Het tijdperk van sociale media is voorbij (Linda Duits)

Deze post verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Facebook staat al een paar jaar bekend als een ghost town, Twitter ligt hevig onder vuur na het aantreden van Elon Musk en TikTok groeit dagelijks ten koste van Instagram. Sociale media as we know it staan dus onder druk, een gegeven dat tien jaar geleden – toen we zwaar onder de indruk waren van de opkomst – totaal ondenkbaar leek. Is het tijdperk van sociale media al na zo’n korte periode voorbij?

Sociale netwerken versus sociale media
Ja, zegt Ian Bogost van The Atlantic. In november schreef hij een korte geschiedenis van sociale media, waarbij hij een onderscheid maakt tussen sociale netwerken en sociale media. Onder de eerste schaart hij Six Degrees (1997), Friendster (2002), MySpace (2003), LinkedIn (2003), Hi5 (2004) en Facebook (2004). Twitter (2006) noemt hij de eerste vorm van sociale media, omdat het daar niet draaide om het connecten met mensen. Eerder was de site

“a giant, asynchronous chat room for the world. Twitter was for talking to everyone”. 

Ik zelf zou dat onderscheid niet zou maken. Kenmerkend voor een sociaal netwerk is de doorzoekbaarheid van contacten: niet alleen jij ziet een lijst met je verbindingen, maar ook anderen kunnen zien wie jij kent. Al vanaf het begin van de eerste netwerken die Bogost noemt – voor Nederland hoort daar natuurlijk Hyves (2004) bij – ging het om contact met meer dan alleen bestaande kennissen.

Een ander kenmerk van sociale media boven sociale netwerken noemt Bogost de publicatiezucht:

“A social network is an idle, inactive system—a Rolodex of contacts, a notebook of sales targets, a yearbook of possible soul mates. But social media is active—hyperactive, really—spewing material across those networks instead of leaving them alone until needed.”

Maar publiceren was altijd al onderdeel van de genoemde netwerken – er was alleen nog niet zoveel content om te delen. Daarvoor was de komst van de smartphone nodig, waarmee je zowel deze platforms kon bereiken als foto’s en video’s kon maken. Het is overigens opmerkelijk dat Bogost YouTube (2005) en Tumblr (2006) niet noemt, platforms die juist sterk gericht waren op het delen van content met een community buiten de eigen kennissenkring.

Je vrienden naar de achtergrond
Toch heeft Bogost een punt als hij zegt dat connectie steeds verder op de achtergrond is geraakt. Bij TikTok (2017) gaat het niet om wie je kent*, maar om hoe goed het algoritme jou kent. Sociale netwerken/media zijn steeds meer gaan draaien om het verkrijgen van meer volgers, het idee dat je mogelijk een miljoenenpubliek kunt bereiken. Daar zit ook een negatieve kant aan:

“On social media, everyone believes that anyone to whom they have access owes them an audience: a writer who posted a take, a celebrity who announced a project, a pretty girl just trying to live her life, that anon who said something afflictive. When network connections become activated for any reason or no reason, then every connection seems worthy of traversing.”

Daar ligt de kiem van de klachten die mensen hebben over sociale media: moeten dealen met anonieme of niet-zo-anonieme gebruikers, die haat of desinformatie verspreiden en het verpesten voor de rest. Om die reden is Bogost blij met de vermeende neergang van Twitter.

Performance media
Ook Kate Lindsay van The Atlantic denkt dat het klaar is met sociale media. Zij vindt het betekenisvol dat jonge twintigers geen Instagram meer gebruiken. Ze citeert een jeugdcultuurdeskundige:

“Gen Z’s relationship with Instagram is much like millennials’ relationship with Facebook: Begrudgingly necessary. … They don’t want to be on it, but they feel it’s weird if they’re not.”

Dat klopt natuurlijk niet helemaal, al was het maar omdat millennials een heel grote leeftijdsgroep omvat, juist ook de mensen die opgroeiden met/in Facebook. Toch is het evident: de veranderingen die Instagram doorvoerde om eerst meer op Snapchat te lijken – met de invoering van stories – en daarna op concurrent TikTok – met de invoering van reels – komen krampachtig en daardoor niet-cool over.

En dat heeft gevolgen:

“Instagram may not be on its deathbed, but its transformation from cool to cringe is a sea change in the social-media universe. The platform was perhaps the most significant among an old generation of popular apps that embodied the original purpose of social media: to connect online with friends and family. Its decline is about not just a loss of relevance, but a capitulation to a new era of “performance” media, in which we create online primarily to reach people we don’t know instead of the people we do.”

Performance media dus, waarin we content maken om vreemden te bereiken. Ver weg van het idee van een digitale versie van je bestaande netwerk, en waar content centraler staat dan het sociale.

Schaalverkleining en community-focused networks
Een net wat ander perspectief op het einde van sociale media is van Caroline Sinders, die in Slate schrijft over schaalverkleining:

“What we’re seeing is not so much the death of an age as an evolution in social networks—a shift towards community-focused and -designed spaces like Mastodon, Discord, and Twitch. While social media was for 15 years or so focused on bringing your message to as many people as possible at one time, we’re heading now toward a future in which it’s about reaching a much smaller group of people with whom you already share interests, beliefs, or affinity.”

Zij ziet een verschuiving naar een focus op community en roemt platformen die daar qua technologische mogelijkheden op inspelen. Er is daar sprake van een menging van het publieke en het private:

“Posting publicly on Twitter, TikTok, YouTube, or Instagram is a lot like using a megaphone to scream to a large, massless, faceless crowd. A Discord server or a WhatsApp group is more like going to a friend’s party; I may not know everyone there, but I can get a sense of who is there and who is listening, even if the majority of attendees are strangers. I can flit from a larger group conversation to a smaller, more intimate sidebar with a certain kind of ease I can’t on a lot of other social networks.”

Ook platforms zonder deze functionaliteit bieden ruimte aan gemeenschappen – er bestaat daadwerkelijk zoiets als ‘de Nederlandse twittergemeenschap’ – en bieden vaak de mogelijkheden om met een kleinere groep privé te praten. Ook hier lijkt dus weinig nieuws onder de zon, laat staan dat een verschuiving naar Mastodon het einde zou zijn van sociale media.

Dus?
Iedere grote claim over het einde van een tijdperk moet je in twijfel trekken, tenzij we een paar decennia later zitten en de uitspraak door een historicus wordt gedaan. Desalniettemin is het opmerkelijk dat de platforms die we ooit als too big to fail zagen, wel degelijk kunnen wankelen. Dat is een wijze les voor die platforms zelf, wiens makers doorgaans gekenmerkt worden door hybris.

Ondertussen bestaat Facebook nog steeds en zal het me niets verbazen als daar straks een revival komt van hippe tieners die nostalgie voelen naar de early tens. Als er namelijk één constante is in jeugdcultuur is het de coolheid van retro.

* TikTok is dan ook geen sociaal netwerk, in de zin dat er geen sprake is van een zichtbare, doorzoekbare lijst met volgers/gevolgden.

Spaced practice werkt, maar je leerlingen doen het niet. Deze aanpak kan helpen! (gastblog Jeroen Janssen)

Deze post verscheen eerst op de blog van de vakgroep Educatie van de Universiteit Utrecht, check de hele blog om dagelijks bij te leten over onderzoek en onderwijskunde!

De effecten van spaced practice zijn goed gedocumenteerd. Toch lukt het studenten niet altijd om deze strategie te volgen: zij stellen het studeerwerk uit tot vlak voor de toets. In een recent experiment dat onlangs verscheen in Economics of Education Review beschrijven Amann en Rzepka een experiment waarbij studenten in de experimentele groep regelmatig een prompt (zie afbeelding) ontvingen om zichzelf een doel te stellen een aantal oefeningen te maken ter voorbereiding op een quiz die meetelt voor hun eindcijfer. De resultaten laten zien dat het regelmatig aanbieden van prompts ervoor zorgt dat studenten meer oefeningen gaan maken en meer tijd doorbrengen in de elektronische leeromgeving van de cursus. Dit heeft als resultaat dat studenten in de experimentele groep ook hogere tentamencijfers halen.

Het abstract

Previous literature has shown that task-based goal-setting and distributed learning is beneficial to university-level course performance. We investigate the effects of making these insights salient to students by sending out goal-setting prompts in a blended learning environment with bi-weekly quizzes. The randomized field experiment in a large mandatory economics course shows promising results: the treated students outperform the control group. They are 18.8% (0.20 SD) more likely to pass the exam and earn 6.7% (0.19 SD) more points on the exam. While we cannot causally disentangle the effects of goal-setting from the prompt sent, we observe that treated students use the online learning platform earlier in the semester and attempt more online exercises compared to the control group. The heterogeneity analysis suggests that higher treatment effects are associated with low performance at the beginning of the course.

Leerlingen onderschatten de effectiviteit van retrieval practice, of toch niet? (Gastblog)

Deze blogpost van Jeroen Janssen verscheen eerst op de blog van onze vakgroep Educatie van de Universiteit van Utrecht. Check de vele boeiende posts hier!

Onderzoek naar retrieval practice (studeren met behulp van bijvoorbeeld flashcard) heeft met grote regelmaat laten zien dat deze leerstrategie erg effectief is. Toch kiezen leerlingen tijdens het studeren vaak voor mindere effectieve leerstrategieën, zoals herlezen. Een mogelijke verklaring is dat leerlingen de effectiviteit van leerstrategieën als herlezen overschatten en de effectiviteit van retrieval practice onderschatten. Leerlingen lijken een voorkeur te hebben voor minder effectieve leerstrategieën. Dit soort studies maakt gebruik van judgments of learning (JOLs). Dit zijn metacognitieve oordelen over het leren die worden gemaakt door leerlingen. Ze geven aan hoe zeker de leerling is van de informatie die ze hebben geleerd en hoe effectief ze denken dat hun leerstrategieën zijn. JOLs zijn belangrijk omdat ze kunnen voorspellen hoe goed leerlingen zullen presteren op toekomstige toetsen en omdat ze kunnen helpen om leerlingen te leren welke leerstrategieën het meest effectief zijn.

In een recente studie in Learning and Instruction plaatsen Weissgerber en Rummer vraagtekens bij de opvatting dat lagere metacognitieve oordelen over testen ten opzichte van herlezen betekenen dat leerlingen een voorkeur hebben voor een ineffectieve activiteit. Ze beargumenteren dat deze oordelen over retrieval practice beïnvloed worden door de negatieve feedback die leerlingen krijgen tijdens het zelftesten bij retrieval practice. In drie gepreregistreerde experimenten bleek dat de feedback van testen de metacognitieve oordelen over het leren beïnvloedt. Door de feedback te elimineren en de studenten te vragen om na te denken over leren met herlezen/testen na het lezen van een tekst, bleek dat er geen verschil was tussen herlezen en testen. Dit laat zien dat metacognitieve oordelen over het leren door te herlezen en door te testen beter overeenkomen met de werkelijke leerresultaten dan eerder onderzoek suggereerde.
Het abstract
We doubt the prevailing interpretation of lower Judgments of Learning (JOLs) for testing over rereading to reflect learners’ favoritism of an ineffective activity. We argue that JOLs for testing are biased due to a negative feedback effect. In three preregistered experiments (Nfinal = 306), we eliminated the feedback effect by asking students to only imagine learning with the described activities (rereading/testing) after reading a text and by capturing offline-JOLs (off-JOLs = being decoupled from the current learning experience) as a function of an imaginary final test delay (5 min/1 week/2 weeks). In 5-min conditions, off-JOLs consistently reflected no differences between rereading and testing; in 1-week and 2-week conditions, two (of three) experiments demonstrated an advantage of testing over rereading. These results are consistent with actual learning outcomes in an experiment using the same text and activities (Rummer et al., 2017, Exp. 1). Learners’ metacognitive judgments resembled actual learning outcomes more accurately than suggested by previous research.

Onderzoek onder tweelingen wijst uit: onderwijs kan ongelijkheid verkleinen (Jeroen Janssen)

Misschien merkte je al dat de blog van onze vakgroep in Utrecht ook zeer actief is met dagelijks posts over recent onderwijsonderzoek. Check de blog hier. Jeroen schreef zo ook recent deze post:

Utrechtse collega Kim Stienstra (@kimstienstra) deelde onlangs de resultaten van haar meest recente studie.

Verminderen scholen de sociale ongelijkheid in onderwijsprestaties en fungeren zij als “de grote gelijkmaker”? Of reproduceren of versterken ze de ongelijkheden juist? Deze vraag staat centraal in een nieuwe studie van de Utrechtse en Amsterdamse onderzoekers Stienstra, Knigge, Maas, De Zeeuw en Boomsma. Zij onderzoeken dit door specifiek de onderwijsprestaties van tweelingen te onderzoeken. Doordat sommige tweelingen bij elkaar in de klas zitten en andere niet, kunnen de auteurs vier bronnen uit elkaar halen die bijdragen aan verschillen in prestaties: genetisch, gedeelde omgeving, niet-gedeelde omgeving en klassikale invloeden. De resultaten laten zien dat gemiddeld 2,1 procent van de variantie in onderwijsprestaties van Nederlandse basisschoolleerlingen is toe te schrijven aan klassikale invloeden. Onder klassikale invloeden vallen bijvoorbeeld de kwaliteit van leerkracht, de grootte van de klas, de beschikbare hulpmiddelen in de klas en het klassenklimaat. 2,1 procent lijkt misschien weinig, maar de auteurs merken terecht op dat 68% van de onderwijsprestaties in deze studie wordt verklaard door genetische factoren en dus slechts 32% door omgevingsfactoren. In verhouding wordt 12% van de variantie van deze omgevingsfactoren door klassikale invloeden verklaard. Klassikale invloeden blijken groter wanneer het opleidingsniveau van ouders lager is. Dit laat zien dat onderwijs tot op zekere hoogte een compenserend effect heeft.

 

Het abstract

We investigate the influence of the classroom environment on educational performance and its dependency on parental socio-economic status (SES). The classroom environment can have a compensatory effect and decrease educational inequality, in which case the classroom context is more important for children originating from lower SES families. Alternatively, there can be an amplifying effect, in which case the classroom environment is more important for high-SES children. This would increase educational inequality. We investigate the two alternatives by applying a twin design to data from 4,216 twin pairs from the Netherlands Twin Register (birth cohorts 1991–2002). Some twin pairs share a classroom and other twins from the same pair are in different classrooms. We use this fact to decompose the variance in educational performance at the end of primary school into four components: genetic variance, classroom variance, shared environmental variance, and non-shared environmental variance. We find that of the total variance in educational performance, only a small part (2 per cent) can be attributed to differences between classrooms within schools. The influence of the classroom was larger when the level of parental SES was lower (up to 7.7 per cent) indicating a compensatory effect.

Make up your mind: Tweede meta-analyse laat sterker effect mindset interventies zien (Jeroen Janssen)

Eerder deze week deelde ik hier de blogpost van Jeroen Janssen over de meta-analyse over Growth mindset. Deze tweede post moet ik ook wel delen voor de volledigheid!

Nog maar kort geleden verscheen er in Psychological Bulletin een meta-analyse over de effecten van mindset interventies op leerprestaties. Deze meta-analyse vond een klein effect van zulke interventies op leerprestaties en liet zien dat de gerapporteerde effecten groter waren wanneer auteurs zelf betrokken waren bij mindset interventies.

Nu is er vrijwel gelijktijdig een tweede meta-analyse verschenen in hetzelfde tijdschrift. Opvallend is dat de onderzoekers onder leiding van Jeni Burnette wel een positief effect van mindset interventies rapporteren.

Het abstract

As growth mindset interventions increase in scope and popularity, scientists and policymakers are asking: Are these interventions effective? To answer this question properly, the field needs to understand the meaningful heterogeneity in effects. In the present systematic review and meta-analysis, we focused on two key moderators with adequate data to test: Subsamples expected to benefit most and implementation fidelity. We also specified a process model that can be generative for theory. We included articles published between 2002 (first mindset intervention) through the end of 2020 that reported an effect for a growth mindset intervention, used a randomized design, and featured at least one of the qualifying outcomes. Our search yielded 53 independent samples testing distinct interventions. We reported cumulative effect sizes for multiple outcomes (i.e., mindsets, motivation, behavior, end results), with a focus on three primary end results (i.e., improved academic achievement, mental health, or social functioning). Multilevel metaregression analyses with targeted subsamples and high fidelity for academic achievement yielded, d = 0.14, 95% CI [.06, .22]; for mental health, d = 0.32, 95% CI [.10, .54]. Results highlighted the extensive variation in effects to be expected from future interventions. Namely, 95% prediction intervals for focal effects ranged from −0.08 to 0.35 for academic achievement and from 0.07 to 0.57 for mental health. The literature is too nascent for moderators for social functioning, but average effects are d = 0.36, 95% CI [.03, .68], 95% PI [−.50, 1.22]. We conclude with a discussion of heterogeneity and the limitations of meta-analyses.

Hoe zijn deze verschillen te verklaren? Op het eerste gezicht maken deze meta-analyses andere keuzes: de meta-analyse van Burnette et al. heeft bijvoorbeeld minder studies geïncludeerd dan de studie van Macnamara en Burgoygne. Bovendien onderzoekt de meta-analyse van Burnette et al. niet alleen de effecten van mindset interventies op leerprestaties, maar bijvoorbeeld ook op mentaal welbevinden. Deze tweede meta-analyse kijkt dus breder naar de effecten van mindset interventies dan cognitieve leeruitkomsten. Nadere lezing van beide artikelen zal ongetwijfeld nog meer technische verschillen tussen beide meta-analyses aan het licht brengen. Dat is wellicht voor een andere blogpost. Voor nu is het in ieder geval interessant om te zien dat hoewel deze meta-analyse ook een bescheiden effect van mindset interventies op leerprestaties vindt, er wel een behoorlijk effect op mentaal welbevinden wordt gevonden in deze meta-analyse.

Meta-analyse heeft forse kritiek op studies naar mindsetinterventies (Jeroen Janssen)

Deze studie werd de voorbije dagen veelvuldig gedeeld onder wetenschappers op sociale media. Mijn Utrechtse collega Jeroen Janssen schreef er deze blogpost over die met toestemming overnam van deze blog.

Volgens de mindset-theorie presteren leerlingen die een groeimindset hebben beter dan leerlingen met een fixed mindset. Leerlingen met een groeimindset geloven dat hun kwaliteiten en mogelijkheden niet vaststaan, maar dat deze kunnen verbeteren door bijvoorbeeld oefening en inzet. Deze theorie heeft geleid tot interventies voor het onderwijs waar van dit principe gebruik wordt gemaakt.

In Psychological Bulletin is onlangs een zeer kritische meta-analyse verschenen waarin de effecten van dit soort interventies zijn onderzocht. Deze meta-analyse van Macnamara en Burgoyne laat ziet dat het effect van dit soort interventies op leeruitkomsten weliswaar op het eerste gezicht significant is, maar ook zeer klein (d = 0.05). Bovendien bleek er met de methodologische kwaliteit van de studies ook van alles aan de hand. Wanneer enkel de studies van de hoogste kwaliteit geanalyseerd worden blijkt het gevonden effect nog kleiner en niet-significant. Opvallend én zorgwekkend is ook dat de auteurs constateren dat wanneer de betrokken onderzoekers een financieel belang hebben bij het rapporteren van positieve bevindingen er ook positievere resultaten gevonden worden.

Het abstract van de studie:

According to mindset theory, students who believe their personal characteristics can change—that is, those who hold a growth mindset—will achieve more than students who believe their characteristics are fixed. Proponents of the theory have developed interventions to influence students’ mindsets, claiming that these interventions lead to large gains in academic achievement. Despite their popularity, the evidence for growth mindset intervention benefits has not been systematically evaluated considering both the quantity and quality of the evidence. Here, we provide such a review by (a) evaluating empirical studies’ adherence to a set of best practices essential for drawing causal conclusions and (b) conducting three meta-analyses. When examining all studies (63 studies, N = 97,672), we found major shortcomings in study design, analysis, and reporting, and suggestions of researcher and publication bias: Authors with a financial incentive to report positive findings published significantly larger effects than authors without this incentive. Across all studies, we observed a small overall effect: d¯ = 0.05, 95% CI = [0.02, 0.09], which was nonsignificant after correcting for potential publication bias. No theoretically meaningful moderators were significant. When examining only studies demonstrating the intervention influenced students’ mindsets as intended (13 studies, N = 18,355), the effect was nonsignificant: d¯ = 0.04, 95% CI = [−0.01, 0.10]. When examining the highest-quality evidence (6 studies, N = 13,571), the effect was nonsignificant: d¯ = 0.02, 95% CI = [−0.06, 0.10]. We conclude that apparent effects of growth mindset interventions on academic achievement are likely attributable to inadequate study design, reporting flaws, and bias.

Hoe rockmuzikanten nog steeds gezien worden als wit en man (Linda Duits)

Deze post verscheen eerder op dieponderzoek.nl.

Judas Priestess is een Judas Priest tributeband, bestaand uit alleen vrouwen met een zwarte leadzangeres, Militia Vox. Toen sociologen Julian Schaap en Pauwke Berkes een foto van de groep voorlegden aan respondenten kregen ze reacties als “I think this could be a soul-lady who was in some kind of a metal-period”. Het illustreert hoe metalmuziek nog steeds wordt gezien als domein van witte mannen. In een recent gepubliceerde studie [open access] bespreken Schaap en Berkes de rol van gender en kleur in de manieren waarop metalfans artiesten classificeren.

Classificatiestijlen zijn “terugkerende classificatiepatronen gebaseerd op gedeelde ideeën over wat gezien wordt als ‘goede’ culturele inhoud” (p. 601). De vraag naar de ‘goedheid’ van iets hangt samen met genre. En muziekgenres hangen deels samen met ras en etniciteit: bepaalde genres zijn onder bepaalde groepen populair en hebben vaak artiesten afkomstig uit die groep. Rock is van oorsprong een zwart genre, maar Elvis heeft de muzieksoort in de jaren 50 ‘verwit’ en nu geldt het als een overwegend wit genre. Daarnaast wordt het door mannen gedomineerd.

Methode
De onderzoekers maakten gebruik van Q methodology om de classificatiestijlen van de respondenten te achterhalen. Respondenten krijgen bij deze methode een pak (ook wel concours genoemd) voorgelegd met 30-60 beelden die horen bij een bepaald framework – in dit geval 40 beelden van rockmuzikanten. Vervolgens moeten ze deze beelden op volgorde leggen, hier: hoe ‘rock’ vind je deze artiest? Tijdens het sorteren worden ze gevraagd hardop na te denken over waarom ze deze indeling maken. Na het sorteren volgen diepte-interviews.

De beelden uit dit onderzoek waren gekozen op basis van verschillende criteria: wit/niet-wit, man/vrouw; tijdsperiode; bekendheid/obscuriteit; en positionering in het beeld (tijdens een live-performance). Alle beelden zijn desaturated en op dezelfde manier bijgesneden.

De respondenten waren 27 mensen die regelmatig rockconcerten bezoeken in Rotterdam en Atlanta (VS). Ze werden geworven tijdens rockconcerten, waarbij gezocht werd naar variatie in wit/niet-wit, gender en opleidingsniveau.

Resultaten
Uit analyse van het materiaal spraken vier classificatiestijlen. De eerste, diversiteit doen, laat zien dat deze respondenten zich bewust zijn van gender en etnische diversiteit, en dit ook bespreken. Ze hebben een feministische blik en zijn niet kleurenblind. Ze zijn ook historisch bewust en geven de voorkeur aan Chuck Berry en Big Mama Thornton boven Elvis Presley en Wanda Jackson.

De tweede stijl, de hegemonie behouden, bevat respondenten die de voorkeur geven aan witte, mannelijke artiesten. Daarbij zeggen ze dat kleur niet belangrijk is en het ‘gewoon’ gaat om hoe goed iemand is. In hun sorteerpraktijken zijn commercialiteit en canonisatie belangrijk. Ook historisch werkt dit door: Elvis bovenaan want “he’s just a legend”. Deze respondenten houden van grote producties, van bombastische rock.

Mannelijkheid bewaken, de derde stijl, legt de nadruk op mannelijkheid. Er wordt lippendienst bewezen aan vrouwelijke artiesten, maar mannen hebben duidelijk de voorkeur in zowel het sorteren als in de toelichting. Hier zien de onderzoekers dezelfde kleurenblindheid als bij de tweede stijl. Een kenmerkend citaat:

“You have to be able to show yourself. And in general, I think that men open up more easily or are less afraid to do so. I often have the idea that women are more insecure to really reveal themselves. (…) It’s something wild and it has something to do with yelling, drinking a lot.”

De laatste stijl, conventies leren, verwijst naar atypische restgroep respondenten (allemaal vrouw en jong). Ze waarderen de geschiedenis van rockmuziek minder, en wijzen op andere aspecten zoals de leeftijd, aantrekkelijkheid en outfits van de artiesten. Deze respondenten zijn de genrekenmerken nog aan het leren.

Implicaties
Het onderzoek laat zien hoe culturele kennis bepaalde consumptiekeuzes stuurt, op een impliciet en – in de woorden van de Schaap en Berkes – pre-reflexive en non-declarative niveau. Dit soort overwegingen dragen bij aan het in stand houden van sociale ongelijkheden. Het onderzoek toont een ogenschijnlijke paradox van egalitaire, inclusieve opvattingen en acceptatie van de status-quo.

De onderzoekers besluiten: “So is it skin colour? It probably is”, wat een andere manier is van zeggen dat dit een vorm van racisme is. De gesignaleerde paradox doet denken aan de paradox rond homo-acceptatie in Nederland: antihomogeweld gaat samen met een hoge ‘acceptatie’-graad van homoseksualiteit (zie dit onderzoek van Buijs, Hekma en Duyvendak). Het lijkt alsof de respondenten goed weten dat je niet seksistisch en racistisch hoort te zijn, maar dat weerhoudt ze niet van zulke opvattingen.

Beeld: promofoto Judas Priestess. 

Zo ziet werken in de metaverse eruit (maar wie heeft er zin in?) (Linda Duits)

Deze blogpost verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Hybride werken is sinds de coronapandemie gemeengoed geworden. Videobellen is niet prettig, maar online vergaderen is in sommige gevallen gewoon efficiënter, zeker als de gewenste deelnemers zich in verschillende landen bevinden. Microsoft en Meta zien daarom grote kansen voor bedrijven in hun metaverse. In de virtuele wereld kunnen werknemers elkaar ontmoeten op een meer ‘immersieve’ manier.

Het ‘mixed’-reality platform van Microsoft heet Mesh. Je kunt daar jezelf als hologram laten verschijnen, waardoor interactie echt voelt alsof je er bent, belooft de website. Die van Meta heet Horizon Workrooms en daar word je onder andere spatial audio beloofd, wat inhoudt dat je hoort uit welke richting iemand praat. Voor beide platforms geldt dat ze toegankelijk zijn via een gewone computer, maar dat je voor de volledige VR-ervaring wel een VR-bril nodig hebt.

Mesh

Dat laatste is niet nodig voor SoWork, een online omgeving waar mensen hun avatars kunnen laten samenwerken. De wereld ziet er heel game-achtig uit, wat niet ontoevallig is omdat de bedenkers elkaar kennen uit World of Warcraft. In die game werken spelers natuurlijk ook samen. SoWork ziet zichzelf als een “massively multiplayer, social, online workplace ..  to power the new world of work”. Ze leggen sterk de nadruk op goed werken op afstand is voor het milieu. Handig: teams van minder dan tien mensen mogen gratis.

SoWork

Ook in de fysieke wereld zijn er innovaties. Tonari maakt een soort deuren tussen kantoren: grote interactieve schermen die tegen een muur staan. Daardoor lijkt het alsof de mensen op het scherm, die je op ware grote ziet, bij jou in de kamer zijn. Het ziet er heel tof uit, check vooral ook de website.

Tonari

Als je deze bedrijven moet geloven wordt het geweldig leuk om te werken in de metaverse. Maar zitten mensen daar ook echt op te wachten? Op The Verge verscheen onlangs een artikel over het gebrek aan animo onder werknemers van – of all places – Meta. Iemand lekte memo’s aan The Verge waaruit zou blijken dat zelfs het team dat Horizon aan het bouwen is, de virtuele wereld niet gebruikt. Uit de memo’s:

“Everyone in this organization should make it their mission to fall in love with Horizon Worlds. You can’t do that without using it. Get in there. Organize times to do it with your colleagues or friends, in both internal builds but also the public build so you can interact with our community”.

Managers worden nu verplicht hun teams minimaal eens per week te laten samenkomen in Horizon.

Hoe jongeren tijd beleefden tijdens corona (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

De coronaperiode – om hem zo maar even te noemen – is voor veel mensen een blur. Mede dankzij een gebrek aan rituele markeringen, zoals het vieren van verjaar- en feestdagen, is het lastig je te herinneren wat er ook alweer gebeurde tijdens welke lockdown. Daarnaast hebben veel levens op pauze gestaan, in de ontwikkeling van relaties en vriendschappen bijvoorbeeld. Vooral voor jonge mensen was dat aangrijpend.

Methode
Een recente studie [open access] brengt tieners’ belevenis van tijd tijdens de eerste lockdown in kaart. Jongerenonderzoeker Ann-Charlotte Palmgren analyseerde de openbare dagboeken van 34 Fins-Zweedse jongeren tussen de 13 en 16 jaar, toentertijd gepubliceerd in een landelijke krant.

Beleving van tijd, stelt Palmgren, is relevant om te bestuderen omdat het de voorwaarden schept waaronder jongeren leven. Ze voerde een discoursanalyse uit op het bestaande materiaal, zonder aanvullende interviews.

De klok en structuur
Een schooldag is temporeel gestructureerd, lessen beginnen op standaardtijden en een dag is opgedeeld door pauzes. De structuur van school viel nu weg: vijf minuten voor de eerste les opstaan was geen probleem als je alleen van bed naar bureau hoeft. De leerlingen markeerden hun ‘schooltijden’ met kloktijden (‘zo laat deed ik biologie’).

Daarbij viel op dat de jongeren nauwelijks pauze hadden tussen de online lessen door. Ook viel op dat ze bij het bespreken van hun vrije tijd, dus na de lessen, zelden verwezen naar kloktijd, maar vagere aanduidingen schreven als ‘de rest van de middag’. Palmgren stelt daarom: “Time outside of learning seldom consist of clock time”.

Normaliteit en de toekomst
We delen tijd op werk- en weekenddagen, maanden en seizoenen. Die werden anders beleefd tijdens de lockdown: “Again, a day during the corona pandemic, but it is nevertheless Friday”, schreef een van de leerlingen. Veel leerlingen probeerden een dagelijkse routine te onderhouden, bijvoorbeeld door iedere dag op hetzelfde tijdstip te gaan sporten. Die routines droegen bij aan een gevoel van normaliteit tijdens “completely unthinkable situations”.

Uit veel fragmenten spreekt hoop en verlangen voor en naar een betere toekomst: dat de scholen weer open gaan, dat vrienden weer gezien kunnen worden. Die toekomst is echter ook een verlangen naar vroeger: naar dat het weer wordt zoals voor corona, naar dat het weer normaal wordt. Dat is bijzonder voor tieners, die normaal gesproken vooral gericht zijn op de toekomst. Maar de ongekende toekomst is ongewenst, terwijl het gekende verleden troost biedt.

Ritme en stilstand
De coronatijd was een periode die gezien kan worden als zowel versnellend en vertragend in vergelijking met de periode daarvoor. De leerlingen ervaarden steeds op dezelfde plek zijn (thuis) als traag en saai. In Finland werd iedereen, vooral in die eerste periode, aangespoord niet te luieren. De leerlingen maken (mede) daarom melding van het leren van recepten, het proberen van nieuwe hobby’s, het vinden van nieuwe wandelroutes. Ook gaven ze aan geen tijd te verspillen omdat ze quality-time doorbrachten met hun familie.

Er was minder druk, terwijl ze tegelijk er ook het meeste van maakten: “It was a stunning and calm day, at the same time as I felt productive”. Traagheid werd ook gewaardeerd, het gevoel dat de tijd stil stond kan ook positief zijn: “I think that corona ‘stopped time’. I have had time for small things that I usually do not have time for in pacey everyday life”. Eindelijk viel het ritme van zo’n individu samen met het ritme van de samenleving.

Implicaties
De tijdsbeleving van deze tieners was dus complex. Palmgren schreef dit artikel een jaar later dan de eerste lockdown, dus terwijl de coronaperiode met af en aan lockdowns nog voortduurde. Toen weer eruit kwamen, of leken te komen, werden we opnieuw in een crisis gestort: de aanval van Rusland op Oekraïne. Daarnaast zijn bestaande crises urgenter geworden. In Nederland is dat naast klimaat en inflatie ook nog eens wonen en asiel. De ongekende toekomst blijft dus ongewenst, en dat is geen prettige omstandigheid als toekomstgerichte tiener.

Deze week werd uit een peiling van EenVandaag duidelijk dat de mentale gezondheid van Nederlandse jongeren sinds corona nauwelijks verbeterd is. Al deze crises vallen hen zwaar. Uit de open antwoorden spreekt onzekerheid over de toekomst, die zich uit in stress en somberheid: “het alsof er geen toekomst meer is, alsof de wereld binnenkort kapotgaat” schreef een van hen. Dat geeft een relevantie aan deze Finse studie: hoe jongeren de tijd beleven, lijkt van directe invloed op hun gesteldheid. Het geeft ook aan dat betere geestelijke gezondheidszorg alleen de mentale problemen niet kan wegnemen.

Beeld gemaakt met DALL-E: “a sad teenager next to a broken clock with a thunderstorm outside his house”

Hierover praten Nederlandstalige extreemrechtse complotdenkers op Telegram (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Waar platformen als Twitter en Facebook meer zijn gaan modereren, gaat Telegram juist prat op gebrek aan moderatie. Daardoor is Telegram een toevluchtsoord geworden voor radicaalrechtse figuren en complotdenkers. Een groep onderzoekers bracht het Nederlandstalige netwerk in kaart in een recente studie [open access]. Hun onderzoek laat zien dat het aantal openbare kanalen sterk gegroeid is en dat extreemrechtse kanalen internationale complottheorieën zoals QAnon en The Great Reset verspreiden.

Methode
Om relevante kanalen te vinden, pasten de onderzoekers de sneeuwbalmethode toe, dus ze keken welke kanalen genoemd werden in een kanaal, om vervolgens die kanalen weer te onderzoeken.  Ze begonnen dit proces vanuit een lijst met zo’n vijftig kanalen opgesteld door deskundigen. Uiteindelijk kwamen ze tot 215 openbare kanalen, met in totaal 371.951 berichten. Dat zijn originele berichten in het Nederlands, doorgestuurde berichten in het Engels en vertalingen van Engelstalige content. Het gaat om de periode maart 2017 – juli 2021.

Het materiaal is onderworpen aan een netwerkanalyse (de namen van de kanalen zijn daarbij geanonimiseerd). Daarnaast zijn is op de berichten een inductieve thematische analyse uitgevoerd. Om die nader te contextualiseren is een aantal berichten onderworpen aan een close reading.

Resultaten
Het aantal kanalen steeg tussen juni 2020 en juli 2021 dramatisch van 334 naar 4354. Dat heeft alles te maken met weerstaand tegen coronamaatregelelen en het ‘deplatformiseren’ van bepaalde radicaal-rechtse personen op bijvoorbeeld Twitter. Het soort berichten in deze kanalen is divers: sommige bevatten nauwelijks doorgestuurde berichten, andere bijna alleen maar. Sommige kanalen presenteren zichzelf als nieuwskanalen, sommige zijn gewijd aan ‘Telegram influencers’ en microcelebrities.

De onderzoekers zagen zeven ‘narratieve categorieën’ in de data. Het meest aanwezig is de categorie coronavirus-complottheorieën (67.056 berichten). Het centrale verhaal is dat de overheid met voorbedachte rade individuele vrijheid onderdrukt. Een deel daarvan wijdt die voorbedachte rade aan ‘globalisten’ of Joodse elites. Veel berichten gaan over wie voor een nieuwe versie van de Nürnberg-processen zal moeten verschijnen.

QAnon is een aparte categorie (9.197 berichten). Het gaat merendeels om doorgestuurd (vertaald) Engelstalig materiaal met QAnon-terminologie. Soms worden QAnon narratieven locaal gemaakt, bijvoorbeeld in de theorie dat Jaap van Dissel ritueel mensen heeft misbruikt in Bodegraven in de jaren 80. Een kleinere subset is gewijd aan The Great Reset (4.023), waarin gesteld wordt door corona een hoax is van de WEF om de New World Order te vestigen die mensen zal veranderen in communistische drone-arbeiders.

De vierde groep is racisme en wit slachtofferschap (7.499 berichten), waaronder ook antisemitisme en islamofobie vallen. Wit slachtofferschap betekent dat mensen zichzelf als slachtoffer zien van politieke correctheid en positieve discriminatie, en zichzelf en hun cultuur als onder druk beschouwen. Een voorbeeld hiervan is het ‘verzet’ voor het behoud van Zwarte Piet. Ook het idee van de ‘Great Replacement’ valt in deze categorie.

Anti-woke narratieven (10.428 berichten) zitten in berichten waarin emancipatoire sociale bewegingen worden afgewezen. ‘Woke’ en ‘wokeness’ worden gebruikt als beledigingen. Daarbij worden bewegingen als Black Lives Matter gekoppeld aan complottheorieën over Joodse elites.

Een van de grootste categorieën is anti-establishment narratieven (45.483 berichten). Hier keren posters zich tegen gevestigde instituties als de media, universiteiten en bedrijven. Het gaat daarbij ook om opmerkingen over liegende media en nepnieuws.

Tot slot: anti-overheid narratieven (53.443 berichten). Het gaat om berichten waarin wantrouwen naar de Belgische en Nederlandse overheden wordt uitgesproken, bijvoorbeeld over coronamaatregelen. Zulke antidemocratische uitingen functioneren volgens de onderzoekers als een brug naar extreemrechts.

Implicaties
In een interview met Bureau Communicatie van de UvA zegt betrokken onderzoeker Stijn Peeters dat het belangrijk is om te “weten waar de mensen die zich buiten het reguliere debat plaatsen het met elkaar over hebben”. Dat mag niet onder de radar blijven, stelt hij.

In de resultaten ontdek je gemakkelijk de ideeën die FvD uitdraagt in de Tweede Kamer en die nu ook bij de publieke omroep te horen zijn dankzij Ongehoord Nederland. Op die manier vinden deze ‘alternatieve’ geluiden zich een weg naar de mainstream – bijvoorbeeld in de nieuwsverslaggeving over zulke voorvallen.