Een OESO-rapport over kinderen, technologie en welbevinden

Als deel van een reeks met in de titel “21st century children”, deed dit nieuwe rapport me even twijfelen, maar Education in the Digital Age, is behoorlijk genuanceerd op verschillende plaatsen.

Bekijk de presentatie om de grote lijnen te vatten (of lees deze executive summary):

Ben jij verslaafd aan je telefoon? Test jezelf (Universiteit van Nederland)

Verslaafd is natuurlijk een diagnose die enkel daarvoor opgeleide professionals kunnen stellen, maar die titel klinkt beter dan: ben jij te vaak met je telefoon bezig?

 

De invloed van corona op vals spelen door en… chantage van studenten

Een vreemd verhaal ontdekt deze ochtend via een tweet van Audrey Waters. Ze leidde me naar dit Canadees artikel waarin ruwweg 2 verhaallijnen staan:

  • Nu veel universiteiten noodgedwongen online moeten gaan, neemt het vals spelen erg toe. De ironie is dat voordien er online wellicht net minder vals werd gespeeld omdat het publiek dat voor afstandsonderwijs kiest, vaker ouder is en eerder meer intrinsiek gemotiveerd om iets specifieks bij te leren.
  • Er is een hele markt ontstaan van bedrijven die geld verdienen met het bijstaan van studenten bij het liegen en bedriegen. Het zijn vaak abonnmentsformules waarbij je examenvragen kan vinden van examens of waarbij je diensten kan inroepen om je papers voor jou te laten maken.

Een van dergelijke bedrijven is Chegg, dat zijn omzet zag verdubbelen met het sluiten van de scholen. Officieel is Chegg een tutor site die je helpt met je huiswerk en zegt het bedrijf niet toe te laten dat er vals gespeeld wordt. Er staat in hun policy ook dat ze scholen en universiteiten willen bijstaan in elk integriteitsonderzoek, maar…omdat de tutoren betaald worden per vraag van een student die ze beantwoorden, blijkt de site vol met examenvragen en bijhorende antwoorden te staan.

Dit alles wist ik eerlijk gezegd al, ik schreef er al eerder over op deze blog, maar er staat nog een laatste twist in het artikel dat alles nogal wat donkerder maakt. Er wordt namelijk gewag gemaakt dat studenten die van dergelijke sites gebruik maken ook wel eens een extra minder leuk neveneffect ontdekken. De websites weten vaak wie de studenten zijn én weten dat ze minstens voor een deel hun studie credits niet terecht hebben gekregen. Dit wil dus zeggen dat die studenten chanteerbaar zijn, waarbij er gesteld wordt dat je maar best geabonneerd blijft op hun ‘dienstverlening’ omdat anders gegevens wel eens met de universiteit zou kunnen gedeeld worden. (Zie ook deze wetenschappelijk studie).

Ik weet niet hoe wijdverspreid iets dergelijks is in ons taalgebied. Wijlen Jean-Pierre van Rossem vertelde alvast aan iedereen die het horen wilde hoe hij veel geld verdiende met het schrijven van thesissen en zelfs doctoraten voor anderen. En even googelen toont dat je wel degelijk ook hier dergelijke dienstverlening vrij makkelijk kan vinden online, al wordt er vaak doorgelinkt naar buitenlandse spelers. Sites met samenvattingen en examenvragen bestaan al langer en zijn vaak bij hogescholen en universiteiten bekend.

Voor alle duidelijkheid: veel van dit alles bestond dus al voor Corona en zelfs voor internet, maar er zijn verschillende aanwijzingen dat de problematiek nu een pak groter wordt, althans al zeker in de Engelstalige landen. De ironie is dat ik weet hoeveel instellingen voor hoger onderwijs momenteel worstelen met de veiligheid en betrouwbaarheid van online examineren, terwijl veel van wat ik hier neerpen behoorlijk ‘next level’ is…

Opvallende elementen in de eindtermen-discussie: wie is er nu voor en wie tegen comprehensief onderwijs?

Terwijl het Corona-virus verder woedt en de werkdruk bij vooral de onderwijsmensen in de tweede en derde graad is toegenomen door de maatregelen tegen het virus, wordt er stevig gebakeleid over de eindtermen die in de tweede graad moeten starten op 1 september 2021 met de uitspraak van de Raad van State vrijdag als nieuw ankerpunt. Gisteren verstuurde Katholiek Onderwijs Vlaanderen een nieuwsbrief waarin ook expliciet de link gelegd werd met de volgende eindtermdiscussie:

Het advies van de Raad van State is uiteraard ook van betekenis voor het ontwikkelproces van de nieuwe eindtermen in het basisonderwijs. In de eerste gesprekken zijn we daar immers op dezelfde moeilijkheden gestoten als bij de opmaak van de eindtermen in het secundair onderwijs.

Dit belooft voor de verdere discussie, want deze opmerking maakt duidelijk hoe hoog de inzet is en waardoor het moeilijk wordt voor de verschillende spelers rond de onderhandelingstafel om tot een vergelijk te komen.

Momenteel woedt er een hele discussie in mijn tijdlijn over de situatie waarbij er 2 te onderscheiden problemen zijn:

  • De overladenheid van het nieuwe, voorgestelde curriculum

  • De timing en vertraging die alles onmogelijk zwaar maakt:

Deze ochtend merkte ik wel iets ironisch op in de huidige gang van zaken. In Vlaanderen hebben we verschillende ‘tracks’, lees in ons geval ASO, TSO, BSO en KSO waarbij we als leerling relatief vroeg een definitieve keuze moeten maken. De meeste andere landen hebben ondertussen een meer comprenhensief systeem waarbij de keuze uitgesteld wordt. In de voorbije jaren was vooral de partij van de huidige minister tegenstander van een evolutie naar een dergelijk comprehensieve aanpak en waren vooral de netten en koepels voorstander van een brede eerste graad en uitgestelde keuze.

Als we nu naar de eindtermen discussie kijken over de overladenheid van het curriculum gaat het naast vrijheid van onderwijs, ook over het verminderen van… de specifieke vorming. Vrij vertaald: de gemeenschappelijkheid neemt toe. Hierdoor lijken we meer te evolueren naar een iets comprehensiever onderwijs georganiseerd door de overheid en dit wordt nu bestreden door een deel van de verdedigers van de uitgestelde keuze?

Het is natuurlijk zoals steeds complexer en de discussie gaat vooral over de vrijheid van onderwijs en wie bepaalt wat er in de scholen gebeurt. Dat zijn belangrijke discussies, maar ze komen nu wel echt ongelegen voor de mensen die het eigenlijke werk moeten doen. Men had in 2018 de modernisering moeten uitstellen, maar dat was terug politiek niet haalbaar een jaar voor de verkiezingen. maar het resultaat is wel dit:

Hoe ziet les geven er uit? Resultaten van een OESO-video onderzoek op basis van 700 geobserveerde leraren

Als een uitbreiding op TALIS kwam er ook deze video studie waarin 700 leraren geobserveerd werden:

What does teaching look like? What practices are most impactful? By directly observing teaching in the classroom, this study trialled new research methods to shed light on these key questions for raising student outcomes around the world. This report provides a detailed account of classroom management, social and emotional support, and instructional practices in the classrooms of eight countries and economies, drawing upon the observation of lesson videos and instructional materials, the analysis of teacher and student questionnaires, and the measurement of students’ cognitive and non-cognitive outcomes.

Het gehele rapport en meer kan je hier lezen. Het bijhorende platform vind je hier.

De onderstaande presentatie vat het rapport samen en is wellicht een feest van herkenning voor veel mensen die in het onderwijs staan. Meer nog: het is opvallend hoeveel parallellen er bestaan tussen nochtans zeer verschillende landen en regio’s.

Enkele inzichten van #TTVL respondenten over de situatie op de scholen in Vlaanderen

Het voordeel van Teacher Tapp is dat we door dezelfde vraag regelmatig te stellen aan ons panel, we een evolutie in kaart kunnen brengen.
Zo kunnen we het positieve effect van de herfstvakantie zien op het lerarentekort in scholen:

Afbeelding
We peilden ook naar de werkdruk op school en zien vooral een toename bij de tweede en derde graad:
Afbeelding

 

Zelf meedoen met Teacher Tapp (zelfde links voor Vlaanderen én Nederland):

PISA in Focus: leren kinderen in een samenwerkende of eerder in een competitieve omgeving?

Elke maand brengt de OESO een klein focus-rapport uit gebaseerd op PISA-data. Ik was dit even wat uit het oog verloren, maar dit rapport uit juli is bijvoorbeeld zeker interessant. Er wordt ingegaan op de vraag of de sfeer op school eerder samenwerkend of eerder competitief is. Dit zou onder andere een positief of negatieve invloed kunnen hebben op welbevinden, maar ook op de verschillen in resultaten tussen jongens en meisjes.

  • Student co-operation was most prevalent, relative to competition, in Austria, Croatia, the Czech Republic, Denmark, Georgia, Germany, Japan, the Netherlands and Switzerland, whereas student competition was most prevalent, relative to co-operation, in Brazil, Ireland, Korea, Malta, Morocco, Saudi Arabia, Singapore, the United Kingdom and the United States.
  • On average across OECD countries, students felt more comfortable in co-operative than in competitive learning environments.
  • A more competitive learning environment was more strongly associated with favourable non-academic outcomes amongst boys than amongst girls.
  • Students who see themselves as competitive, especially those who say they try harder when in competition with others, scored higher in reading than students who perceive themselves as less competitive.

Dit leidt tot de volgende conclusie:

Fruitful and positive learning environments promote co-operative behaviours, but also competitive ones, if only because competition can be thrilling and enjoyable, and a competitive spirit may improve academic performance. For instance, team competitions, which combine both co-operative and competitive behaviours, are exciting and rewarding for participants. However, for teamwork to function successfully, researchers have recommended meeting some conditions, such as ensuring that students acquire leadership and communication skills, making the goals of team members interdependent and establishing some kind of individual accountability. Moreover, if schools and teachers aspire to create gender-neutral learning environments, they may need to avoid excessive competition amongst students.