Singularity University in zwaar weer

De Singularity University werd in 2009 in een TED-talk aangekondigd door Ray Kurzweil, het zou de toekomst zijn. In Vlaanderen keken we jaloers naar Nederland die de universiteit binnenhaalde, al wou de politiek wel. Bloomberg toont nu dat de realiteit de toekomst doet wachten.

Reality hasn’t matched the hype. Previously unreported police files, other documents, and interviews with current and former students and staff paint the picture that almost from the beginning, some Singularity staffers weren’t able to curb their worst impulses. A teacher allegedly sexually assaulted a former student, an executive stole more than $15,000, a former staffer alleges gender and disability discrimination, and Singularity dismissed 14 of about 170 staffers and suspended GSP, now called the Global Solutions Program, after Google withdrew funding last year.

Boeing investeerde wel nog recent een enorm bedrag en er is nog steeds een band met de NASA, maar Kurzweil zou nog nauwelijks op het beleid wegen en de samenvatting van Bloomberg kan tellen:

Singularity is using a $32 million lifeline to steer its programming hard toward a series of executive training seminars and conferences.

Voor alle duidelijkheid: dit is voor mij geen voorbeeld van tech-lash, maar wel een voorbeeld van hoe onder de noemer van disruptie en vooruitgang, soms blind gevolgd wordt. Blind dan voor dat mensen kleine kanten kunnen hebben, bijvoorbeeld.

Terugkijken op de schoolschietpartij in Florida: leesvoer, hoaxes en overlevers

Het was de 18de schietpartij (alhoewel dat cijfer omstreden is) in de VS dit jaar (en dit is al 20 jaar aan de gang) en terwijl de roep naar strengere wapenwetgevingen weer luider wordt (maar wellicht weer niet veel zal opleveren), waren er ook enkele andere opvallende elementen.

Zo kon de hele buitenwereld de aanslag volgen via Snapchat en meer bepaald Snap maps. Ook in tijden van sociale media, zijn het aantal hoaxes en correcte verhalen rond de moordaanslag met moeite bij te houden. Was de schutter een democraat, lid van een schietclub, lid van IS,… Check hier een overzicht met controle.

Het laatste woord is voor de overlevers:

Drukke of net stille vluchtelingenkinderen… Wat dragen ze mee in hun rugzakje?

Een mooie blogpost op Kleutergewijs:

Maak even kennis met Hayat, 4 jaar. “Je mag naar school, maar je vindt het daar maar niks. De angst in je ogen als mama vertrekt. Contact maken is moeilijk, je vecht bijna om alles. Je pakt zoveel mogelijk speelgoed en versleept dat naar jouw plekje. Het kind dat het waagt om in de buurt te komen, wordt weggeslagen. Bij het buitenspelen ren je, met een zandbakschep als wapen, schietend in het rond.” (Greve, 2016, p9)

Goede observeerders, en dat zijn kleuterleid(st)ers vaak, merken vrij snel of kinderen zich goed in hun vel voelen. Maar negatieve signalen worden al eens verkeerd geïnterpreteerd (De Jong & De Jong, 2016). Zo twijfelde de juf eerst aan autisme als mogelijke oorzaak voor Hayats gedrag.

Vluchtelingenkinderen ervaren verlies

Kijk even mee terug naar Hayat. “Je bent nog maar vier jaar en je heet Hayat. Je bent gevlucht uit Eritrea. Alles moest je achterlaten: je huis, je speelgoed en je familie. In het pikkedonker stapte je samen met je ouders en te veel anderen op een gammel bootje. Alles wat te zwaar was, moest overboord. Zelfs je knuffel. Je zat bij mama op schoot. Doodsbang. De wrakkige, overbezette boot lag veel te diep, het water stroomde over de rand. Wanhopig schepten de mannen met kleine bakjes water uit de boot. Sommige medevluchtelingen vielen in de zee en zijn weg. Jouw ogen hebben het allemaal gezien.” (Greve, 2016, p8)

Vluchtelingenkinderen dragen een opeenstapeling van nare, vaak traumatiserende ervaringen met zich mee (Greve, 2016). Verlies is een belangrijk kernwoord: het verlies van dierbaren, maar ook al wat vertrouwd was, moesten ze achterlaten. De rol van hun ouders is bovendien ambigu geworden, verwarrend zelfs. Hun zwijgzaamheid rond (de reden voor) de vlucht, wat jonge kinderen proberen in te vullen met hun eigen fantasie. De confrontatie met het lijden van hun eigen ouders, die mede daarom veel beperkter emotioneel beschikbaar (kunnen) zijn voor hen. Gezinsrollen worden dan nog eens compleet dooreen geschud door de vlucht. Kinderen en volwassenen integreren in verschillende snelheden, wat vaak zorgt dat kinderen als tolk moeten optreden voor hun ouders, die op hun beurt in een afhankelijkheidspositie ten aanzien van hun kind geplaatst worden (Serneels, 2016).

Lees verder via Drukke of net stille vluchtelingenkinderen… Wat dragen ze mee in hun rugzakje?

Hoe jongeren reageren op psychische nood van peers op sociale netwerken (Linda Duits)

Deze blogpost verscheen eerst op dieponderzoek.nl

De algemene gedachte is dat jongeren vooral positieve berichten op sociale netwerken zetten. Toch worden die sites ook gebruikt om aan te geven dat je het moeilijk hebt. Leeftijdsgenoten en vrienden zijn de eersten die zulke berichten over psychische nood zien, en voor interventiemethoden is het daarom zinnig om te weten hoe zij reageren op zulke berichten. Een recente studie [open access] stelt die vraag centraal.

De onderzoekers hielden diepte-interviews met 27 bachelorstudenten over berichten met psychische nood die ze zich herinnerden gezien te hebben. De interviewers werden vervolgens door twee onderzoekers thematisch geanalyseerd.

Het belangrijkste inzicht: mensen die een sterke band hebben met degene die zo’n bericht plaatst, reageren. Hoe goed je iemand kent was de belangrijkste overweging voor de respondenten. Die reactie stuurden ze via een privébericht of door te bellen.

Bij een minder sterke band, speelden verschillende voorwaarden een rol:

Waargenomen ernst
Als de nood zeer acuut lijkt, wordt er sneller hulp geboden. Het gaat dan bijvoorbeeld om een medisch noodgeval, zelfmoordoverwegingen, zelfverwonding en verkrachting. Een overweging daarbij is of ze spijt zouden hebben als ze dat niet zouden doen.

Consistentie in postingspatronen
De respondenten namen ook in overweging wat voor posts iemand verder plaatst. Als iemand vaak emotionele berichten online zet, wisten de respondenten niet hoe ze daarmee om moesten gaan. Dat werd vaker gezien als niet-serieus. Als iemand echter vaak negatieve berichten plaatst waarna er een stilte volgt, werd dat wel weer gezien als een teken van echte nood.

Doeltreffendheid 
Onzekerheid over het nut van reageren speelde ook een rol als de respondenten de persoon niet goed kenden. Als ze dachten dat reageren geen verschil zou maken, werd er minder snel actie ondernomen.

Wederkerigheid in het verleden
Als de persoon in nood de respondent vaak aandacht had gegeven op een sociaal netwerk, in de vorm van likes of comments, zou de respondent eerder reageren. Dit lijkt mij een afgeleide van nabijheid, maar de onderzoekers benoemen dit niet als zodanig.

Inleving in de poster of de geposte ervaring
Als de respondenten zich konden identificeren met het bericht, omdat ze zelf vergelijkbare dingen hadden meegemaakt of ze zich dat goed konden voorstellen, werd er sneller gereageerd.

Afkeer van aandachtszoekers
Als iemand gedacht wordt psychische nood te posten om aandacht te krijgen, was de kans kleiner dat er gereageerd werd.

Ideeën over andere omstanders
Als de respondenten het gevoel hadden dat er al andere mensen mee bezig waren, zouden ze minder snel reageren. Daarbij speelde ook een rol wat anderen van hen zouden denken. Ze wilden niet ongevoelig overkomen en dat weerhield hen soms van reageren.

Implicaties
Helaas bespreken de onderzoekers niet wat dit nu precies betekent voor hulpdiensten of andere instanties die werken aan interventiemethoden – ik denk daarbij ook aan scholen waarbij aan monitoring van sociale media wordt gedaan. Het artikel wordt besloten met een generieke conclusie (“[t]he results of this study can also serve as an important building block for future research into support seeking and providing on SNSs” – SNS staat voor Social Network Site). De vier aanbevelingen die worden gedaan zijn uitermate vaag:

“First, this research could help inform SNS policies and practices surrounding identifying, flagging, and moderating distressed posts, which are particularly difficult because certain posts calling for help may fall into the category of self-harm or other banned content. Second, research about the relevant factors motivating response could improve SNS algorithms for people’s personal feeds and ensure that people are seeing the posts in the proper context. Third, further parsing out response motivations could help SNSs design posting features that could facilitate help, as well as build in response features that could increase the likelihood of helping (e.g., separating distressed posts from the newsfeed, reminding responders of prior interactions and reciprocity, etc.). Lastly, while this study attempts to understand how people within the social media environment perceive their friends’ posts, identifying gaps in response and perception could prove helpful for others who are trying to successfully intervene, such as guidance counselors, teachers, and parents” (p. 9).

De opvallende afwezigen in dit lijstje zijn de peers waar het onderzoek om draaide. De taak voor praktijkprofessionals lijkt me het vertalen van deze inzichten naar een toolkit voor jongeren. Hoe bepaal je of iemand aandacht wil of echte nood heeft? Waarom ben je zo bang voor wat anderen van je reactie denken? Wat zou je zelf willen als je je rot voelde en je dat op sociale media zou aangeven? En niet te vergeten: wie kan een leerling of student inschakelen als hij/zij zelf niet durft of wil reageren, maar wel denkt dat er iets aan de hand is?

Wie met vragen zit over zelfdoding, kan terecht bij de Zelfmoordlijn op het gratis nummer 1813 en op de site www.zelfmoord1813.beIn Nederland is er ook een zelfmoordhulplijn 0900-0113 en bijbehorende website waar je ook terecht kan als je je zorgen maakt om iemand anders. 

Lectuur op zaterdag: de tirannie van het gemak dient de mens, onderwijstechnologie als race to the bottom, en meer…

De weekendbijlage bij deze blog:

Via Willem Karssenberg (aka @trendmatcher) vond ik ten slotte deze video van Commoncraft die Blockchain eenvoudig uitlegt:

OESO-working paper: hoe evolueert de gezondheid van onze jeugd? Minder drank en roken, maar…

Deze nieuwe working paper van de OESO over hoe onze jongeren evolueren qua gezondheid. En er is goed én slecht nieuws dat samengevat wordt in onderstaande tabel:

Het rapport biedt een zeer mooi overzicht van de huidige toestand (ook wijzend op hiaten in onderzoek), maar geeft ook een overzicht van mogelijke aanpakken en hun effectiviteit:

Abstract van de working paper:

This paper provides an overview of trends in physical health outcomes of young people over the last several decades. It makes the argument for the importance of physical health and well-being for the individual and society, including its role in education outcomes. The paper then examines interventions, identifying common factors of effective intervention design to improve physical health among young people. It ends with a discussion of remaining gaps in our knowledge and the implications of this body of research on education, communities and families.

Een bekentenis en een vraag over gepersonaliseerd leren

Gisteren vond ik via een tweet van Daniel Willingham de volgende bekentenis en vraag van Larry Berger, de CEO van Amplify over gepersonaliseerd leren:

Until a few years ago, I was a great believer in what might be called the “engineering” model of personalized learning, which is still what most people mean by personalized learning. The model works as follows:

You start with a map of all the things that kids need to learn.

Then you measure the kids so that you can place each kid on the map in just the spot where they know everything behind them, and in front of them is what they should learn next.

Then you assemble a vast library of learning objects and ask an algorithm to sort through it to find the optimal learning object for each kid at that particular moment.

Then you make each kid use the learning object.

Then you measure the kids again. If they have learned what you wanted them to learn, you move them to the next place on the map. If they didn’t learn it, you try something simpler.

If the map, the assessments, and the library were used by millions of kids, then the algorithms would get smarter and smarter, and make better, more personalized choices about which things to put in front of which kids.

I spent a decade believing in this model—the map, the measure, and the library, all powered by big data algorithms.

Here’s the problem: The map doesn’t exist, the measurement is impossible, and we have, collectively, built only 5% of the library.

To be more precise: The map exists for early reading and the quantitative parts of K-8 mathematics, and much promising work on personalized learning has been done in these areas; but the map doesn’t exist for reading comprehension, or writing, or for the more complex areas of mathematical reasoning, or for any area of science or social studies. We aren’t sure whether you should learn about proteins then genes then traits—or traits, then genes, then proteins.

We also don’t have the assessments to place kids with any precision on the map. The existing measures are not high enough resolution to detect the thing that a kid should learn tomorrow. Our current precision would be like Google Maps trying to steer you home tonight using a GPS system that knows only that your location correlates highly with either Maryland or Virginia.

We also don’t have the library of learning objects for the kinds of difficulties that kids often encounter. Most of the available learning objects are in books that only work if you have read the previous page. And they aren’t indexed in ways that algorithms understand.

Finally, as if it were not enough of a problem that this is a system whose parts don’t exist, there’s a more fundamental breakdown: Just because the algorithms want a kid to learn the next thing doesn’t mean that a real kid actually wants to learn that thing.

So we need to move beyond this engineering model. Once we do, we find that many more compelling and more realistic frontiers of personalized learning opening up.

Which brings me to the question that I hope might kick off your conversation: “What did your best teachers and coaches do for you—without the benefit of maps, algorithms, or data—to personalize your learning?”

There are many ways to answer to this question. Each might be a doorway to the future of personalized learning.