Er zijn onderwijsinterventies waarvan we al lang weten dat ze behoorlijk goed kunnen werken. In mijn wereld is high-impact tutoring, of high-dosage tutoring, daar waarschijnlijk het bekendste voorbeeld van. Leerlingen krijgen meerdere keren per week intensieve begeleiding in kleine groepjes van twee of drie leerlingen. De resultaten zijn doorgaans indrukwekkend. Maar toch blijft er een ongemakkelijke vraag hangen. Minder of het werkt, maar veel ongemakkelijker: of we het ons wel kunnen veroorloven.
Lectuur op zaterdag: Ferris 40 jaar later, OCD bij kinderen, een vliegende monnik, zomertijd (en wintertijd) en ook wel wat AI
De (laatste) weekendbijlage bij deze blog van dit schooljaar:
- De miljoenen echte songs die tot AI-muziek worden herleid. ,
- Blijkbaar zouden zomer- en wintertijd niet tot gezondheidsproblemen leiden (dank, Jan, voor de tip!).
- Een van mijn favoriete films uit mijn kindertijd werd 40: Ferris Buellers day off. Hoe kijken de toen jonge acteurs terug?
- Wat als je hoofd niet stopt? Over OCD bij kinderen
- De vreemdste titel die ik deze week zag voorbijkomen: zag een Middeleeuwse vliegende monnik twee keer de komeet van Halley?
- AI Economics for Dummies
Tot slot: dat is AI! Daarbij aansluitend: waarom haat iedereen AI? Misschien wel omwille van deze toekomst-nachtmerrie over onderwijs.
Feedback: wat AI beter doet dan leraren en vooral… wat niet.
Een van de zaken waar leraren vaak op hopen als het over AI in het onderwijs gaat, is dat de technologie zou kunnen helpen om eindelijk minder tijd te moeten besteden aan het geven van feedback op bijvoorbeeld schrijfopdrachten. Goede feedback is een van de krachtigste manieren om leren te bevorderen, maar tegelijk ook nog steeds een van de meer tijdrovende taken van een lesgever.
Een nieuwe systematische review van 34 interventiestudies uit 19 landen laat zien dat die belofte niet helemaal uit de lucht gegrepen is. Grote taalmodellen zoals (in onderzoek vooral) ChatGPT blijken inderdaad verrassend goed in het geven van feedback op teksten. Maar de review studie maakt ook duidelijk waar de grenzen liggen.
Van succesvolle pilot naar honderden scholen: hoe schaal je een onderwijsinterventie op?
Het is een bekend fenomeen in onderwijsonderzoek en -beleid. Een onderwijsinterventie werkt uitstekend in tien scholen. Leerkrachten zijn enthousiast, de resultaten zijn veelbelovend en onderzoekers publiceren een mooi effect. De volgende stap lijkt vanzelfsprekend: laten we dit ook in honderd of duizend scholen invoeren, zelfs de norm maken. En dan gaat het fout. Het effect blijkt niet op te schalen.
Onderzoekers spreken zelfs van het scale-up effect: interventies die in een kleinschalige studie goed werken, verliezen vaak een deel van hun effect wanneer ze op grotere schaal worden ingevoerd. Dat betekent niet noodzakelijk dat de interventie slechter wordt, maar wel dat bijvoorbeeld de omstandigheden veranderen. Meer scholen betekenen meer verschillende leraren, directies, leerlingen, contexten en praktische uitdagingen. Het klinkt deprimerend, zeker als er niets tegen te doen zou zijn.
Niet alle oefening is gelijk: een nieuwe studie geeft Ericsson deels gelijk
Als ik in een abstract de woorden schaken en uren oefenen zie staan, denk ik bijna automatisch aan Anders Ericsson. Andere mensen die minder thuis zijn in het onderzoek zullen wellicht aan Outliers van Malcolm Gladwell denken. Die baseerde zijn beroemde maar foute 10.000-urenregel op het werk van Ericsson. Ericsson corrigeerde die fout trouwens zelf nog in zijn laatste boek Peak, voor hij kwam te gaan. Maar het te eenvoudige verhaal is bij veel mensen blijven hangen. Daarom geloven heel wat mensen vandaag nog dat je in alles een expert kunt worden als je maar lang genoeg oefent. Tienduizend uur en klaar klinkt mooi, maar het is niet wat de Zweedse onderzoeker schreef.
Schaduwonderwijs groeit wereldwijd. Maar werkt het ook?
Schaduwonderwijs is de verzamelnaam voor de betaalde bijlessen, examentraining of privélessen buiten de gewone school om. Wereldwijd groeide deze sector uit tot een regelrechte miljardenindustrie. Ouders investeren er enorme bedragen in, vaak vanuit de overtuiging dat extra lessen automatisch tot betere resultaten zullen leiden. Een nieuwe internationale studie van Cao en Huo zet daar echter serieuze vraagtekens bij.
Bestaat Generatie Z eigenlijk wel? Of verwarren we leeftijd met generatie?
Jongeren willen niet meer werken. Of studeren omdat ze te veel aan het werk zijn? Dat kan ook. Of ze zorgen beter voor zichzelf en hun work-life balance. Of net niet. Er circuleren heel wat clichés over deze thema’s, maar wat zegt de harde data? Ik dook nog eens in mijn archief van onderzoeken (teller staat op 422) waarover ik ooit vergat te bloggen. Deze studie over generatieverschillen op de werkvloer bleek veel te interessant om daar te laten liggen.
Wat zeggen intelligentietests eigenlijk wél en níét?
We hadden het er al uitgebreid over in Juffen zijn Toffer dan Meersters én in Bijna Alles Wat Je Moet Weten Over Psychologie, maar het viel me op hoe vaak dezelfde misverstanden over intelligentie maar blijven terugkomen. Dat is misschien tegelijkertijd niet zo vreemd. Intelligentie en intelligentieonderzoek zijn al meer dan een eeuw onderwerpen die sterke reacties kunnen oproepen, zoals ik zelf ook al af en toe kon merken. Historisch gezien kan IQ voor sommigen bijna alles verklaren, terwijl het voor anderen nauwelijks meer is dan een sociaal construct. De werkelijkheid is, zoals zo vaak, genuanceerder en die nuance herhaal ik graag.
Waarom rijke landen niet automatisch beter worden in onderwijs
Het klinkt bijna vanzelfsprekend. Rijkere landen hebben betere scholen. En dus zou economische groei ook tot betere leerprestaties moeten leiden. Toch is een nieuwe studie die gebruikmaakt van ruim twintig jaar PISA-data een stuk minder geruststellend. Satoshi Araki maakt in dit onderzoek een onderscheid dat verrassend weinig wordt gemaakt. Hij vergeleek niet alleen landen met elkaar, maar volgde ook dezelfde landen doorheen de tijd en stootte op iets vreemds: een soort van PISA-paradox.
Maakt competitie kansenongelijkheid groter? Deze preregistreerde studie verraste mij.
Toen ik gisteren deze studie las, begon mijn hoofd te knetteren. Nathalie Aerts, Thijs Bol en en Eddie Brummelman vertrokken vanuit een theorie die de voorbije jaren steeds meer aandacht kreeg. Volgens de Social Class–Academic Context Mismatch-theorie zouden competitieve schoolomgevingen leerlingen uit lagere sociaaleconomische milieus benadelen. Iets waar ik ook van uitging op basis van de onderzoeken die ik las. Competitie zou beter aansluiten bij de waarden waarmee kinderen uit hogere SES-gezinnen opgroeien. Leerlingen uit lagere SES-gezinnen zouden zich daardoor minder thuis voelen, een negatiever beeld van hun eigen kunnen ontwikkelen en uiteindelijk ook minder goed presteren. Geef toe, dat klinkt op zich niet onlogisch. Maar…