We gebruiken het allemaal wel eens in onze klas. Groepswerk. Soms omdat het verwacht wordt, soms omdat het praktisch is, maar ook omdat samenwerken zelf een belangrijk leerdoel is. Alleen: het blijft een werkvorm waarbij je nooit helemaal zeker lijkt te kunnen van het resultaat.
De ene keer zie je leerlingen echt in gesprek gaan, elkaar helpen, ideeën uitwisselen. De andere keer krijg je één leerling die alles doet, twee die wat meeliften en eentje die vooral naar het plafond kijkt. De mayonaise pakt dus niet altijd. En meestal zoeken we de verklaring in wat er tijdens het groepswerk gebeurt: taakverdeling, duidelijke instructies, rollen, begeleiding.
Een recente studie van Sun en collega’s in Learning and Instruction draait dat perspectief om en stelt een eenvoudigere, maar fundamentelere vraag: wat als het probleem niet zit in hoe leerlingen samenwerken, maar in wie we samen zetten?
Je hebt het zelf wellicht al gehoord: slaap er een nachtje over en plots zal alles op zijn plaats vallen. Het is het idee dat 