Voor wie nieuwe eindtermen zocht: hier zijn ze

Vandaag verscheen op de website van de Vlaamse regering de documenten bij de beslissingen die vrijdag genomen zijn, dus ook het overzicht van de mogelijke nieuwe eindtermen!

De Vlaamse Regering hecht haar principiële goedkeuring aan het voorontwerp van decreet over de onderwijsdoelen voor de eerste graad van het secundair onderwijs. Meer bepaald gaat het dan om, afzonderlijk voor de A-stroom en voor de B-stroom, 1) de eindtermen, 2) de eindtermen basisgeletterdheid en 3) de uitbreidingsdoelen Nederlands, die progressief vanaf 1 september 2019 in werking treden. Het onderwijsdoelendecreet bepaalt dat de doelen die de decreetgever vastlegt én de doelen van de onderwijsverstrekkers worden geïntegreerd in één curriculumdossier enerzijds voor de A-stroom van de eerste graad en anderzijds voor de B-stroom van de eerste graad. Het voorontwerp van decreet wordt voor advies voorgelegd aan de VLOR en aan de SERV, daarna aan de Raad van State.

Enkele kritische artikels over Silicon Valley en hun blik op de wereld, wat commentaar

De voorbije uren is er veel te doen geweest over de tweet van Elon Musk waarin hij een Britse duiker die kritiek op hem had een pedofiel noemde. Hoewel pijnlijk, is het interessanter om te kijken naar het artikel dat de directe aanleiding van de tweet was. Dit was namelijk dit opiniestuk van Zeynep Tufekci met de vraag wat Silicon Valley dan de duikers in Thailand zou kunnen leren:

The Silicon Valley model for doing things is a mix of can-do optimism, a faith that expertise in one domain can be transferred seamlessly to another and a preference for rapid, flashy, high-profile action. But what got the kids and their coach out of the cave was a different model: a slower, more methodical, more narrowly specialized approach to problems, one that has turned many risky enterprises into safe endeavors — commercial airline travel, for example, or rock climbing, both of which have extensive protocols and safety procedures that have taken years to develop.

This “safety culture” model is neither stilted nor uncreative. On the contrary, deep expertise, lengthy training and the ability to learn from experience (and to incorporate the lessons of those experiences into future practices) is a valuable form of ingenuity.

Het was niet het enige stuk dat verscheen de voorbije tijd rond de “Move fast and break things” mentaliteit in sectoren die misschien een andere benadering nodig hebben. De aanleiding was onder andere het mislukte experiment dat 600 miljoen doller kostte waarvan slechts een deel opgehoest werd door de Bill en Melinda Gates foundation maar dat wel door de filantropen aangestuurd werd. Het zorgde voor de vraag hoe deze gefortuneerde donoren ter verantwoording kunnen geroepen worden:

When foundation grants fail to achieve the objectives officials sought, philanthropists turn their backs, shrug, and walk away. Or try again. They have no responsibility to districts, individual schools, teachers, students and parents for hopes raised and dashed. Donors are beyond the reach of being fired or voted out of office. Yet as anyone knows from personal experience, admitting error is crucial to insights into a problem and, ultimately invention of better ways to solve it.

Persoonlijk heb ik wel schrik dat dit soort denken overslaat naar Vlaanderen en Nederland. Dergelijk denken zorgde er al voor dat ik vorig jaar deze post schreef. Zeker als onderwijs het minder goed doet, kan de drang om ‘onderwijs even op te lossen’ al snel ontstaan. Of beter: als het idee bestaat dat het onderwijs voor de eigen kinderen niet goed genoeg is (aka het mijn-dochter argument), kan de drang ontstaan voor iedereen het onderwijs aan te passen.

Opgelet: de voorbije jaren heb ik filantropische organisaties ontmoet die – vaak in de luwte – zeer mooi werk leveren. Maar nog maar zeer onlangs confronteerde ik een van de architecten van de Bill & Melinda Gates foundation met een van de mislukkingen waar hijzelf en Mark Zuckerberg bij betrokken waren. Hij wou het zelf geen mislukking noemen, het project had gewoon meer tijd nodig. Het is hetzelfde project dat in het stuk van Tufekci genoemd wordt en dat ondertussen 100 miljoen doller heeft gekost. Als tijd geld is, dan heeft het mijn inziens genoeg tijd gekost, maar dat is wellicht anders als je bij de rijkste mensen ter wereld hoort.

Hoe kan het beter? Een van de organisaties die het mijn inziens beter doen, zetten niet in op 1 of andere aanpak, willen zich ook niet op een bepaalde visie vastpinnen, maar steunen verschillende aanpakken zelfs vanuit verschillende visies die elk wel gebaseerd zijn op wetenschappelijke evidentie en belangrijk: eerst klein monitoren wat werkt en niet werkt in die precieze omstandigheden om te kijken waar dan in de toekomst verder op ingezet wordt en tegelijk ook monitoren of het vergroten van de schaal wel lukt. Je kan je dan nog vragen stellen bij het democratisch gehalte, maar de kans op breken is dan alvast kleiner dan de kans dat er effectief voor kinderen een verschil gemaakt wordt.

Er is iets met rituelen en executieve functies

De voorbije 2 jaar zag ik al een paar keer onderzoeken opduiken rond hoe rituelen kunnen helpen met meer zelfcontrole, en meer impulsonderdrukking, dingen die vaak tot de executieve functies gerekend worden (zie oa hier). Een nieuw onderzoek voegt hier nieuwe evidentie aan toe waarbij nietsbetekende rituelen in 6 experimenten tot meer zelfcontrole leidden.

Een voorbeeld van dergelijk ritueel:

Dit is een voorbeeld van een betekenisloos ritueel in tegenstelling met culturele rituelen zoals bijvoorbeeld bij religieuze rituelen. BPS Digest suggereert volgens mij terecht dat je wellicht ook rituelen kan bedenken die misschien zelfcontrole kunnen verminderen en dat er vooral veel extra onderzoek nodig is. Zelf denk ik dan aan verder onderzoek naar de link tussen klasrituelen, klasmanagement en leerprestaties of aan of het ritueel aspect van mindfulness misschien niet een deel van het effect af en toe kan verklaren.

Abstract van het onderzoek:

Rituals are predefined sequences of actions characterized by rigidity and repetition. We propose that enacting ritualized actions can enhance subjective feelings of self-discipline, such that rituals can be harnessed to improve behavioral self-control. We test this hypothesis in 6 experiments. A field experiment showed that engaging in a pre-eating ritual over a 5-day period helped participants reduce calorie intake (Experiment 1). Pairing a ritual with healthy eating behavior increased the likelihood of choosing healthy food in a subsequent decision (Experiment 2), and enacting a ritual before a food choice (i.e., without being integrated into the consumption process) promoted the choice of healthy food over unhealthy food (Experiments 3a and 3b). The positive effect of rituals on self-control held even when a set of ritualized gestures were not explicitly labeled as a ritual, and in other domains of behavioral self-control (i.e., prosocial decision-making; Experiments 4 and 5). Furthermore, Experiments 3a, 3b, 4, and 5 provided evidence for the psychological process underlying the effectiveness of rituals: heightened feelings of self-discipline. Finally, Experiment 5 showed that the absence of a self-control conflict eliminated the effect of rituals on behavior, demonstrating that rituals affect behavioral self-control specifically because they alter responses to self-control conflicts. We conclude by briefly describing the results of a number of additional experiments examining rituals in other self-control domains. Our body of evidence suggests that rituals can have beneficial consequences for self-control.

NRO-persbericht en onderzoek: Scholing van leraren die nieuwkomers lesgeven: hoe doen andere landen dat?

Een interessant persbericht over dito onderzoek (waarbij wij dan meer over Zweden bijleren, Vlaanderen kennen we al):

In Nederland zijn scholen en leraren niet goed voorbereid op het geven van onderwijs aan nieuwkomers, zo blijkt uit onder andere een advies van de Onderwijsraad. Daarom is in een studie van de Hogeschool Utrecht gekeken hoe Vlaanderen en Zweden het onderwijs aan deze kinderen organiseren. Vooral is onderzocht hoe zij de professionalisering van leraren hebben gerealiseerd. En of we daar in Nederland inspiratie uit kunnen halen.

“In Vlaanderen en Zweden worden nieuwkomers zo snel mogelijk in het reguliere basis- en voortgezet onderwijs opgevangen”, vertelt onderzoeker Maaike Hajer. Dat kan natuurlijk alleen als daar de voorwaarden voor aanwezig zijn. Tweede-taalleraren maken deel uit van het lerarenteam en geven leerlingen zo veel mogelijk in de klas tweede-taalonderwijs en niet in aparte groepen. In Zweden krijgen de kinderen een brede meertalige intake (dus ook in hun eigen taal) om te kijken wat zij zelf al aan kennis en vaardigheden meebrengen. Die intake is wettelijk verplicht. Om op die kennis voort te kunnen bouwen wordt begeleiding in de eigen taal ingezet. In de klas helpen klassenassistenten de nieuwkomers daarom in hun eigen taal met bepaalde vakken.  In Vlaanderen bevorderen  vervolgschoolcoaches dat leerlingen in de reguliere lessen.

Inclusief onderwijs

Het onderwijs aan meertaligen is in Zweden zo veel mogelijk inclusief en ook Vlaanderen werkt in die richting. “Meertalige kinderen worden niet gezien als een aparte groep die tijdelijk aandacht nodig heeft, maar als een ‘gewoon fenomeen’ in de klas”, zegt Hajer. “Dit betekent dat alle leraren meertaligen ondersteuning moeten kunnen bieden.” Daarnaast is een bevoegdheid verplicht om Zweeds als tweede taal te geven.

Professionaliteit van leraren

De Vlaamse en vooral Zweedse visie op nieuwkomersonderwijs vraagt nogal wat van de professionaliteit van de leraren. In Zweden is er een structureel landelijk beleid voor nieuwkomers met daaraan gekoppelde professionalisering. De initiële opleiding Zweeds als tweede taal levert sinds twee decennia bevoegde professionals af. Nascholing van hen en van overige leraren wordt verzorgd door onder andere het landelijk expertisecentrum Zweeds als Tweede Taal, de lerarenopleidingen, de gemeentelijke onderwijsbegeleidingsdiensten en commerciële aanbieders.

Voor de lerarenopleidingen in Vlaanderen zijn eindtermen geformuleerd rond diversiteit en meertaligheid. Universitaire expertisecentra verzorgen voor een belangrijk deel de nascholing. In beide landen is er een duidelijke verbinding tussen professionalisering en actueel wetenschappelijk onderzoek.

Inspiratie voor Nederland

Hajer: “In Nederland geeft de overheid geen gemeenschappelijke visie op onderwijs aan nieuwkomers en daarmee ook geen kader waar professionalisering zich op zou moeten richten. Als de overheid die rol niet op zich neemt, is het misschien aan andere sleutelspelers om een gezamenlijke visie en referentiekader voor bekwaamheden van leraren te formuleren. Sleutelspelers zijn onder andere de praktijk, lerarenopleidingen, onderwijsadviesdiensten, besturen en schoolleiders, en onderzoekers.

Diversiteit blijft

“Wat ik daarin heel belangrijk vind is dat er een verbinding komt tussen wetenschap, beleid, opleidingen en het onderwijsveld. In Zweden is er bijvoorbeeld omvangrijk nascholingsmateriaal ontwikkeld waaraan verschillende experts hebben bijgedragen. Dit is gratis beschikbaar voor iedereen die nascholing verzorgt en voor scholen die er zelf mee willen werken. Zoiets zou je hier ook kunnen doen om op die manier snel kennisuitwisseling op gang te brengen.

“We hebben een structurele visie nodig. Diversiteit blijft, dus er blijven leraren nodig  die specifieke ondersteuning kunnen bieden. En we moeten verder kijken hoe leraren met diversiteit in hun klas kunnen leren omgaan.”

Hajer, M, Kootstra, G.J. & Popta, M. van. Ruimte en Richting in professionalisering voor onderwijs aan nieuwkomers. Een verkenning van opleiding en scholing voor leraren in basis- en voortgezet onderwijs in Vlaanderen en Zweden. Hogeschool Utrecht, juni 2018.

De overzichtsstudie ‘Onderwijs aan vluchtelingen – internationale impulsen ter versterking van opzet en inhoud van de professionalisering van leraren‘ werd door het NRO gefinancierd.

Waar selecteer je in onderwijs? Over toegang tot hoger onderwijs.

Vandaag staat er in De Standaard een warm pleidooi van professor Yves T’Sjoen voor een niet-bindende toegangsproef voor wie taal- en letterkunde wil studeren. Zijn verwijzing naar studenten die nauwelijks foutloze zinnen kunnen schrijven en toch aan een taalrichting willen beginnen, maakt zijn pleidooi meer dan begrijpelijk. In dit stuk wil ik wat achtergrond geven bij een relevante, ietwat onderhuidse vraag: waar selecteer je.

Als we het over selectie hebben in onderwijsdiscussies, denken we hier vaak aan een brede eerste graad. Maar die selectie maken we later in de opleiding van onze kinderen voor een stuk ongedaan. In Vlaanderen hebben we namelijk een vrij uniek systeem waarbij bijna iedereen naar gelijk welke richting in het hoger onderwijs kan gaan. We hebben wel toelatingsexamens voor arts en tandarts en binnenkort kan je niet meer na elk zevende jaar in het beroepsonderwijs richting universiteit, maar in feite gebeurt de selectie niet in het middelbaar onderwijs.

Vergelijk dat met bijvoorbeeld Zuid-Korea waar er op het einde van het secundair onderwijs centrale eindexamens zijn die bepalen of je al dan niet naar de universiteit mag. Ben je bij de beste van de allerbeste, dan maak je kans op een plaatsje in een van de drie topuniversiteiten en is je broodje gebakken. Je zal makkelijk door je universitaire studies komen en je bent binnen voor de rest van je leven. Die eindexamens zijn dus vaak echt allesbepalend waardoor de druk immens kan zijn.

Het is een zeer extreme vorm van selecteren in het middelbaar onderwijs die we in de meeste landen in meer of mindere mate tegenkomen. Het kan zo ook zijn dat je voor bepaalde vakken examen moet afgelegd hebben om aan bepaalde richtingen te studeren.

Beide systemen hebben voor- en nadelen die vaak elkaars spiegelbeeld zijn. Het grote voordeel van ons systeem is dat je aan iedereen kansen geeft en een keuze uitstelt. Het grote nadeel aan ons systeem is dat het aantal niet-geslaagden in een eerste jaar hoger onderwijs vaak zeer groot is en dat dit gepaard gaat met heel veel werkdruk voor docenten, administraties, enz. Ooit hoorde ik het omschrijven als een samenkomen van een Romaans en Angelsaksisch model. Het Romaanse zit hem in de grote toegang, het Angelsaksische zit hem in de drang naar excellentie. De cocktail samen kan moordend zijn.

Een nadeel van centrale eindexamens kan de enorme bijlesindustrie zijn die in de meeste Aziatische landen bestaat, terwijl Vlaanderen volgens de meest recente OESO-data zowat de kleinste bijlesindustrie heeft.

Mocht je van mij nu een aanbeveling in een of andere richting verwachten, moet ik je teleurstellen. Ik beken: ik ben relatief blij met ons systeem, maar voel wel hoe het al meer dan een tijdje kraakt in al zijn voegen. En de mensen die het andere model voorstaan, hebben zeer goede argumenten. Elk voordeel heeft zijn nadeel zei de grote Nederlands filosoof Cruyff. Maar het is wel belangrijk dat we beseffen wat de gevolgen van onze keuzes zijn.

Kantoortuinen zorgen voor net minder menselijk contact

De laatste tijd krijgen kantoortuinen het erg te verduren. We zouden er minder geconcentreerd zijn en we zouden ze gewoon niet fijn vinden. Maar het is natuurlijk goed voor menselijke interactie?

Wel, terwijl dit vaak het argument is, blijkt dit niet per se het geval. Nieuw onderzoek toont dat men net eerder gaat mailen en berichtjes gaat sturen dan met elkaar babbelen. Bij de 52 proefpersonen die gevolgd werden, daalde net de menselijke interactie met ongeveer 70%.

Nu, een steekproef van 52 is niet echt groot, maar het is een belangrijke nieuw element in een ontwikkelend verhaal.

Abstract van het onderzoek:

Organizations’ pursuit of increased workplace collaboration has led managers to transform traditional office spaces into ‘open’, transparency-enhancing architectures with fewer walls, doors and other spatial boundaries, yet there is scant direct empirical research on how human interaction patterns change as a result of these architectural changes. In two intervention-based field studies of corporate headquarters transitioning to more open office spaces, we empirically examined—using digital data from advanced wearable devices and from electronic communication servers—the effect of open office architectures on employees’ face-to-face, email and instant messaging (IM) interaction patterns. Contrary to common belief, the volume of face-to-face interaction decreased significantly (approx. 70%) in both cases, with an associated increase in electronic interaction. In short, rather than prompting increasingly vibrant face-to-face collaboration, open architecture appeared to trigger a natural human response to socially withdraw from officemates and interact instead over email and IM. This is the first study to empirically measure both face-to-face and electronic interaction before and after the adoption of open office architecture. The results inform our understanding of the impact on human behaviour of workspaces that trend towards fewer spatial boundaries.