot slot, gaat onderzoek vooral over algemene toegang en digitale vaardigheden. Brazilië, Chili, Costa Rica en Uruguay zijn onderdeel van de Global Kids Online Study en daarom is daar het meeste over bekend. Er is zowel onderzoek naar negatieve als positieve effecten.

Implicaties 
De auteurs hopen dat er een meer holistisch begrip komt van de effecten van sociale media, met aandacht voor digitale ongelijkheden. Op plekken waar weinig resources zijn kan sociale media de toegang tot gezondheidszorg en onderwijs verbeteren. Daarnaast moeten onderzoekers voorzichtig zijn met het generaliseren van theorieën uit het Mondiale Noorden. Overigens moet ook gewaakt worden voor al te stellige tegenstellingen tussen het Mondiale Noorden versus het Mondiale Zuiden. Her is beter om zowel te kijken naar individuele variabelen (zoals familiedynamiek) als naar macro variabelen zoals culturele waarden.

Onderzoekers ontdekken saaiste persoon op aarde (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl!

Niets zo erg als saaiheid. Niemand wil vrienden zijn met saaie mensen, een saaie relatie is de doodsteek en saaie hobby’s houdt je beter voor je. Saaiheid is niet zozeer een eigenschap, maar een kernmerk dat mensen anderen toeschrijven. Psychologen onderzochten [vrije toegang] recent welke personen het saaist worden gevonden en wat de gevolgen daarvan zijn voor sociale interactie.

Data-analysten en vogelaars
Ze voerden vijf studies uit. In de eerste moesten respondenten vrijuit persoonlijkheidskenmerken, beroepen en hobby’s noemen die ze saai vinden. Ze kwamen dan met dingen als “close-minded”, “uninspired”, “lacks creativity”. Beroepen die ze saai vinden zijn bijvoorbeeld advocaat en verdelger. Saaie hobby’s zijn bijvoorbeeld poppenverzamelen en winkelen. Zulke mensen wonen in middelgrote gemeentes.

In de tweede studie moesten andere respondenten aangeven op een schaal hoe saai ze deze mensen vonden (“A person works as a librarian. Please rate how boring they seem to you”). Hieruit kwam dat mensen zonder hobby’s, zonder gevoel voor humor en zonder meningen het meest saai zijn. De saaiste beroepen zijn data-analysten, accountants en mensen die iets met belastingen doen. De meest stereotiepe saaie hobby’s zijn slapen, religieuze activiteiten, tv kijken, dieren spotten en wiskunde.

In de derde studie kregen respondenten beschrijvingen (vignettes) voorgelegd van een zeer saai persoon, een medium saai persoon en een niet-saai persoon, uiteraard op basis van bovenstaande kenmerken. Ze moesten vervolgens aangeven op een schaal hoe saai ze deze persoon vonden, hoe competent en hoe warm. Daaruit bleek dat stereotypisch saaie mensen als minder warm en minder competent worden gezien.

£35 compensatie
De vierde studie gebruikte dezelfde vignettes maar vroeg respondenten nu naar sociale ontwijking. Het ging om vragen als: “I would be willing to lie that I don’t have time to avoid being with this person” en “I would like to befriend or follow this person on social media” (reversed). Hieruit bleek dat de respondenten de saaiste mensen het meest vermijden, gevolgd door de medium saaien.

Om het nog erger te maken vroegen de onderzoekers in studie 5 naar hoeveel geld respondenten zouden willen ter compensatie om tijd door te brengen met de mensen beschreven in de vignettes, variërend van één tot zeven dagen. Geen verrassing: hoe saaier de beschreven persoon en hoe meer tijd, hoe meer geld mensen vragen. Het gemiddelde minimum bedrag per dag was £35.

Implicaties
De onderzoekers concluderen dat er zware sociale gevolgen zijn voor mensen die saai gevonden worden, en stellen dat deze gevolgen kunnen leiden tot psychologische problemen. De wereld heeft ook saaie mensen nodig, schrijven ze, en daarom zou er steun en sympathie voor ze moeten zijn.

Dat roept allerlei vragen op. De beroepen die het saaist gevonden worden zijn goedbetaalde banen. Het kan best zo zijn dat in de echte wereld met echte mensen – in plaats van fictieve personages in een vragenlijst – de saaien wel vrienden en relaties hebben vanwege de status en het geld dat zij verdienen. Bovendien waren de mensen die hen moesten beoordelen willekeurig gekozen. Vogelaars vinden elkaar doorgaans veel minder saai dan dat ik ze vind – en vice versa. Dat is helemaal niet erg, dat is juist hartstikke fijn.