Wie door de literatuur gaat, komt telkens opnieuw bij dezelfde conclusie uit: één-op-één of kleinschalige begeleiding behoort tot de meest effectieve interventies die we kennen. Meta-analyses van tientallen tot honderden studies tonen consistente en vaak relatief grote effecten. Dat is geen randfenomeen, maar een van de stevigste bevindingen in onderwijsonderzoek. Meer nog, het is een van dé manieren om ongelijkheid weg te werken.
Maar er zit een belangrijke nuance onder die consensus. Tutoring werkt namelijk niet zomaar. Het werkt vooral wanneer het gebeurt onder vrij specifieke omstandigheden. Hoge frequentie, consistente deelname, goed opgeleide tutors, en liefst ingebed in de schooldag, het zijn allemaal factoren die de effectiviteit verhogen. En dan komen we vaak uit bij wat “high-dosage tutoring” wordt genoemd. Dat is geen detail: wanneer die intensiteit gehaald wordt, zijn de effecten aanzienlijk groter. Maar daar beginnen de problemen. Voor alle duidelijkheid: niet alle tutoring moet high dosage zijn, maar het sterkste bewijs voor effectiviteit zit daar wel. En net daar wringt het: we organiseren vaak iets dat er op lijkt, maar het niet helemaal is.