Jonge kinderen leren ontzettend veel door imitatie, het nadoen van anderen. Dit helpt bij het leren spreken, eten met bestek (al kunnen ze dit soms ook afleren đ ), naar een bal trappen of een veter te strikken. De combinatie van kijken en zelf proberen is sterk. Maar daarnaast weten we al lang dat jonge kinderen ook gevoelig zijn voor statistische patronen. Als een bepaalde klank of gebeurtenis vaak samen voorkomt met een andere, pikken kinderen die regelmaat verrassend snel op. De vraag is nu: is dat het hele verhaal?
Een nieuwe studie in Nature Communications suggereert van niet en is dan ook de reden van deze blogpost. Volgens Benjamin Pitt en collega’s doen kinderen iets dat nog een stap verder gaat. Ze proberen namelijk ook de onderliggende regel achter een patroon te ontdekken. Dus ze zoeken niet alleen naar wat er gebeurt, maar ook naar waarom een patroon precies zo is opgebouwd.
Het is intussen bijna een vanzelfsprekendheid geworden met social-media bans die steeds populairder worden bij politici. Jongeren brengen steeds meer tijd door op sociale media. De mentale gezondheid lijkt onder druk te staan. Dus zal het ene wel de oorzaak zijn van het andere. De afgelopen jaren verschenen dan ook heel wat studies die een verband suggereerden tussen meer sociale media en meer depressieve of angstklachten. Maar⊠wat blijft daar eigenlijk van over als je jongeren niet enkele maanden, maar vijf jaar volgt?
Een vorige zomer redde me van een blunder op deze blog. Ik zag een meta-analyse passeren over AI en bewaarde die om over te bloggen, maar tegen dat ik terug begon, bleek de studie nogal te rammelen. Ondanks dat ze in een toptijdschrift was verschenen, bleken de onderliggende studies en de journals waarin ze verschenen waren dit veel minder van kwaliteit te zijn (en dat was een understatement). Het werd een rode draad vorig schooljaar: er verschijnt veel onderzoek naar AI, maar de kwaliteit is behelpen. Dat bleek uit een rapport van Stanford, en dat kende een triest dieptepunt met de terugtrekking van een veel besproken meta-analyse. En nu kwam er deze zomer een nieuwe meta-analyse. Is die dan beter terwijl het onderzoek dat vaak nog steeds niet is?
De evidentie voor buiten avontuurlijk leren in relatie tot leerprestaties is zeer zwak. De weinige bestaande onderzoeken laten weliswaar positieve effecten zien, maar vanwege de beperkte hoeveelheid bewijs vermelden we geen gemiddeld effect.
Handig dus dat er een nieuwe uitgebreide studie is die kijkt naar wat het echte effect is als kinderen enthousiast terugkomen van een projectweek, bosklas of een ander soort outdoorprogramma. Blijft daar iets van over zodra de gewone lessen op maandagmorgen weer beginnen?
Een van de meest besproken onderwijsinnovaties van de voorbije vijftien jaar is ongetwijfeld de flipped classroom, onder andere door de aandacht die de Khan Academy ervoor genereerde. Studenten verwerken de theorie thuis, vaak via video’s of ander voorbereidend materiaal. Tijdens de les is er dan tijd voor vragen, toepassingen, oefeningen en samenwerking. In feite is het idee dus veel ouder, al sinds een leerkracht vroeg om een tekst op voorhand te lezen. De belofte is wel groot als het gaat om hoger onderwijs: minder passieve hoorcolleges, meer actief leren.
“Zie je wel, mensen kunnen toch multitasken.” Ik kreeg deze boodschap de voorbije maand via enkele kanalen toegestuurd omdat ik wel eens deze mythe wil tackelen. De aanleiding is een nieuwe studie in het Journal of Cognitive Neuroscience. De onderzoekers trainden deelnemers meer dan 30.000 keer om nieuwe categorieĂ«n van kunstmatig gemanipuleerde auto’s te herkennen. Na die intensieve training konden de deelnemers deze taak beter combineren met een tweede taak en zagen de onderzoekers duidelijke veranderingen in de onderliggende hersennetwerken. Mooi, maar…
De auteurs maakten geen klassieke literatuurstudie, maar een systematische review van reviews. Ze brachten dus 17 eerdere overzichtsstudies samen en bekeken vervolgens welke factoren consequent samenhangen met het behoud van leraren. Daarbij ontwikkelden ze een nieuw theoretisch model dat probeert uit te leggen hoe die verschillende factoren precies op elkaar inwerken.
Geen lijstje, maar een verklaringsmodel
Onderzoek naar teacher retention heeft de voorbije twintig jaar een indrukwekkende hoeveelheid factoren opgeleverd, zoals onder andere werkdruk, salaris, leerlinggedrag, mentoring, al dan niet ervaren autonomie, de schoolcultuur, burn-out, zelfeffectiviteit, jobtevredenheid⊠Het probleem is volgens de auteurs dat veel onderzoek daar dan ook stopt: het levert vooral lijstjes op. Er is veel minder aandacht voor de vraag hoe deze factoren elkaar beïnvloeden. Volgens hen is het vakgebied daardoor rijk aan data, maar arm aan theorie.
De school staat centraal
De belangrijkste conclusie is misschien wel dat de meeste beĂŻnvloedbare factoren zich binnen de schoolorganisatie bevinden.
Hun model ziet er, sterk vereenvoudigd, zo uit:
Schoolleiding
-> beĂŻnvloedt de werkomstandigheden
-> die beĂŻnvloeden zelfeffectiviteit, motivatie en welbevinden
-> die bepalen jobtevredenheid
-> en die voorspelt uiteindelijk of een leraar blijft of vertrekt.
Dat betekent niet dat schoolleiders alles bepalen, maar ze hebben wel invloed op veel factoren die leraren dagelijks ervaren.
Salaris helpt, maar lost weinig op
Dat betekent niet dat loon onbelangrijk is. Integendeel, hogere salarissen hangen wel degelijk samen met een iets groter behoud van leraren. Alleen blijken die effecten vrij klein. Ook financiële bonussen voor moeilijk te bemannen scholen blijken op zichzelf weinig verschil te maken, ook al pleiten ook hier soms mensen voor.
Dat sluit aan bij eerder onderzoek: zodra een redelijk inkomensniveau is bereikt, blijken aspecten zoals professionele autonomie, steun van collega’s, zinvol werk en goed leiderschap vaak belangrijker te worden voor de beslissing om te blijven.
Wat maakt dan wel het verschil?
De factoren die het vaakst terugkomen zijn opvallend herkenbaar:
steun van de schoolleiding;
vertrouwen binnen het team;
samenwerking met collega’s;
mentoring voor beginnende leraren;
professionele ontwikkeling;
autonomie;
beheersbare werkdruk;
een positief schoolklimaat.
Dat zijn stuk voor stuk zaken waar scholen, ten minste gedeeltelijk, zelf invloed op hebben.
Toch een kleine kanttekening
Het interessante aan deze studie zit minder in nieuwe empirische resultaten – alle onderzoeken waren al gekend – dan in het nieuwe theoretische kader dat de auteurs voorstellen. Maar daar zit tegelijk ook de grootste beperking.
Het model is overtuigend opgebouwd op basis van bestaand onderzoek, maar blijft voorlopig vooral een verklarend model. Het moet nog empirisch als geheel worden getoetst. Bovendien zijn veel van de onderliggende studies observationeel. Dat betekent dat sterke samenhangen nog geen bewijs zijn voor een causale relatie.
Met andere woorden: het is goed mogelijk dat sterke schoolleiders bijdragen aan beter behoud van leraren. Maar het blijft lastig om precies te bepalen hoeveel van dat effect rechtstreeks door leiderschap wordt veroorzaakt en hoeveel samenhangt met andere kenmerken van succesvolle scholen.