Ik ben een man van de wetenschap. Kwalitatief, kwantitatief, meta-analyses. Je leest er hier bijna dagelijks over. Altijd op zoek naar een beter antwoord, steeds dichter proberen te komen bij de waarheid, goed beseffende dat we die wellicht nooit volledig zullen kennen.
Maar waarom die ene van je houdt, of erger nog: waarom die ene niet van je houdt? We kunnen vermoedens hebben, correlaties vinden en modellen bouwen, maar uiteindelijk houdt de wetenschap het ook daar vooral op hypotheses.
Of waarom pedagogen zo graag moeilijke woorden gebruiken. Subjectificatie bijvoorbeeld. Of performativiteit. Of pedagogische tact. Dat zijn ongetwijfeld belangrijke concepten, maar de vraag waarom we ze niet gewoon “mens worden”, “alles moeten meten” of “gezond verstand” noemen, blijft voorlopig onbeantwoord.
Misschien heeft het te maken met identiteit. Misschien met academische tradities. Misschien met een diepgewortelde behoefte om een eenvoudig idee van voldoende lettergrepen te voorzien. Misschien is het een overlevingsstrategie. Als niemand begrijpt wat je zegt, kan ook niemand je tegenspreken. Al blijken andere pedagogen daar verrassend weinig moeite mee te hebben.
En dan zijn er nog de echt moeilijke vragen. Waarom schreef Charles meer dan dertig jaar geleden iets in zijn dagboek over Linda en een Raaf? Waarom houdt Joris niet van paprikachips? En waarom is er een vrachtwagen vol plastic flamingo’s onderweg naar het station?
Daar heeft de wetenschap voorlopig geen antwoord op. Mila wellicht wel. Maar die denkt er nog even over na.
En o ja. De Schaduw van de Raaf is uit vandaag.
