In een oudere blogpost op mijn Engelse blog schreef ik over een reviewstudie van Hawthorne en collega’s die tot een interessante hypothese leidde: welzijn helpt mogelijk bij leren doordat het de cognitieve belasting zou verlagen. Het idee is intuïtief aantrekkelijk. Als leerlingen zich slecht voelen, gespannen zijn of ergens mee zitten, gaat een deel van hun mentale capaciteit daarnaartoe. Dat is duidelijk en ligt in lijn met onder andere het werk van Mullanaithan en Shafir. Dat laat minder ruimte over voor het eigenlijke leerproces. Omgekeerd zou een positieve emotionele toestand het werkgeheugen minder belasten en zo leren vergemakkelijken. Maar is dat echt zo?
AI-moe
Volgens het nieuwe imec-rapport gebruiken steeds meer mensen artificiële intelligentie. Dat zal niemand verbazen. LLM’s zoals ChatGPT, Copilot, Gemini of Claude zijn als tools in korte tijd onderdeel geworden van het dagelijkse digitale landschap. Studenten gebruiken het. Leraren gebruiken het. Beleidsmakers gebruiken het. En wie het niet gebruikt, voelt soms zelfs een lichte sociale druk om toch maar eens te beginnen.
Ik gebruik het zelf ook. Regelmatig zelfs. Maar eerlijk gezegd: ik ben AI stilaan een beetje beu. Laat me uitleggen waarom.
Evidence-informed onderwijs vraagt meer dan goede bedoelingen: Hoe geraakt onderzoek in de klas?
In het onderwijs duikt het idee van evidence-informed werken de laatste jaren steeds vaker op. Beleidsmakers verwijzen ernaar. Onderzoeksgroepen gebruiken het. In discussies over lesgeven wordt het bijna een vanzelfsprekend referentiepunt: onderwijs dat gebruikmaakt van onderzoek.
Ik ben er vanuit mijn positie natuurlijk zeker niet tegen, integendeel. Tegelijk bestaat er ook behoorlijk wat scepsis. Sommigen vrezen dat het onderwijs te technocratisch wordt. Anderen wijzen erop dat onderzoek nooit rechtstreeks voorschrijft wat een leraar in een concrete klas moet doen.
En ergens tussen die twee posities zit een praktische vraag die we minder vaak stellen. Stel dat we onderzoek inderdaad een rol willen geven in onderwijs, hoe organiseer je dat dan eigenlijk? Het onderwijs als systeem lijkt daar eigenlijk maar gedeeltelijk op ingericht te zijn. Een recent rapport van de OECD over de rol van onderzoeksinstellingen en lerarenopleidingen bij het gebruik van onderzoek laat dat vrij scherp zien.
Wetenschappelijke fraude op industriële schaal
Wetenschappelijke fraude wordt vaak voorgesteld als een probleem van individuele onderzoekers die een keer over de schreef gaan, denk aan Diederik Stapel of recent Dan Ariely of zelfs Oliver Sacks. Iemand verzint data. Iemand manipuleert een afbeelding. En daarna schrijft iemand een artikel dat niet klopt.
Maar een recente studie in PNAS van Richardson et al. laat zien dat het probleem mogelijk veel en veel groter is. Niet alleen omdat fraude vaker voorkomt dan we denken, maar omdat ze soms georganiseerd gebeurt op industriële schaal met zogenaamde ‘paper mills’. Dit zijn organisaties die wetenschappelijke artikels produceren en verkopen, soms met verzonnen data of hergebruikte resultaten.
Mooi overzicht over goede vragen stellen in een les
tagde me vrijdag in een bericht op LinkedIn. Ze heeft namelijk een overzicht gemaakt op basis van het boek van Liese, Jeroen en mezelf ‘Bijna Alles Wat Je Moet Weten Over Lesgeven‘. Ze richt zich specifiek op het stellen van goede vragen en vulde aan met enkele inzichten van Marcel Schmeier.
Vragen stellen is natuurlijk maar een van de vele onderwerpen die je kan terugvinden in ons boek.
Heeft het smartphonegebruik van ouders invloed op de aandacht van kinderen?

Naar aanleiding van mijn vorige blogpost over executieve functies en de mogelijke effecten van de coronaperiode kreeg ik een interessante vraag van een lezer. In hun teamkamer vroegen ze zich af of ook iets anders een rol kan spelen. Niet alleen de schermtijd van kinderen zelf, maar ook het technologiegebruik van ouders. Als ouders vaker met hun smartphone bezig zijn, verandert dat misschien ook de manier waarop kinderen zich gedragen of hoe goed ze hun aandacht kunnen richten.
Die vraag sluit goed aan bij een vrij recente reviewstudie en meta-analyse in JAMA Pediatrics van Marcelo Toledo-Vargas en collega’s.
Lectuur op zaterdag: Mickey Mouse als redder, Nooit meer Genocide?, de wereld in 1 oogopslag, en (veel) meer
De weekendbijlage bij deze blog:
- Hoe Mickey Mouse de tijd (of beter de huurwerkmaker Timex) redde.
- Loopbaanpact: hoeveel ruimte krijgen leraren om zich gezamenlijk te professionaliseren?
- Nooit meer genocide? Waarom plegen sommige mensen geweld op bevel maar anderen niet?
- The Met lanceert High Definition 3D-modellen van verschillende van hun klassieke objecten!
- Wow, dit is verslavend: de hele wereld in 1 oogopslag. Waar zijn er militaire activiteiten, waar is er verhoogd alarm,...
- LLM’s worden steeds beter in het ontmaskeren van iemand die onder een pseudoniem schrijft.
- We kennen allemaal de eerste mensen die vlogen, maar wie was het eerste slachtoffer van de luchtvaart?
Ik heb mijn voornemen om hier wekelijks te delen waar ik in de media verscheen, niet echt volgehouden. Maar deze week was ik oa te gast bij Evy Gruyaert (niet om iets te verkopen).
Tot slot: even een klassieker bovenhalen: Bill Bailey, die de Belgian Jazz Version speelt van het thema van Doctor Who.
Sinds corona lijken sommige leerlingen hun aandacht moeilijker vast te houden
Het is een opmerking die ik de voorbije jaren al meer dan eens hoorde van leerkrachten of zag opduiken in resultaten van Teacher Tapp. Niet als grote theorie of dramatische analyse, maar gewoon als observatie uit de klas:
“Sinds corona lijkt het alsof sommige leerlingen meer moeite hebben om op te letten.”
“Het duurt langer voor iedereen mee is.”
“Ze raken sneller afgeleid.”
Met zulke indrukken moet je altijd voorzichtig zijn. Onderwijs heeft een lange geschiedenis van verhalen over hoe het vroeger beter was. Maar tegelijk kan het ook wel degelijk het geval zijn dat er dingen veranderd zijn. En af en toe verschijnt er onderzoek dat minstens probeert te begrijpen waar dat gevoel vandaan kan komen.
Autonomie op school: het verschil tussen “geen keuze” en “gedwongen worden”
Autonomie is een van die begrippen die in onderwijs bijna automatisch positief klinken. Leerlingen autonomie geven. Keuzes aanbieden. Zelfsturing stimuleren. Maar in ons psychologieboek en ook wel hier op deze blog besprak ik al eerder dat het verhaal iets complexer is.
Een recente studie in het Journal of Adolescence van Jiang en collega’s, maakt een onderscheid dat vaak verloren gaat in onderwijsdiscussies: het verschil tussen:
- weinig autonomie ervaren
- Iemand die actief gefrustreerd wordt door minder autonomie te krijgen. Ik schrijf in het vervolg van deze blog autonomie-frustratie, in lijn met het Engelstalige concept uit de zelfdeterminatietheorie.
Dat lijkt op het eerste gezicht een klein verschil. Dat is het niet.
Waarom intelligentie niet in één hersenhelft zit (nieuw onderzoek!)
Het idee dat sommige mensen “linkerhersenhelft-types” zijn en anderen “rechterhersenhelft-types” is een van de hardnekkigste onderwijsmythes die ik al meer dan 10 jaar bevecht. Ondanks alles blijft het idee populair. Nieuwe hersenstudies maken dat beeld alleen maar moeilijker vol te houden. Niet omdat ze één andere plek voor intelligentie vinden, maar omdat ze net tonen dat intelligentie helemaal nergens specifiek zit.
Zo ook een recente studie in Nature Communications die nog eens laat zien waarom dat idee zo moeilijk vol te houden is. Niet omdat onderzoekers nu eindelijk ontdekt hebben waar intelligentie dan wél zit, maar omdat ze opnieuw tonen dat de vraag eigenlijk verkeerd gesteld is. Intelligentie lijkt namelijk niet uit één plek in het brein te komen. Net zoals eerder al voor creativiteit werd aangetoond, lijkt intelligentie overal in het brein te zitten.