Vertrouwen in de wetenschap maakt juist vatbaar voor pseudo-wetenschap (Linda Duits)

Deze post verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Vertrouwen is een hot issue op dit moment: er wordt veel gezegd en geschreven over vertrouwen in de politiek, dat cruciaal zou zijn voor het functioneren van de democratie. Ook vertrouwen in de wetenschap wordt belangrijk gevonden. Tegelijkertijd vraagt ‘de’ wetenschap juist om kritische geesten. Een recente studie [abstract] laat dat verschil duidelijk zien. Amerikaanse psychologen concluderen op basis van vier experimenten dat vertrouwen in wetenschap mensen juist vatbaar maakt voor geloof in pseudowetenschap.

Experimenten
In het eerste experiment werden respondenten verdeeld over twee groepen (‘condities’ in jargon). Beide groepen moesten een artikel lezen over het gefingeerde Valza Virus, maar de eerste groep las een variant waarin wetenschappers geciteerd werden die uitlegden hoe ze hun onderzoek hadden gedaan. In de tweede variant werden activisten geciteerd. Vervolgens moesten beide groepen een vragenlijst invullen.

Het tweede experiment herhaalde het eerste experiment, maar dan onder een representatieve steekproef van de Amerikaanse bevolking.

In het derde experiment kregen respondenten artikelen te lezen over een ander onderwerp, namelijk genetisch gemodificeerde organismen en een bedacht schandaal rond Monsanto. Ook hier las één groep een artikel waarin naar onderzoek werd verwezen. De tweede groep las een meer activistisch artikel, waarin werd verwezen naar een gepubliceerde maar ingetrokken studie.

Het vierde experiment week af: hier probeerden de onderzoekers de respondenten eerst in een bepaalde mindset te plaatsen. Ze werden verdeeld over 3×2 groepen: een groep werd aangemoedigd een kritische houding aan te nemen door ze te laten nadenken over niet blind vertrouwen op media en andere bronnen. De tweede groep werd juist aangemoedigd wetenschap te vertrouwen, door ze te laten nadenken over hoe wetenschap de wereld beter maakt. De derde groep was een controlegroep, zij moesten nadenken over landschappen. Vervolgens lazen de groepen dezelfde artikelen als in het derde experiment.

Resultaten
Uit het eerste experiment bleek dat respondenten in de wetenschappelijke conditie het artikel meer geloofden dan respondenten die het andere artikel lazen. Vertrouwen in wetenschap en methodologische geletterdheid hingen samen met een lager geloof in het artikel, oftewel: deze mensen namen het niet zomaar voor waar aan. Vertrouwen in wetenschap bepaalde ook in hoeverre mensen de wetenschappelijke content zouden willen verspreiden.

Ook in het tweede en derde experiment werden deze resultaten gevonden. Vertrouwen in wetenschap en methodologische geletterdheid hingen samen met een zwakker geloof in de desinformatie.

Het vierde experiment laat zien dat een kritische mindset zorgde voor een zwakker geloof in het artikel dan de mindset waarin vertrouwen in de wetenschap werd aangemoedigd.

Conclusie
De onderzoekers stellen op basis van deze experimenten dat mensen met een hoger vertrouwen in wetenschap vatbaar zijn voor desinformatie die pseudowetenschap bevat. Pseudowetenschap definiëren zij als “ogenschijnlijk wetenschappelijke maar foutieve inhoud en labels” (p. 1). Zolang er maar naar wetenschap verwezen werd, namen mensen met een hoog vertrouwen de informatie aan. Dit betekent volgens de onderzoekers dat campagnes tegen desinformatie die vertrouwen in de wetenschap promoten, de plank misslaan.

Het werkelijke tegengif zit volgens hen in methodologische geletterdheid. Daarnaast zien zij veelbelovende resultaten in ander onderzoek naar wetenschappelijke nieuwsgierigheid als middel tegen geloof in pseudowetenschap en desinformatie.

Implicaties
Dat klinkt allemaal heel aannemelijk, en ik ben er zeer voor dat journalisten veel meer vragen naar en schrijven over gehanteerde methodes (zie deze aflevering van Onder Mediadoctoren met Bas Haring over weerstand tegen waarheid). Maar zoals vaker met dit type onderzoek gaat de stap van experiment naar conclusie wel erg snel. Als we kritisch naar de gehanteerde methode kijken, zoals de onderzoekers zelf aanbevelen, gaat de boel wankelen. De definities doen ertoe, en de manier waarop concepten als pseudowetenschap zijn geoperationaliseerd. De experimenten en het bedachte materiaal (de artikelen die de deelnemers moesten lezen) vind ik daar niet sterk in.

Bovendien lezen mensen informatie niet in een experimentele setting. Fictieve artikelen lezen voor een wetenschappelijk onderzoek is vergaande abstractie van de werkelijkheid. In de echte wereld krijgen mensen bijvoorbeeld artikelen doorgestuurd van mensen die ze vertrouwen en dat heeft ook weer een effect op hoe aannemelijk ze informatie vinden. Tegelijkertijd lijkt het allemaal heel evident: natuurlijk staat blind vertrouwen haaks op een kritische geest.

De metaverse komt eraan! Dit is wat je moet weten (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Hypes over cyberspace komen zelden uit. Ik weet nog goed hoe banken plots meenden dat ze aanwezig moesten zijn in Second Life, een virtuele wereld waar je met je avatar rond kon lopen om andere mensen te ontmoeten, te seksen of virtuele spullen te kopen. Second Life bestaat nog steeds, maar heeft alle verwachtingen nooit waar kunnen maken. Toch is het een mijlpaal geweest in de ontwikkeling van het internet. Zo danken online gedeelde gamewerelden als World of Warcraft en Fortnite veel aan Second Life.

Ondertussen heeft de technologie zich verder ontwikkeld. Virtual en augmented reality-toepassingen zijn veel verder en brengen het idee van een gedeelde virtuele ruimte dichterbij. De metaverse is de naam die gegeven is aan dat concept, een “volgende generatie of versie van het internet, waarin alle bestaande, gedeelde, en 3D virtuele ruimten aan elkaar verbonden zijn in een alles omvattend virtueel universum” zegt Wikipedia.

Wat is het precies? 
De metaverse moet – net als Second Life – een spiegelwereld zijn. Het moet een fijnere en meer natuurlijke manier zijn om online te gaan, dus niet via de standaard monitorschermen maar via beelden die voor je ogen worden geprojecteerd dankzij VR of AR. Daartoe zijn speciale brillen nodig.

Deze video geeft een idee van hoe de metaverse eruit kan zien:

Wat kan je er doen? 
De toepassingen zijn eindeloos, maar voor bedrijven is het natuurlijk het meest interessant als je er geld gaat uitgeven. Dat kan aan spullen voor je avatar – die wil misschien ook een kekke outfit – maar ook spullen voor jezelf in de fysieke wereld. Het idee is dat je er makkelijk kunt shoppen: terwijl je in de fysieke wereld naar huis loopt, stel je in de metaverse een boodschappenlijstje op. Wanneer je thuis bent, worden de boodschappen bezorgd. Daarnaast kan je denken aan in-world games en entertainment.

Wanneer komt de metaverse? 
Zo’n universum vraagt om verregaande standaardisatie en dus samenwerking tussen techgiganten die daar doorgaans geen zin in hebben (hallo USB-C telefoonopladers!). Er is op dit moment geen metaverse en er is ook geen lanceerdatum bekend. Bedrijven als Facebook en Microsoft investeren wel miljarden dollars in hun metaverses. Volgens The Washington Post is het twijfelachtig of de metaverse er ooit gaat komen, vooral omdat VR-brillen echt maar door een klein percentage mensen wordt gebruikt.

NRC Handelsblad heeft ook twijfels: we zijn al heel kritisch op ons telefoongebruik:

“Een technologie die nog opdringeriger is dan een trillende telefoon – omdat de metaverse je omringt en nog meer dan het huidige internet verbonden wil zijn met je dagelijkse leven – kan voor veel mensen voelen als een meta-stap te ver.”

Waar we best naar kijken bij een digitale samenleving, ook oa in onderwijs (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Het Rathenau Instituut doet sinds 1986 onderzoek naar de impact van technologie op de samenleving. In een recent verschenen rapport naar de stand van digitaal Nederland spreekt het Instituut zorgen uit. Het selecteerde acht domeinen en maakte een overzicht van de problemen, onderbelichte vragen en politieke vragen voor de komende vier jaar. De conclusie: de stand van de digitale samenleving is op tal van aspecten zorgelijk en het huidig beleid blijkt onvoldoende.

De macht van Big Tech wordt alleen maar groter, de samenleving is sterk afhankelijk van de diensten die deze bedrijven leveren. Scholen, ziekenhuizen en overheden maken er gebruik van, zonder dat er duidelijke afspraken zijn waarmee die bedrijven tot verantwoording kunnen worden geroepen. Voor de overheid zelf is het “een uitdaging om als parlement voldoende zicht te krijgen op de werking van overheidssystemen” (p. 46). Ondertussen vormen nieuwe immersieve technologieën nadere bedreigingen voor onze privacy.

De samenvatting van de politieke vraagstukken per domein, woordelijk overgenomen uit het rapport (p. 11-12):

Inclusieve digitale democratie
Desinformatie, deepfakes, politieke micro-targeting en de macht van Big Tech bedreigen de democratie. In Europese wetsvoorstellen krijgen platformen meer verantwoordelijkheden. Maar hoe ver moeten die precies reiken? Is het toezicht voldoende geregeld als platformen gaan bepalen wat illegale content is? Digitale middelen kunnen democratische besluitvorming ook versterken. In welke mate willen partijen daar gebruik van maken?

Eerlijke dataeconomie
Platformen brengen vraag en aanbod efficiënt bij elkaar, maar de enorme marktmacht onzekere arbeidsomstandigheden en minder leefbare steden zijn bekende keerzijden. Nieuwe wetten moeten de marktmacht reguleren en investeringen in Europese technologie moet zorgen voor alternatieve aanbieders. Maar met meer concurrentie ontstaat nog geen leefbare stad. Welke plichten moeten platformen krijgen om een eerlijke economie te realiseren? En hoe kan innovatiebeleid meer worden gericht op maatschappelijke uitdagingen?

Robuuste digitale infrastructuur
De digitale samenleving is kwetsbaar. Hoewel de afgelopen jaren meer wettelijke eisen zijn opgesteld, bijvoorbeeld voor 5G, blijft de basis, zoals encryptie, onvoldoende op orde. De afhankelijkheden worden groter. En nieuwe infrastructuren, zoals 6G en satellieten, komen eraan. Wat is er nodig om Nederland veiliger te maken en hoeveel mag dat kosten? Hoe kan Nederland haar hoogwaardige expertise over kwantumtechnologie, encryptie en AI beter benutten?

Behoorlijke digitale overheid
De overheid gebruikt data en algoritmen om te beslissen over zaken die burgers aangaan. Maar die beslissingen zijn vaak ondoorzichtig. En het blijkt lastig om maatwerk te leveren en gemaakte fouten snel te herstellen. Bovendien blijken systemen niet altijd effectief. Hoe weegt het parlement de maatschappelijke kosten tegen de baten? Wat is er nodig om te waarborgen dat digitale overheidssystemen voldoen aan de eisen van behoorlijk bestuur?

Duurzaam digitaal
Digitalisering van het energiesysteem kan de energietransitie bevorderen. Dat vraagt om beter gebruik van energiedata, met aandacht voor privacy en beveiliging. Dat is nog niet voor alle relevante data, zoals data uit slimme thermostaten of elektrische auto’s, goed geregeld. Hoe zorgt het parlement dat beschikbare data in dienst staat van de energietransitie? En hoe wordt gezorgd dat de ambities voor digitalisering gelijk op gaan met de doelen van de energietransitie?

Hoogwaardig digitaal onderwijs
Onderwijsinstellingen experimenteren met digitale leermiddelen. Op beleidsniveau is aandacht voor dataprotectie, beveiliging en publieke regie over de inkoop van systemen. Maar de impact van educatieve technologie reikt verder dan dat. Want wat betekenen de systemen voor de kwaliteit van het onderwijs en kansengelijkheid? Durven leerlingen nog fouten te maken als elke stap wordt
vastgelegd? Kortom: hoe kan innovatie vorm worden gegeven met oog voor onderwijskwaliteit en publieke waarden?

Verantwoord medische data delen
Uitwisseling van medische data kunnen de gezondheidszorg vooruit helpen, bijvoorbeeld doordat zorgverleners over de juiste informatie beschikken. Maar het gebruik van medische data dient uiterst zorgvuldig, en in het belang van de publieke gezondheidszorg, te gebeuren. Met de toename van private partijen en grote platformen komt dat belang onder druk te staan. Hoe behouden we solidariteit bij datagebruik en worden zorgverleners en patiënten beter beschermd?

Betrouwbare immersieve technologie
Spraaktechnologie, Virtual Reality en Augmented Reality maken het nog moeilijker om echt van nep (manipulatie) te onderscheiden. Deze technologieën zullen de komende jaren worden gebruikt in de zorg, het onderwijs, de bouw of defensie. Welke afspraken zijn er nodig over privacy, autonomie, waarachtigheid en gezondheid? En welke juridische kaders ontbreken, zoals voor onze publieke ruimte en intellectueel eigendom?

De beweegredenen van vaccinatieweigenaars (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Pas nu een grote meerderheid van de bevolking gevaccineerd is lijkt er een maatschappelijk debat te ontstaan over de vaccinatieweigeraars. Voor zorgmedewerkers is de groep een enorm probleem. Ze weigeren niet alleen vaccins, maar ook mondkapjes – zelfs als ze met serieuze coronaklachten binnenkomen. Het leidt tot frustratie over vermijdbaar lijden onder het personeel.

Als we deze groep willen overhalen om zich toch te beschermen tegen corona, moeten we eerst weten waarom ze hun huidige keuze hebben gemaakt. In het project ‘De Maatschappelijke Impact van COVID-19’, gefinancierd door ZonMw, werken verschillende universiteiten en gemeentes samen aan onderzoek. Deze week verscheen een working paper over de beweegredenen vaccinatieweigeraars.

Methode
In het project worden surveys afgenomen, met zowel gesloten als open vragen. Dit paper is gebaseerd op data verzameld in maart 2021 onder 24.227 respondenten. Vijftien procent van deze ondervraagden gaf toen aan niet gevaccineerd te willen worden. Zij kregen vervolgens de open vraag waarom niet. Daarop hebben 688 respondenten geantwoord – dat is slechts 19 procent van de respondenten die zich niet wilden laten vaccineren, een lage respons dus. Vrouwen, jongeren en lageropgeleiden gaven vaker antwoord. De resultaten zijn daarom niet representatief voor de bevolking, maar het onderzoek is wel degelijk relevant omdat het inzicht geeft in bestaande motieven en het relatieve belang ervan voor deze mensen.

De antwoorden zijn handmatig gecodeerd en de verkregen motieven zijn vervolgens voorgelegd aan zorgprofessionals in focusgroepen. Zo zijn vervolgens een aantal handelingsperspectieven geformuleerd.

Beweegredenen van weigeraars
De onderzoekers komen tot drie hoofdcategorieën, die elkaar niet uitsluiten:

1. Vertrouwen in het eigen lichaam
Ongeveer een kwart van de genoemde redenen valt hieronder. Het gaat om mensen die vinden dat zij gezond zijn, een sterk immuunsysteem hebben en/of niet kwetsbaar zijn. Zij vinden een vaccin daarom niet nodig. Ook mensen die het al gehad hebben passen in deze categorie.

2. Zorgen over bijwerkingen
Ruim een derde van de redenen is samen te vatten onder deze noemer. Het zijn enerzijds mensen die zich directe angst hebben voor bijwerkingen op de korte of lange termijn en anderzijds mensen die geen proefkonijn willen zijn. Het zijn bijvoorbeeld mensen die medicatie gebruiken of zwanger zijn, of die het vaccin niet vertrouwen omdat ze menen dat het zich nog in een experimentele fase bevindt.

3. Wantrouwen in vaccin en betrokken instanties
Uit een derde van de genoemde redenen spreekt wantrouwen, al is het niet altijd duidelijk naar wie of wat. Wanneer dat wel benoemd wordt, gaat het om instanties als WHO, RIVM en GGD, en de farmaceutische industrie. Ook de regering wordt niet vertrouwd. Daar zitten gradaties in. Er zijn mensen die sterke twijfels hebben en vinden dat er te weinig ruimte is voor kritiek, dat ze worden weggezet als viruswappie. Er zijn mensen die vinden dat het vaccinatieprogramma een “hoog propaganda-gehalte” heeft, of dat de wetenschap “arrogant” is. Er is ook dieper wantrouwen, waarbij complottheorieën worden aangehaald en het bestaan van het virus wordt ontkend.

Perspectieven van zorgprofessionals 
De geïnterviewde zorgprofessionals herkenden de beweegredenen. Zij zeggen dat het vaak gaat om gelegenheidsargumenten: “als het ene argument wordt weerlegd, wordt een ander argument gebruikt, waarbij mensen zich baseren op diverse informatiebronnen” (p. 5). Deze huisartsen hekelden de overheidscommunicatie omdat ze vonden dat vaak te moeilijk was, bijvoorbeeld voor mensen die Nederlands niet als moedertaal hebben en laaggeletterden.

Zij vonden ook dat er te weinig is gekeken naar obstakels, zoals de bereikbaarheid en nabijheid van priklocaties. Bovendien vonden ze dat partijen als GGD en gemeentes slecht met hen samenwerkten. Zij zien zichzelf als “onmisbare schakel in het bereiken van bepaalde doelgroepen, vanwege de relatie die zij hebben opgebouwd met patiënten” (p. 8).

Aanbevelingen
De onderzoekers komen tot zeven zogeheten handelingsperspectieven voor beleidsmakers en professionals:

1. Erken verschillende perspectieven en ga het gesprek onbevooroordeeld aan;
Dat betekent ook twijfelaars niet afschilderen als wappies.

2. Parallel aan vaccinatiebeleid voor doelgroepen met een hoge vaccinatiebereidheid moet vanaf het begin aandacht komen voor moeilijker te bereiken groepen;

3. Identificeer sleutelfiguren en -organisaties en zet deze in voor het bereiken van specifieke doelgroepen;

4. Bied ruimte aan flexibiliteit en creativiteit in het opgestelde beleid;

5. Geef gemeentebesturen samen met de GGD een rol in het nadenken over lokale vaccinatiestrategieën;

6. Maak meer gebruik van eerstelijns professionals en hun netwerk binnen het sociale domein;

7. Evalueer en reflecteer op gezette tijden met de meest betrokken stakeholders het gevoerde beleid en sta open voor tegenspraak.

Je radicaliseert niet tot coronawappie door te veel YouTube kijken deel II (Linda Duits)

Deze blogpost verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Dankzij Zondag Met Lubach is de gedachte dat je radicaliseert door veel YouTube te kijken bijkans gemeengoed geworden. Lubach sprak over een fabeltjesfuik waarin je wordt gezogen: mensen stellen aanvankelijk begrijpelijke vragen (“is de PCR-test betrouwbaar?”) maar worden door het algoritme naar steeds heftigere filmpjes geleid. In drie clicks ga je van coronatesten naar de aanslagen op de Twin Towers, via pedofielennetwerken. Op Brainwash schreef ik een kritisch stuk over deze aanname. Vanuit de communicatiewetenschap is er geen bewijs dat mensen op deze manier naar informatie zoeken. Een recent verschenen artikel [abstract] test de hypothese dat YouTube kijkers radicaliseert.

Kort gezegd vinden de onderzoekers geen bewijs dat YouTube onschuldige gebruikers richting radicale politieke content drijft. In plaats daarvan is het platform simpelweg een plek waar complottheorieën, desinformatie en “hyperpartisan content” breed beschikbaar zijn, actief opgezocht worden en makkelijk gevonden geworden.

Methode
De onderzoekers maakten gebruik van data van 309.813 YouTube-gebruikers verkregen via marktonderzoeker Nielsen. Het ging om de periode januari 2016 tot en met december 2019. Iemand kwalificeerde als YouTube-gebruiker als ze minstens een keer de site hadden bezocht. Dit leverde 21.385.962 pageviews op van in totaal 9.863.964 unieke video’s. Van die video’s werd metadata opgevraagd zoals de categorie, titel en lengte. Iedere video werd gelabeld op basis van de politieke kleur van het kanaal.

In navolging van ander onderzoek gebeurde dat labellen eerst aan de hand van de traditionele links/centrum/rechts-indeling, en vervolgens naar achttien tags als socialistisch, religieus-conservatief en complot. Daarna werd een indeling gemaakt in zes categorieën: radicaal-links, links, centrum, anti-woke, rechts en radicaal-rechts. Anti-woke is uiteraard een opvallend label. De onderzoekers zien het als ter rechterzijde van het spectrum, maar anders dan rechts en radicaalrechts. Het gaat om kanalen die vallen onder wat wel het Intellectual Dark Web wordt genoemd, anti-social justice warriors en mannenrechtenactivisten.

Resultaten
Uit de analyse wordt duidelijk dat gebruikers zich sterk binnen hun eigen clusters bevinden. Er zijn afgebakende ‘gemeenschappen’ op YouTube, met homogene voorkeuren. Net als uit ander onderzoek wordt duidelijk dat nieuwsconsumptie klein is op YouTube: slechts elf procent van de totale consumptie. Dit zijn vooral mainstream of links-leunende bronnen. Er wordt veel minder radicaal-rechtse content bekeken: er zijn minder kijkers en zij kijken minder lang. De onderzoekers concluderen dat er inderdaad radicaal-rechtse gemeenschappen zijn, en die zijn groter dan links-radicale gemeenschappen, maar ze zijn klein in vergelijking met links, centrum en rechts. De consumptie van anti-woke content nam echter sterk toe en deze gemeenschap groeit.

Centraal in dit onderzoek stond hoe gebruikers bij radicaal-rechtse content terechtkomen. Slechts een fractie kan verklaard worden door de aanbevelingen van YouTube. De onderzoekers vonden over de kijksessies heen geen trend richting meer extreme content, niet op links en niet op rechts. Ze stellen daarom dat het kijken naar zulke content bepaald wordt door de voorkeur van de kijkers, niet door de aanbevelingen van het algoritme. Bovendien consumeren anti-woke, rechtse en radicaal-rechtse gebruikers ook buiten YouTube veel radicaal-rechtse content. Het sluit dus aan bij hun nieuwsdieet, en is niet het gevolg van een push vanuit YouTube.

Implicaties
YouTube is één bibliotheek binnen een groter ecosysteem, stellen de onderzoekers. Wat er gekeken wordt op YouTube is een weerspiegeling van de smaak en zoekopdrachten van de gebruiker. Die gebruikers bevinden zich in duidelijke clusters oftewel gemeenschappen.

In mijn artikel op Brainwash betoogde ik dat het belangrijk was de rol van gemeenschappen mee te nemen. Tijdens corona hebben veel complotdenkers elkaar ook fysiek ontmoet. Hun gemeenschap is daardoor sterker geworden.

Dit onderzoek zegt niets over corona: de data zijn immers verzameld voor de pandemie uitbrak. Het leert ons wel een belangrijke les: het is te makkelijk om naar YouTube (of andere platforms) te wijzen als oorzaak van sociale problemen. Om radicalisering tegen te gaan zullen we dus ook met andere oplossingen moeten komen. Dat pleit YouTube niet vrij van verantwoordelijkheid, maar het betekent wel dat ook hier niet opgaat dat ‘het de schuld van de media is’.

Ook TikTok kan de ontlezing niet stoppen (Linda Duits)

Deze post verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Zorgen over ontlezing bestaan al zeker sinds mijn kindertijd en de concurrentie van schermen heeft die zorgen alleen maar vergroot. Er worden dan ook allerlei voorstellen gedaan om die ontlezing te stoppen, liefst hippig in combinatie met andere media zoals via een game. Doorgaans halen zulke top-down initiatieven weinig uit, maar deze week schrijft Het Parool dat het TikTok-sterren lukt hun volgers aan het lezen te krijgen.

Effect op boekverkoop
Via #BookTok delen influencers boekentips: wat te lezen en waarom. Dit slaat aan, en blijkbaar ook in Nederland. In Het Parool komen verkopers van de Engelstalige Amsterdamse boekhandels American Book Center en Waterstone’s aan het woord die een daadwerkelijke stijging zien:

“Jonge mensen komen vaak langs met een lijstje boek­titels op hun telefoon. Meestal gaan ze dan ook weg met een stapeltje boeken. Dagelijks verkopen we vijf à tien van deze ‘TikTokboeken’. Dan gaat het om titels als They Both Die at the EndThe Song of Achilles en RedWhite and Navy Blue. Laatst hebben we in twee dagen zo’n zestig exem­plaren van The Midnight Library van Matt Haig verkocht. Dat zijn voor ons aantallen die we nog nooit hebben meegemaakt, misschien alleen toen de Harry Potter-boeken uitkwamen. Het gaat zo hard.”

Er is ook een Nederlandstalige hashtag op TikTok, #BoekTok, aangevoerd door Soraya Riem die bij uitgeverij Lebowski blijkt te werken. Ze bedenkt acties samen met de CPNB – het is dus geen kwestie van influencers die ‘spontaan’ beginnen met het lezen van boeken en dat delen. Het is ook de vraag hoe blijvend een dergelijke trend is: pikken jongeren op deze manier echt een liefde voor lezen op?

BookTube
Het is ook niet de eerste keer dat zulke berichten verschijnen. In 2018 kopte The New York Times ‘Meet the YouTube Stars Turning Viewers Into Readers’. Daar ging het dus over YouTube en heette de gemeenschap BookTube. Ook toen was het idee dat kijkers die geen grote lezers waren dankzij het platform geïnspireerd werden dat wel te worden. Ook toen werd effect gerapporteerd:

“viewer engagement is substantial; many subscribers comment that they were convinced to buy the book being promoted. According to YouTube, the community as a whole has gotten over 200 million views and, compared to this time last year, engagement with them is up 40 percent.”

Maar BookTube heeft geen einde gebracht aan ontlezing. Dat is ook een veel te hoge verwachting van een platform met zo’n uiteenlopend aanbod. YouTube en TikTok zijn grote platforms, maar ze zijn ook exemplarisch voor de fragmentatie van het medialandschap: iedereen kijkt iets anders. Creëren deze influencers echt een vraag, of weten kijkers die lezen toch al wel een beetje leuk vonden deze kanalen te vinden?

Leesbevordering
Lezen via een game of #BookTok zijn voorbeelden van wat ‘leesbevordering’ wordt genoemd. Het effect van zulke initiatieven is twijfelachtig, stelt onderwijskundige Helge Bonset [abstract]. Sowieso is het discutabel hoe effect te operationaliseren. Als toename van lezen in de vrije tijd? Maar we “meten het succes van natuuronderwijs ook niet alleen af aan de mate waarin leerlingen
in hun vrije tijd de natuur ingaan” schrijft Bonset. Alle beetjes helpen en er is wel degelijk een verband tussen lezen in de vrije tijd en taalvaardigheid, maar we verwachten te veel. Bonset eindigt:

“De waarde van leesbevordering is buiten kijf. Maar helaas, behalve het lichtpuntje uit het onderzoek van Nielen (2016), wijst op dit moment weinig erop dat leesbevordering de ontlezing, de afname van het lezen in de vrije tijd, onder jongeren zal kunnen stoppen. De meest voor de hand liggende reden hiervoor komt naar voren uit het onderzoek van Huysmans (2013): met het toenemen van de leeftijd dringen mobiele en digitale mediavormen (televisiekijken, muziek luisteren, computeren, internetten, gamen, mobiel bellen en social media bijhouden) het lezen van boeken steeds meer terug. Leerlingen kunnen hun vrije tijd helaas maar één keer besteden” (p. 35).

5 grote uitdagingen in de wetenschapscommunicatie volgens Ionica Smeets (Linda Duits)

In deze gastblog komen twee fijne collega’s samen. Prof dr.  ir. Ionica Smeets is mijn meer dan gewaardeerde leidinggevende in Leiden en met Linda Duits schreef ik ooit het boek Meisjes Kijken. De blogpost van Linda verscheen zoals steeds eerst op dieponderzoek.nl

Voor het eerst wordt er in Nederland serieus geld vrijgemaakt voor wetenschapscommunicatie: vier miljoen vanuit de Nationale Wetenschapsagenda. Tijdens het Etmaal van de Communicatiewetenschap hield hoogleraar Wetenschapscommunicatie Ionica Smeets een keynote waarin ze vijf uitdagingen uiteenzette. Deze zijn onlangs gepubliceerd in het Tijdschrift voor Communicatiewetenschap [abstractopen versie].

1: de positie van onderzoek naar wetenschapscommunicatie versterken
Het jonge vakgebied is interdisciplinair en daarom ondergebracht bij verschillende (maar meestal exacte) faculteiten. Er is weinig zicht op het geheel. Onderzoekers naar wetenschapscommunicatie worden bovendien vaak gezien als communicatoren (“degene die een persbericht komen schrijven”).

2: verder gaan dan de samenleving informeren
Het gaat niet alleen over het overbrengen van feiten, maar “óók … over emoties, het overtuigen van anderen, gedragsveranderingen, vertrouwen en wat niet meer” (p. 4). Dat betekent dat er bij evaluaties ook gekeken moet worden naar hoe informatie is aangekomen.

3: waardering van wetenschapscommunicatie als kerntaak
Er wordt nog steeds neergekeken op wetenschappers die veel aan wetenschapscommunicatie doen. Het Sagan-effect (naar natuurkundige Carl Sagan) houdt in dat zulke wetenschappers dommer geacht worden, of preciezer gezegd dat hun populariteit bij het grote publiek omgekeerd evenredig moet zijn met de kwaliteit van hun wetenschappelijk werk – in Nederland kennen we dit als het Maarten van Rossum-effect. Nog steeds krijgen de meeste academici geen uren voor valorisatie, terwijl dit wel erkend wordt als kerntaak.

4: de verantwoordelijkheid van academici voor wetenschapsnieuws
Wetenschappers klagen graag dat journalisten hun werk opblazen, maar onderzoek laat zien dat wetenschappers daar zelf een hand in hebben (zie deze column die ik daarover schreef). Ze moeten daarvoor verantwoordelijkheid nemen.

5: waar blijven sociale en geesteswetenschappen?
De wetenschap waarover wetenschapscommunicatie communiceert is vaak bèta-wetenschap. Van de sociale en geesteswetenschappelijke instituten heeft slechts 30 en 35 procent een plan om de samenleving bij hun werk te betrekken, terwijl bijvoorbeeld de medische wetenschappen boven de vijftig procent zitten.

Pas op met selfie-bewerkings-apps (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Het is natuurlijk hartstikke leuk om te zien hoe je er ouder uit zou zien, of als je een andere sekse zou hebben. Apps waarmee je je selfies kunt bewerken zijn daarom populair. De meest recente toevoeging is Voilà. Je uploadt een portret en de app maakt van een gezicht een Disney-achtige cartoon of renaissanceschilderij. Geinig om te delen op Instagram.

Zulke apps zijn doorgaans gratis en dat kan omdat je betaalt met je data. De bedrijven achter de apps zijn doorgaans niet transparant over welke data ze allemaal verzamelen en hoe lang ze die bewaren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de foto’s die je uploadt, of toegang tot je gehele fotoalbum. Met jouw foto’s kan dan gezichtsherkennings-AI getraind worden. Daarnaast levert je telefoon ook allerlei andere data. Deskundigen waarschuwen al jaren voor zulke apps, zoals hier op CNN tegen Meitu (2017) of hier in de Washington Post tegen FaceApp (2019).

Naast onduidelijkheid over privacy kent Voilà ook nog eens een redelijk agressief in-app-verdienmodel. De pro-versie verwijdert reclame in ruil voor maar liefst $2 per week op Android en $3 per week op iOS. De betaalde versie biedt geen bescherming tegen de verkoop van je data: je zou dus kunnen zeggen dat je dubbel betaalt.

Ook ‘goede’ representatie van verkrachting creëert verkeerde beelden (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Het bestrijden van seksueel geweld staat hoog op de agenda van hedendaagse feministen. Er is veel aandacht voor wat ‘verkrachtingscultuur’ genoemd wordt, een term die is overgenomen van radicaalfeministen uit de jaren 70 (zie hier voor bezwaren bij het gebruik van dit woord). Die aandacht bestaat logischerwijs ook in de media. Zo werd de film Promising Young Woman, waarin een vrouw wraak neemt voor een verkrachting, genomineerd voor diverse Oscars. In een recent artikel [abstract] analyseert communicatiewetenschapper Emily Ryalls twee series over deze problematiek: 13 Reasons Why en Sweet/Vicious.

Beide series gaan over aanranding en seksueel lastigvallen. De focus ligt niet bij het individu, maar bij de cultuur (seksuele grensoverschrijding is onderdeel van het dagelijks leven) en bij instituties (hoe moeilijk het is aangifte te doen of een klacht in te dienen op school). In de wereld van deze series viert verkrachting hoogtij. Zowel 13 Reasons Why als Sweet/Vicious zoeken de oplossing bij affirmative consent: je partner moet haar ja duidelijk maken, anders mag er geen seks plaatsvinden. Verkrachting is dan een gebrek aan consent, in plaats van doorgaan ook al weigert of protesteert de ander.

In de verhalen worden de slachtoffers geconfronteerd met onwelwillende volwassenen, die de schuld bij henzelf leggen of andere verkrachtingsmythes aanhalen. Ze worden neergezet als ouderwets, wat de suggestie wekt van een toekomst waarin dit niet meer gaat gebeuren – zodra we naar zo’n ja=ja-model gaan.

Kritiek
De series zijn een hele vooruitgang met de eerdere representatie van verkrachting, waar daders vieze en weerzinwekkende mannen waren. Toch is Ryalls kritisch op deze nieuwe manier van representeren. Terwijl enerzijds het ja=ja-model gepromoot wordt, wordt anderzijds het idee in stand gehouden dat je niet geloofd gaat worden. Volwassenen zijn de slechteriken van wie je geen hulp hoeft te verwachten.

Bovendien wordt er in de series een tegenstelling gecreëerd tussen slechte want verkrachtende gasten, en goede mannen die wel consent zoeken. De laatsten zijn vaak wit. In 13 Reasons Why komen jongens op een school van soms slecht tot altijd slecht. ‘Kleine’ overtredingen, zoals iemand betasten, worden daarmee geëxcuseerd, zeker als de mannen achteraf spijt betonen. Good guys zijn de mannen die vrouwen beschermen, ook als dat betekent dat ze altijd om deze meisjes heen hangen (wat je kunt zien als stalking). Tegelijkertijd zeggen slachtoffers, zonder uitzondering meisjes, niet altijd wat ze bedoelen, waardoor volgens Ryalls het idee ontstaat dat meisjes en alleen meisjes gemengde signalen geven.

‘Goede’ representatie
Ryalls concludeert dat in deze series het zoeken van affirmative consent “the marker of honorable masculinity” wordt, van goede mannelijkheid.

“In so doing, they regressively rely on myths of rapists as repugnant and evil characters easily recognizable as the opposite of “good” guys. While progressively insisting that a girl need not say “no” in order to not be raped, both shows situate girls as not knowing what is best for them, and, in some cases, that taking a girl at her world puts her in danger. Thus, [13 Reasons Why and Sweet/Vicious] contribute to rape culture by situating rape as inevitable and elevating good guys, as opposed to structural change, as the saviors of girls” (p. 11).

Dat zijn pittige woorden, die direct de vraag oproepen hoe je dit dan wel ‘goed’ representeert. Populaire cultuur is zowel een afspiegeling van de werkelijkheid als normzettend voor die werkelijkheid. Die werkelijkheid is diffuus, wat zou vragen om veel verschillende verhalen over deze problematiek. Tegelijkertijd zorgt dat weer voor het onterechte beeld dat verkrachting alomtegenwoordig is en daders overal – wat ook weer een verkeerd beeld is.

We weten niet hoe kijkers betekenis geven aan deze series: welke boodschappen nemen ze over, welke wijzen af? Dit onderzoek wijst ons erop hoe voorzichtig we moeten zijn met verwachtingen van ‘goede’ representatie: betere representatie leidt niet automatisch tot een betere wereld, daarvoor is meer nodig.

Hedendaagse meisjesbladen staan bol van tegenstrijdige boodschappen over het lichaam, seks en jezelf zijn (Linda Duits)

Deze post verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Feminisme is in, ook – of zeker – onder meisjes. Dat vindt zijn weerslag in de media die meisjes gebruiken, waaronder tijdschriften. Communicatiewetenschappers Marieke Boschma en Serena Daalmans voerden een thematische analyse uit van Fashionchick, Cosmogirl en Girlz [vrije toegang], om te analyseren welke boodschappen deze bladen bevatten over vrouw zijn.

In de bladen worden verschillende onderwerpen besproken, zoals vriendschap, geld, familie, mode, make-up, school, seks, roddel en zelfbewustzijn. Boschma en Daalmans zagen vijf thema’s terugkeren.

1. Het lichaam
De titels leggen grote nadruk op het lichaam. Het gaat daarbij ofwel over de vorm van het lichaam, ofwel over het vrouwelijk uiterlijk. Soms maakt het niet uit wat voor lichaam je hebt (groot, klein, etc). Aan de andere kant bevatten de bladen ideaalbeelden van het perfecte lichaam, waarvan je dan tegelijkertijd weer moet accepteren dat niemand het heeft. Dat sluit dan weer niet uit dat lichaamsverbetering mogelijk is, bijvoorbeeld met een gezonde levensstijl en gezond eten. Dit zijn dus conflicterende boodschappen, van zowel schaamte als acceptatie.

Vrouwelijkheid is een balans van elegantie, sexy en meisjesachtig met ‘edgier’ elementen. Alles dat ‘te’ is, is daarbij niet goed. Er worden make-uptips aangeboden en er is advies over tanden, adem, haar en huid. Kleding wordt gebracht als een manier om vrouwelijkheid te benadrukken, waarbij je altijd jezelf moet zijn én de mode moet volgen. Vrouwelijke schoonheid wordt direct verbonden met geluk:

“When someone is pretty, they are represented as happy. Which might lead to the assessment that the body is seen as a mirror to the soul: The more good things one does to the body (i.e., dressing well, exercising), the happier they will be” (p. 31).

2. Seks
Er is veel aandacht voor de lichamelijkheid van seks: wat is normaal en hoe moet het? Dat gaat bijvoorbeeld over masturberen, porno, orgasmes en relaties. Steeds wordt benadrukt dat het belangrijk is om te communiceren. Daarnaast hebben de bladen een tolerante houding ten aanzien van alle seksuele gedragingen. Dat betekent ook dat niet-heteroseksuele seksualiteiten worden besproken, terwijl tegelijkertijd heteroseksualiteit de norm blijft. Die norm wordt zichtbaar in dat romantische partners steevast mannen zijn.

Soa’s en zwangerschappen dienen vermeden te worden en de verantwoordelijkheid daarvan wordt bij beide partners gelegd. Ook gevoelens komen ter sprake: je vies voelen na/over seks, spanningsgevoelens (onzekerheid) en gevoelens gerelateerd aan de daad zoals liefde, plezier en sexiness. Seks gaat over intiem zijn samen en gevoelens delen.

Seksueel geweld wordt eveneens besproken. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij de daders, al was er één blad waarin overwogen werd of het meisje niet ook iets had veroorzaakt. De oplossing die de bladen bieden is: praat met iemand met autoriteit. Seksueel geweld wordt dus beschouwd als strafbaar gedrag, waarbij er weinig aandacht is voor de gevolgen van zoiets aankaarten.

3. Gegenderde perspectieven: vrouwen hebben agency, mannen zijn objecten
Deze meisjesbladen zijn overwegend geschreven vanuit het perspectief van meisjes, maar toch spreekt er soms een mannenstem. Als mannen besproken worden, worden zij geobjectificeerd met een female gaze. Artikelen beginnen zelden met belangstelling voor het karakter of de verdiensten van een man. Wanneer vrouwen besproken worden, is dat wel zo. Haar uiterlijk is dan altijd secundair in de bespreking.

Als het gaat over de sociale omgang tussen mannen en vrouwen is er meer gelijkwaardigheid. Zo wordt bijvoorbeeld gesteld dat ook mannen zenuwachtig zijn voor een date. Er is een nadruk op open communicatie. Toch zitten er nog steeds traditionele denkbeelden in de bladen, zoals de boodschap dat mannen het voortouw moeten nemen in een relatie en dat vrouwen verantwoordelijk zijn voor de emotionele kant (verras je partner, houd je emoties onder controle en let op de zijne – nooit een vakantie boeken als hij chagrijnig is!).

Mannen worden soms om hun mening gevraagd, waarbij het meestal gaat om relaties of het vrouwelijk lichaam. In deze artikelen worden vrouwen wél geobjectificeerd.

4. Vrouwelijke empowerment
De vrouwelijke lezer wordt aangemoedigd om onafhankelijk en ambitieus te zijn, in zichzelf te geloven, gedisciplineerd te zijn, hard te werken en keuzes te maken die goed voor haar zijn. Er is veel aandacht voor het versterken van zelfvertrouwen en het bestrijden van onzekerheid (iedereen heeft daar last van!). Volg je dromen, wees niet bang om fouten te maken!

Daarbij merken de auteurs op dat de rolmodellen die de bladen presenteren allemaal in de entertainmentsector werken (actrices, YouTubers, modeontwerpers, modellen) en dat bij het uitblijven van succes, de schuld bij het individu zelf ligt. Er is nauwelijks aandacht voor structurele ongelijkheden in de samenleving.

5. Reflexiviteit
Tot slot benadrukken de bladen reflexiviteit, in de vorm van quizjes, horoscopen en manieren om naar je eigen gedrag of uiterlijk te kijken.

Implicaties
De auteurs concluderen dat postfeminisme een belangrijke plek inneemt in de onderzochte bladen. Met postfeminisme bedoelen zij een mengeling van feminisme en anti-feminisme. Het is een label dat mediawetenschappers op uitingen van populaire cultuur plakken, met als duidelijkste voorbeeld Bridget Jones: een vrouw die wel zelfstandig in een grote stad woont, maar geplaagd wordt door onzekerheden over uiterlijk en de liefde. Postfeminisme vermengt argumenten over keuze, onafhankelijkheid en agency met consumentarisme. Daarnaast is postfeminisme een label dat tegenstrijdigheden benadrukt:

“A complex palette of messages is communicated towards girls about what it means to be a girl or woman in contemporary society, which makes their individual processes of negotiating femininity terribly complex” (p. 36).

Dat balanceren van tegenstrijdige normen is ook een van de conclusies van mijn proefschrift naar meisjescultuur (2008). Dit inzicht sluit bovendien aan bij wat we weten uit deze lange traditie van onderzoek naar meisjes- en vrouwenbladen: die staan al heel lang bol van de tegenstrijdige boodschappen. Genderidentiteit is een ingewikkeld proces. Tijdschriften lijken je te willen helpen in het vinden van je beste ik, maar in plaats van daarin te slagen, weerspiegelen ze juist hoe ingewikkeld dat is.