De digitale kloof wordt vaak voorgesteld als een kwestie van toegang. Wie minder middelen heeft, heeft minder toestellen en minder bandbreedte. Wie meer middelen heeft, heeft meer technologie. En dit alles helpt de leesprestaties niet. Dit verhaal lijkt eenvoudig. Te eenvoudig. Dit alles nog los van de denkfout die meestal schuilgaat in het kloofdenken.
Maar een recente Duitse studie van Heinz en collega’s naar leesinterventies in het basisonderwijs zet dat beeld namelijk op losse schroeven. Wat blijkt? In deze steekproef hadden gezinnen zonder universitair opgeleide ouders niet minder digitale apparatuur. Integendeel, bepaalde toestellen zoals smartphones met internet kwamen er zelfs vaker voor bij de jonge kinderen.
De klassieke eerste digitale kloof, die van toegang, lijkt hier dus minder evident dan we soms denken.
Dan komt het tweede deel van het verhaal.

De communicatie tussen ouders en school is de voorbije jaren steeds digitaler geworden. E-mails, ouderportalen, leerplatformen, berichtenapps: voor veel scholen is het ondertussen de ruggengraat van het contact met ouders. Dat dit efficiënter is, wordt vaak als evident aangenomen. Maar wat denken ouders daar eigenlijk zelf van?
Dat baby’s al vroeg leren, weet elke ouder. Maar dat dit veel verder gaat dan een stem herkennen in de buik, een glimlach leren spiegelen of steeds meer controle krijgen over het eigen lichaam, kan soms verbazen. Jaren geleden toonde onderzoek van onder meer Stanislas Dehaene dat baby’s al op zeer jonge leeftijd verschillen kunnen waarnemen tussen hoeveelheden. Meer en minder blijken geen lege concepten, ook al hebben ze daar nog geen taal voor. Nog voor er sprake is van tellen, laat staan van rekenen, reageert het brein al anders op verschillende aantallen.