Het is letterlijk een eeuwenoude discussie. Worden kinderen geboren als een onbeschreven blad? Of ligt alles al vast vanaf de start? Het zijn twee posities die elkaar al eeuwen afwisselen, meestal in iets modernere verpakking, van behaviorisme tot inzichten uit genetica. De ene legt de nadruk op omgeving en ervaring, de andere op aanleg en biologie.
Victor Vargas-Barroso en collega’s keken naar de ontwikkeling van het hippocampale geheugensysteem en schetsen een beeld dat moeilijk in een van beide klassieke kaders past. Wat de onderzoekers daar zien, is geen leeg begin dat langzaam wordt ingevuld. Integendeel. Het netwerk start relatief dicht en weinig gestructureerd, en evolueert vervolgens naar iets dat tegelijk schaarser en beter georganiseerd is . Of, in hun woorden: eerder een tabula plena dan een tabula rasa. Dit idee is op zich niet nieuw, maar deze studie maakt het scherper en concreter door te tonen hoe die overgang er functioneel uitziet in het brein.
De voorbije jaren sprak ik verschillende mensen die bedenkingen hadden bij een soort van PISA voor kleuters. Met IELS 2025 krijgen we vandaag toch een eerste internationaal vergelijkbaar beeld van Vlaamse vijfjarigen. In tegenstelling tot PISA, dat ook door de OESO wordt georganiseerd, doen voorlopig slechts acht landen mee, waaronder Engeland en Nederland. Bovendien gaat het om een andere soort meting: geen klassieke toets, maar een speelse, individuele afname via een app. Dat maakt de vergelijking beperkter, maar niet minder interessant. Tot nu toe hadden we vooral fragmenten, kleinere studies en indirecte signalen. Dit is voor het eerst een bredere foto.
Er is momenteel geen tekort aan verhalen over AI en jobs. Wat wel ontbreekt, is een nuchtere blik op de economische realiteit erachter. Twee recente stukken – één in Fortune en één bij Axios – leggen die realiteit vrij ontnuchterend en duidelijk bloot.
Laat ons beginnen bij wat op het eerste gezicht tegenstrijdig lijkt. Tech- en andere bedrijven ontslaan mensen. Meta schrapt duizenden jobs, Microsoft biedt grootschalige buy-outs aan. Tegelijk investeren diezelfde bedrijven honderden miljarden in AI. Dat wordt vaak gelezen als een klassieke vervangingslogica: mensen eruit, machines erin.
Maar dat beeld klopt voorlopig niet. AI blijkt namelijk vandaag in veel gevallen gewoon duurder dan de mensen die ze geacht wordt te vervangen. Bryan Catanzaro (Nvidia) zegt het zonder omwegen: voor zijn team liggen de compute-kosten “ver boven” de loonkosten. Dat gaat niet over een eenmalige investering, maar over doorlopende kosten. Elke prompt, elke output, elke toepassing heeft een prijs. Waar software vroeger schaalvoordelen bracht, introduceert generatieve AI vaak net een variabele kost per gebruik.
Ik leer zelf ook graag bij en dus sprak ik het voorbije weekend niet enkel op ResearchED NYC, maar volgde ik ook verschillende sessies. Ik wil even stilstaan bij het verhaal van Ben Lovett over testangst. We waren met een zeer klein publiek voor hem, wat me verbaasde. Het onderwerp ervaar ik als zeer actueel en de man wist duidelijk waarover hij sprak. Een klein verslagje van zijn presentatie.
Rinke en ik lopen zes thema’s langs die elk op zich relevant kunnen zijn voor iedereen actief in het onderwijs. Rinke schreef er deze tekst over die ik voor deze blog aanpaste!
Ik dacht: laat ik de week maar eens beginnen met een hot topic in onderwijs. Er is namelijk geen tekort aan meningen over niveaugroepering in het onderwijs. Of het nu gaat over tracking (opsplitsen in verschillende onderwijsrichtingen of trajecten), setting (niveuagroepen) of – in Vlaanderen – de brede eerste graad, het debat keert telkens terug in dezelfde vorm. Moeten we leerlingen zo snel mogelijk opdelen volgens niveau, of houden we ze zo lang mogelijk samen in een meer comprehensief systeem met een middenschool of nog langer? De collega’s van de Education Endowment Foundation (EEF) publiceerden hierover een nieuwe studie die het voorbije weekend massaal gedeeld werd. Een studie die een duidelijk antwoord lijkt te geven en haalde zelfs The Guardian. Maar zoals zo vaak: het wordt pas interessant wanneer je iets trager leest.
De headline is snel gemaakt. Leerlingen in scholen met gemengde groepen (mixed attainment) boeken gemiddeld ongeveer één maand minder vooruitgang in wiskunde dan leerlingen in niveaugroepen (setting). Dat klinkt als een duidelijk pleidooi tegen gemengde groepen. Alleen… dat is niet het volledige verhaal. Wanneer je kijkt naar subgroepen, verdwijnt het verschil voor leerlingen uit een minder goede beginsituatie en voor leerlingen uit kansarme gezinnen. Het nadeel zit vooral bij de sterkere leerlingen, die in gemengde groepen minder vooruitgaan .
Dat is een ongemakkelijke vaststelling, omdat ze niet netjes past in het klassieke kampdenken. Dit is niet het verhaal waarin de setting “de zwakken schaadt” of waarin mixed attainment “iedereen helpt”. Wat we zien, is eerder een verschuiving: minder vooruitgang bij de top, zonder duidelijke winst onderaan. Ja, ze groeien dan misschien dichter naar elkaar toe, maar of het op een faire manier gebeurt?
En plots zitten we midden in de echte vraag achter dit debat. Niet: werkt tracking of niet? Maar: wat willen we bereiken met ons onderwijssysteem? Het idee achter zowel tracking en setting is bekend: homogeenere groepen maken het makkelijker om instructie af te stemmen, wat efficiëntie kan verhogen. Het idee achter comprehensief onderwijs, of de brede eerste graad, is even bekend: door leerlingen langer samen te houden, vermijd je vroege selectie en beperk je ongelijkheid. Beide redeneringen hebben theoretische en empirische steun. En beide hebben beperkingen.
Wat de EEF-studie vooral duidelijk maakt, is dat de effecten relatief klein zijn. We spreken over maanden verschil, niet over structurele sprongen. Dat is typisch voor onderwijsinterventies als je verder kijkt dan de vaak te hoge effecten bij Hattie. Tegelijk toont ze dat de verdeling van die effecten belangrijker is dan het gemiddelde. Wie wint, wie verliest, en hoe groot zijn die verschillen?
Daarmee wordt ook duidelijk waarom dit debat zo hardnekkig is. Het is geen puur empirische discussie. Het is ook vooral een normatieve. Hoeveel ongelijkheid vinden we aanvaardbaar? Hoe belangrijk is het om sterke leerlingen maximaal te laten groeien? En wat betekent “eerlijkheid” in een onderwijssysteem?
In Vlaanderen vertaalt zich dat concreet in de discussie over de brede eerste graad. Voorstanders zien het als een manier om kansen gelijker te maken en leerlingen meer tijd te geven om hun potentieel te tonen. Tegenstanders vrezen dat sterke leerlingen te weinig uitgedaagd worden en dat de lat zakt. De EEF-resultaten geven beide kampen in feite deels gelijk en tegelijk geen van beide volledig.
Want wat in de EEF-studie ook opvalt, is hoe sterk de klaspraktijk meespeelt. Lesobservaties tonen dat gemengde groepen vaak les krijgen op een tempo dat dichter bij de lagere niveaus ligt, terwijl hogere niveaugroepen net meer uitdaging krijgen . Dat betekent dat het effect van grouping niet alleen zit in de samenstelling van de groep, maar in wat leraren effectief doen met die groep. Dit vind ik zelf een van de belangrijkste inzichten. Want daar verschuift de discussie naar een interessantere plek. Niet: moeten we leerlingen groeperen of niet? Maar: hoe zorgen we ervoor dat alle leerlingen, ongeacht de structuur, voldoende uitdaging en ondersteuning krijgen?
Toen ik een tijdje geleden zag in een docu hoe vandaag phishing nu vaak door gewone leerlingen gebeurt, besefte ik dat dit een cruciale verschuiving is. Jongeren worden steeds meer gezien als handige hulpjes voor de criminaliteit.
Daarom is deze video van de Universiteit van Nederland zo extreem relevant.
We zijn het stilaan gewend geraakt: toekomstbeelden over de wereld zijn ofwel technologisch optimistisch, ofwel ronduit dystopisch. Deze TED-Ed video probeert iets anders. Iseult Gillespie vertrekt niet van nieuwe technologie, maar van een opvallende vaststelling: veel van wat we nodig hebben, bestaat al. De vraag is dus niet wat nog uitgevonden moet worden, maar wat we effectief willen toepassen.
De weekendbijlage bij deze blog zou evengoed uit 1 video kunnen bestaan. De les van professor Walter Prevenier staat online. Ik heb deze niet kunnen bijwonen wegens andere verplichtingen, maar wat een oprecht genot! Ja, ik heb ooit zijn vak gevolgd, toen ik even Germaanse probeerde. En ja, ik was geslaagd voor zijn vak. Meer nog, het jaar nadien heb ik alle lessen opnieuw bijgewoond toen ik al op de lerarenopleiding zat omdat hij zo goed lesgaf. En ik merkte tot mijn verbazing én plezier dat hij allemaal andere voorbeelden gaf. Het zou kunnen dat de man me enorm beïnvloed heeft… De video vind je onderaan deze post. Maar heb toch ook nog wat extra lectuur voor je nadat je deze les bekeken hebt.