We hebben het steeds over de telefoons van onze jeugd, maar Lubach houdt nu ons volwassenen een spiegel voor:
Veel ouders zijn hartstikke verslaafd aan hun telefoon. Dat is zo hypocriet. Daarom wil ik het opnemen voor die kinderen. Want ze hebben er echt veel last van. En dat kansloze gescroll is echt schadelijk voor een kind. Dus hoe krijgen we ouders bij die schermpjes weg?
Je kijkt naar een leerling of student die er bijna is. Zijn of haar antwoord of werk is niet echt meer fout, maar ook nog net niet juist. En vaak voelt dat als goed nieuws. We zien iets om op verder te bouwen, benoemen wat al lukt en geven een aanmoediging. Logisch ook. Maar net daar zit een kleine maar belangrijke valkuil.
Er bestaan weinig discussies in en over onderwijs die zo snel verharden als die over onderzoek, lijkt het soms. Nog voor het echt over de inhoud gaat, zit je al snel in een debat over paradigma’s. Positivistisch. Post-positivistisch. Interpretatief. Kritisch. Alsof het kiezen van een bril automatisch betekent dat alle andere brillen waardeloos zijn.
Na mijn recente post over een studie in Nature las ik een aantal (internationale) reacties die daar mooi op inspeelden. Dat het stuk te sterk uitging van een positivistische logica. Dat niet alle onderwijsonderzoek draait om reproduceerbaarheid. Dat onderwijs breder is dan wat werkt. En dat het veld veel rijker is dan één wetenschappelijke traditie.
Daar zit veel in, heb zelf nooit anders beweerd. Maar… tegelijk wringt er ook iets. Moest bij dit alles denken aan die keer dat ik bijna als in een soort interventie benaderd werd om me duidelijk te maken dat ik mezelf maar beter geen pedagoog noem (heb nochtans het diploma) omdat ik zo vaak naar kwantitatief onderzoek durf verwijzen.
Ik lees veel onderzoek. Door persoonlijke omstandigheden zelfs nog iets meer dan gewoonlijk. En terwijl ik veel lees dat vooral lijkt te bevestigen wat we al weten of er een zekere nuance aan toevoegt, stoot ik soms op een onderzoek waarvan ik denk: hier stond ik nog nooit bij stil. De titel van deze studie van Idit Fast en collega’s zette me direct aan tot een heleboel gedachten: “Challenges to inclusive teaching during war“. Spontaan dacht ik: is inclusie een luxe als je moet vrezen voor je leven? Maar het onderzoek bracht me tot heel andere inzichten dan ik verwacht had op basis van de titel.
De voorbije dagen, weken, maanden zijn pittig geweest. Een van de rotsen in mijn leven is de voorbije tijd traag maar gestaag weggeleden. Zonder mijn opa was ik hier letterlijk niet, maar mijn grootouders hebben sowieso ontzettend veel betekend in mijn leven. Ik besef dat ik het ongelooflijke geluk gehad heb om zo lang in hun gezelschap te mogen hebben vertoefd. Dat onze kinderen hun overgrootouders zo goed hebben kunnen leren kennen, is iets dat niemand hen en ons nooit nog kan afnemen.
Maar oma stierf enkele zomers geleden en nu is opa er niet meer. Dank aan iedereen die er deze laatste maanden, weken, dagen en uren geweest is voor hem.
Opa en oma waren gelovig. Het troost me dat ze nu weer samen zijn. Eindelijk, want hij miste haar enorm.
Misschien merkte je de voorbije jaren dat ik bijna altijd two-tone schoenen draag. Dit is een indirect eerbetoon aan mijn opa op dubbele manier. Als kind keek ik zo vaak met hem op zaterdagmiddag naar oude zwart-witfilms. Films met onder andere Fred Astaire, Bing Crosby,… Ik nam zo zijn voorliefde voor big bands over en associeer sindsdien dergelijke schoenen met stijlvol. En extra omdat mijn opa jarenlang voorzitter was van Dansclub Tropicana in Eeklo.
Deze studie van Olivia Miske en zeer veel collega’s, gepubliceerd in Nature, zorgt voor veel animo. Hoog tijd om dus even dit grondig te bekijken en feiten van fictie te scheiden. Laat ons beginnen bij iets wat ik in de online discussie over deze studie al een paar keer fout zag lopen. Reproduceerbaarheid en repliceerbaarheid worden door elkaar gebruikt, terwijl het twee totaal verschillende dingen zijn.
Je zou denken dat we het ondertussen wel weten. Lesson study bestaat al meer dan een eeuw in Japan, wordt wereldwijd toegepast en past bijna perfect binnen wat onderzoek zegt over effectieve professionalisering. Leraren werken samen, vertrekken vanuit hun eigen praktijk, observeren echte lessen, reflecteren en verbeteren iteratief. Als iets zou moeten werken, dan is het dit wel. En toch blijft het antwoord relatief vaag.
Soms lees je een studie die eigenlijk niets nieuws zegt en tegelijk alles nog eens scherp stelt. Dit is er zo eentje. Johanna Grimm en Tobias Richter keken of je studenten “rationeler” kunt leren denken. Kort gezegd: bij het reageren ga je minder vertrouwen op intuïtie en meer systematisch nadenken. Hopelijk ga je ook beter omgaan met denkfouten. Dit alles gebeurde via een korte training van slechts een twintigtal minuten, waarin de deelnemers uitleg kregen over biases en ook oefeningen moesten doen. Het resultaat? Studenten werden effectief beter in rationeel denken. Niet echt een groot effect, maar wel duidelijk. Tot zover niets spectaculairs. Maar dan komt het interessante stuk.
Je kondigt een grote hervorming aan. Eindelijk gaat alles anders worden. Eindelijk wordt het onderwijs meer gebaseerd op wat onderzoek zegt over leren. In New York gebeurde precies dat. Met veel ambitie en zo’n 10 miljoen dollar werd ingezet op intensieve bijscholingen rond lezen. Men zou weggaan van balanced literacy, richting wat vaak de “science of reading” wordt genoemd, met zaken als Phonics die hun deugdelijkheid uitvoerig bewezen hebben .
Op papier klopt het verhaal. De diagnose ook. Te veel leerlingen lezen zwak. Te weinig systematiek in instructie. En te veel nadruk op strategieën zonder stevige basis in klank-tekenkoppelingen en woordherkenning. Dus: investeren in kennis en opleiding van leerkrachten. Het lijkt een logische eerste stap.