Johannes Visser schreef vorige maand dit stuk. Hij betoogt dat het hardnekkige beeld van een onderwijscrisis vooral wordt gevoed door negativiteitsbias, meetproblemen en onrealistische beleidsnormen, terwijl veel data eerder stabiliteit dan echte achteruitgang in taal- en rekenprestaties laten zien. Ik begrijp de reflex achter zijn artikel goed. Ook ik word al langer moe van het automatische crisisframe. Elk nieuw rapport lijkt het bewijs dat “het onderwijs faalt”, nog voor iemand de data rustig heeft bekeken. Dat helpt niemand. Niet leraren, niet scholen, en zeker niet het publieke debat.
Maar nuance werkt in twee richtingen. Dus kom ik even aankloppen.

De communicatie tussen ouders en school is de voorbije jaren steeds digitaler geworden. E-mails, ouderportalen, leerplatformen, berichtenapps: voor veel scholen is het ondertussen de ruggengraat van het contact met ouders. Dat dit efficiënter is, wordt vaak als evident aangenomen. Maar wat denken ouders daar eigenlijk zelf van?
Dat baby’s al vroeg leren, weet elke ouder. Maar dat dit veel verder gaat dan een stem herkennen in de buik, een glimlach leren spiegelen of steeds meer controle krijgen over het eigen lichaam, kan soms verbazen. Jaren geleden toonde onderzoek van onder meer Stanislas Dehaene dat baby’s al op zeer jonge leeftijd verschillen kunnen waarnemen tussen hoeveelheden. Meer en minder blijken geen lege concepten, ook al hebben ze daar nog geen taal voor. Nog voor er sprake is van tellen, laat staan van rekenen, reageert het brein al anders op verschillende aantallen.