Onlangs verscheen in The Atlantic een opiniestuk dat veel lesgevers zullen herkennen. Walt Hunter stelt dat we studenten te vaak “ontmoeten waar ze zijn” en daarbij onze leesverwachtingen steeds verder verlagen. Minder boeken, kortere teksten, meer samenvattingen. Niet omdat lezen onbelangrijk zou zijn, maar omdat we vrezen dat studenten het niet meer aankunnen of simpelweg niet meer zullen doen. Zijn punt is scherp maar kan ik wel volgen: door studenten te ontzien, ontzeggen we hen net de kans om te groeien in diep lezen, concentratie en intellectuele volharding.
Dat beeld past in een bredere bezorgdheid. Steeds vaker hoor je dat jongeren niet meer lezen, dat romans hen afschrikken en dat langere teksten leiden tot weerstand of afhaken. Het opiniestuk benoemt dat probleem helder en durft iets te zeggen wat veel onderwijsprofessionals denken maar minder vaak hardop uitspreken: misschien zijn we te snel meegegaan in het verlagen van de lat. Iets wat het beleid in Vlaanderen nu wil keren.
Toch verdient dit debat meer nuance.

Dat baby’s al vroeg leren, weet elke ouder. Maar dat dit veel verder gaat dan een stem herkennen in de buik, een glimlach leren spiegelen of steeds meer controle krijgen over het eigen lichaam, kan soms verbazen. Jaren geleden toonde onderzoek van onder meer Stanislas Dehaene dat baby’s al op zeer jonge leeftijd verschillen kunnen waarnemen tussen hoeveelheden. Meer en minder blijken geen lege concepten, ook al hebben ze daar nog geen taal voor. Nog voor er sprake is van tellen, laat staan van rekenen, reageert het brein al anders op verschillende aantallen. 

Een maand is terug voorbij,