Andreas Schleicher schreef een interessante bijdrage over Finland. Voor wie het onderwijsdebat de voorbije decennia heeft gevolgd, is het verhaal bekend. Rond de eeuwwisseling werd Finland hét voorbeeld voor zowat de hele wereld. Ministers, onderzoekers en journalisten trokken naar Helsinki om te ontdekken wat de Finnen zo goed deden. De eerste PISA-resultaten waren dan ook indrukwekkend. Maar daarna volgden dalende onderwijsresultaten.
Vandaag ziet het plaatje er dus anders uit. De Finse resultaten tonen, net als in Vlaanderen en Nederland, al langere tijd een behoorlijk deprimerende trend. Schleicher zoekt daarvoor niet één enkele eenvoudige oorzaak. Hij wijst op een combinatie van veranderingen: smartphones en sociale media, grotere en complexere scholen, inclusie, veranderingen in het curriculum, meer aandacht voor welzijn, minder ouderbetrokkenheid, enzovoort. Een lijstje met mogelijke verklaringen die ik ondertussen kan dromen.
Veel van die verklaringen klinken dus echt wel aannemelijk en misschien kloppen ze ook. Maar ik miste één belangrijk element in de post van de PISA-topman, en het is een element dat cruciaal is om dergelijke resultaten te begrijpen.
Een leerling die deelnam aan PISA 2000 was toen ongeveer vijftien jaar oud. Die leerling was dus geboren rond 1985 en begon aan de lagere school ergens aan het begin van de jaren negentig. De fantastische Finse resultaten van PISA 2000 waren met andere woorden niet zomaar het resultaat van het Finse onderwijsbeleid van 2000. Ze waren in grote mate het resultaat van wat er in de jaren daarvoor was gebeurd.
Toen de eerste PISA-resultaten verschenen, keek de wereld naar wat Finland op dat moment deed. Er werd gewezen op de autonomie van leraren, weinig gestandaardiseerde toetsen, een brede kijk op onderwijs, relatief weinig lestijd, aandacht voor welzijn en ga zo maar door. Dat werden kenmerken van het succesvolle ‘Finse model’, verspreid in boeken van o.a. Pasi Sahlberg.
En daar is het volgens mij wel degelijk fout gegaan. We zagen in 2000 de uitkomst en gingen vervolgens op zoek naar de oorzaken in het Finland dat we in 2000 konden bezoeken. Daarom hadden we beter geen vliegtuig maar een teletijdmachine genomen. We hadden naar het Finland van tien of vijftien jaar eerder moeten kijken.
Dezelfde redenering geldt natuurlijk ook voor de latere daling. Als onderwijsbeleid pas na verloop van tijd zichtbaar wordt in de prestaties van vijftienjarigen, dan zijn de resultaten van latere PISA-rondes wellicht het gevolg van veranderingen die rond of zelfs vóór 2000 zijn ingezet. Terwijl het Finse onderwijs dé inspiratiebron voor de hele wereld werd, en landen massaal delen ervan probeerden te kopiëren, waren er dus wellicht al ontwikkelingen gaande waarvan de gevolgen pas jaren later duidelijk werden.
Ik geef Schleicher dus niet ongelijk met zijn lijst van mogelijke verklaringen. Maar wat ik hier beschrijf, maakt de causale puzzel nog moeilijker. Ik zie trouwens nog een tweede probleem. Veel van de veranderingen die Schleicher beschrijft als mogelijke verklaringen, vonden niet alleen in Finland plaats. Smartphones kwamen ook in Estland, Zweden en Denemarken terecht. Sociale media veranderden niet alleen de Finse jeugd. Corona trof zowat alle onderwijssystemen. Als zulke ontwikkelingen de bijzondere Finse daling moeten verklaren, moeten we ook kunnen uitleggen waarom Finland er anders door werd getroffen dan andere landen. Misschien dat het makkelijkst vallen is als je hoogst bent, of zo?
Wat betekent dit allemaal? De vraag is niet enkel waarom Finland sinds PISA 2000 achteruitging. We moeten ook opnieuw kijken naar het antwoord op de oorspronkelijke vraag waarom Finland rond 2000 zo uitzonderlijk goed scoorde. Iets wat Finland drie jaar geleden zelf al besefte.
Misschien lag een deel van het antwoord in onderwijsbeleid uit de jaren zeventig, tachtig en negentig. Het kan ook dat de toenmalige leescultuur een belangrijke rol speelde. Misschien waren maatschappelijke omstandigheden gunstiger. Wellicht was het een combinatie van dit alles.
En misschien hebben we bij Finland een fout gemaakt die in onderwijs wel vaker voorkomt: we zagen een succesvolle uitkomst, keken naar wat de winnaar op dat moment deed en besloten dat we daarmee de oorzaken van het succes hadden gevonden. Maar onderwijs heeft een geheugen. Wat we vandaag meten bij een vijftienjarige is het resultaat van vele jaren onderwijs, opvoeding en maatschappelijke veranderingen.
Daarom zou ik één zin uit Schleichers bijdrage willen aanpassen. Hij schrijft terecht dat Finland in 2026 niet meer hetzelfde Finland is als in 2001. Maar er hoort misschien nog een zin bij:
The Finland that produced the PISA results of 2000 was not the Finland of 2001 either.