Er is niet enkel leervertraging

Gisteren brachten verschillende kranten resultaten van Teacher Tapp Vlaanderen over leervertraging, waarbij de grootste groep van onze respondenten aangaf dat vooral inzicht onder corona te lijden had, behalve in kleuteronderwijs en BSO waar vaardigheden meer onder druk stonden.

Ik kreeg ook een paar reacties van leraren die stelden dat ze zich hier helemaal niet herkenden. Een sprak zelfs van een duidelijke leerversnelling. Ik twijfel er niet aan dat ze gelijk hebben. Wat we de voorbije 12 maanden gezien hebben in de resultaten uit de meeste landen is dat de verschillen groter geworden zijn. Dit kan zowel zijn tussen de kinderen onderling als tussen de scholen. Eerder kreeg ik bijvoorbeeld al een berichtje van een school die vorig schooljaar nog zowat enkel rekenen en taal deden toen de school weer open ging. Dat hun leerlingen op die vakken nu beter scoorden, zal wellicht niet verbazn.

Ook uit onze bevraging bleek dat zowat 1 op 10 leraren geen leervertraging merkten. Dit ligt dus in lijn met andere onderzoeken. Ook als het gaat over welbevinden en mentaal welzijn zijn er nog steeds enorme verschillen merkbaar. Dat het met een verontrustend grote groep niet goed gaat, wil terug niet zeggen dat het met alle tieners of studenten slecht gaat.

Daarom is het belangrijk te beseffen dat lineaire maatregelen vaak niet de oplossing zullen zijn voor de huidige uitdagingen. De noden tussen scholen én binnen scholen zijn daarvoor te verschillend en lineaire maatregelen kunnen de verschillen net groter maken. Het is ook de reden waarom in vele landen de scholen zelf aan de stuurknuppel zitten.

Trouwens: die leerlingen die momenteel aan het excelleren zijn, daar moeten we misschien best ook kijken over hoe we hen nog meer kunnen stimuleren?

Hoe krijg je jongens meer aan het lezen? (OESO)

Er is een nieuw Teaching in Focus-minirapport van de OESO. Hierin combineren de onderzoekers data van PISA en TALIS met elkaar. Dit rapport focust specifiek op de vraag hoe je jongens meer aan het lezen kan krijgen.

Wat blijkt namelijk: er zou een grotere link zijn tussen de leesprestaties van jongens en tuchtproblemen in de klas dan bij meisjes. Let wel, zowel de onderzoekers als ikzelf schrijven bewust meer, te vaak wordt anders gedacht dat dit bij meisjes niet zou voorkomen of dat alle jongens hier last van zouden hebben en zo krijg je het zogenaamde jongensprobleem.

Omdat er wel degelijk een link bestaat tussen tuchtproblemen in de klas en de leesprestaties pleit de OESO daarom om in te zetten op een goede relatie tussen leerling en leraar, omdat deze in hun data gelinkt kan worden aan betere leesprestaties. Ook genoeg opvolgen van zowel leerlingen als leraren zou een rol kunnen spelen.

Let wel: ondanks het feit dat de OESO zeer grote datasets kan gebruiken voor hun analyses, zijn de conclusies steeds gebaseerd op correlaties. Oorzakelijke verbanden laat de data niet echt toe. Anderzijds weten we uit veel onderzoek wel dat een positief leerklimaat en goed opvolgen van het leerproces positief kan werken.

Lectuur op zaterdag: introverte mensen en lockdowns, Orson Welles en wijn, sociale media en wetenschap, en meer!

De weekendbijlage bij deze blog:

  • Dit zijn de laatste Papyrus-makers in Egypte, een beroep dat al 5000 jaar meegaat:

Tot slot: een glimlach met deze foto’s van een dansles ergens in de jaren 60 met als thema Batman:

Hoe zou het nog zijn met… de eindtermen basisgeletterdheid?

Momenteel is het beleid heel erg bezig met de eindtermen van de tweede en derde graad en de voorbereiding van de eindtermen basisonderwijs, maar twee jaar geleden werden de eindtermen voor de eerste graad ingevoerd. Daarbij was een belangrijke vernieuwing dat invoering van eindtermen basisgeletterdheid. Wat waren die eindtermen ook al weer?

De eindtermen basisgeletterdheid moeten door elke individuele leerling bereikt worden op het einde van de 1ste graad, zowel in de A-stroom als in de B-stroom. Eindtermen die een attitude aangeven, zijn door de school bij de leerlingen na te streven. (bron)

Mijn studenten Sarah Sap en Marlies Tuttens schreven een prima bachelorproef met verschillende scenario’s hoe dit zou kunnen aflopen. Maar hoe lijkt het nu echt te verlopen?

Volgens de inspectie bij de voorstelling van de meest recente Onderwijsspiegel worstelen veel scholen met precies de evaluatie van deze eindtermen basisgeletterdheid.

Bij het Katholiek Onderwijs staat alvast dit in de leerplannen:

(zie deze tweet)

Vrij vertaald: de eerste paragraaf toont de eigenlijke bedoeling van de overheid, de tweede paragraaf stelt dat de delibererende klassenraad de premisse van de eindtermen basisgeletterdheid kan overrulen.

Hiermee wordt de kans kleiner dat de eindterme basisgeletterdheid een nieuwe ondergrens wordt waar men zich op zal richten, anderzijds kan het betekenen dat deze specifieke eindtermen vooral meer planlast opleveren omdat ze kunnen vervellen tot een puur administratieve maatregel die zijn doel voorbij schiet. Ik schets nu twee negatieve uitersten, de waarheid zal wellicht, hopelijk niet zo extreem zijn.

Toch is het verhaal rond deze eindtermen basisgeletterdheid nog niet gedaan. Deze eerste ronde die nu afloopt, werd natuurlijk gekenmerkt door een virus. Dat men op verschillende manieren billijk wil delibereren is maar normaal. Tegelijk komen er centrale toetsen aan die misschien hier vanaf 2023 ook wel een rol kunnen in spelen waardoor het voor delibererende klassenraden moeilijker wordt om zomaar dingen of beter doelen door de vingers te zien.

Wordt dus vervolgd…

Gebruik je handen bij het lesgeven én het leren

Als je iets uitlegt dan gaan de meeste mensen behoorlijk gaan gesticuleren, ze gaan allerlei gebaren maken met hun handen. We lijken dit van nature te doen, en dat is goed. Onderzoek toont dat goede ondersteuning met de handen leraren meer effectief maken. Maar ook leerlingen zouden beter begrijpen (en dus onthouden) als ze zelf meer gebaren maken en de leraar hierbij imiteren.

Dit besluiten Zhange et al op basis van twee experimenten die hier door Scientific American worden samengevat waaronder deze:

In the first of two experiments, reported in the February issue of Cognitive Science, 60 undergraduates came to a laboratory to stand and watch a brief narrated video. The video explained the idea of a statistical model, a function that generates predictions. It depicted data as the bars of histograms and models as the means, or averages, of the data. (The simplest model of a collection of numbers is its mean.) Study participants were divided into three groups. A control group simply watched the video. A “match” group watched the same video overlaid with an animation. For the latter group, when the narrator said, for example, that one data set had more variation than another—represented by histograms with more bars placed along their x axis—two vertical red bars (unrelated to the histogram bars) moved away from each other. Those participants were asked to imitate the movement of the red bars with their hands, holding them vertically and moving them apart. A “mismatch” group was instructed to imitate red bars that moved in ways incongruous to the lesson. During the description of variation, for example, they were horizontal and moved vertically.

After watching the video three times, all participants took a short quiz. The match group outperformed the mismatch group, 16.3 to 12.6 (out of a maximum score of 23) on average, and the control group registered an in-between score. A second experiment reproduced the results with 130 college students, this time sitting at laptops. Match participants scored 4.4 out of five points on average, outperforming both the control group (four points) and the mismatch group (3.8).

Opvallend is ook dat toen men de betrokkenheid peilde, ook hier een duidelijk positief effect merkbaar was.

Uit eerder onderzoek was ook al het belang aangetoond van wijzen en aantonen op foto’s.

Abstract van het onderzoek:

Producing content‐related gestures has been found to impact students’ learning, whether such gestures are spontaneously generated by the learner in the course of problem‐solving, or participants are instructed to pose based on experimenter instructions during problem‐solving and word learning. Few studies, however, have investigated the effect of (a) performing instructed gestures while learning concepts or (b) producing gestures without there being an implied connection between the gestures and the concepts being learned. The two studies reported here investigate the impact of instructed hand movements on students’ subsequent understanding of a concept. Students were asked to watch an instructional video—focused on the concept of statistical model—three times. Two experimental groups were given a secondary task to perform while watching the video, which involved moving their hands to mimic the placement and orientation of red rectangular bars overlaid on the video. Students were told that the focus of the study was multitasking, and that the instructed hand movements were unrelated to the material being learned. In the content‐match group the placement of the hands reinforced the concept being explained, and in the content‐mismatch group it did not. A control group was not asked to perform a secondary task. In both studies, findings indicate that students in the content‐match group performed better on the posttest, and showed less variation in performance, than did students in the content‐mismatch group, with control students falling in between. Instructed hand movement—even when presented as an unrelated, secondary task—can affect students’ learning of a complex concept.

Misschien nu al vooruitkijken naar eind september voor het hoger onderwijs?

De wereld zou eind mei – of was het eind juni – er helemaal uitzien. Ik blijf hopen. Tegelijk is dat laat voor mijn studenten en bij uitbreiding alle studenten hoger onderwijs. Het was geen makkelijk jaar – voor niemand, maar zeker niet voor hen. Ik maak me weinig illusies of we hen nog veel normaals zullen kunnen bieden de komende twee maanden.

Daarom even over komende september. Alles normaal? We hebben dit wellicht al te vaak gedacht. Maar we kunnen het echt niet maken om nog een academiejaar abnormaal te laten opstarten. Besef ook dat we anders studenten gaan laten afstuderen als bachelors die nooit een academiejaar gekend hebben dat ook maar een beetje op normaal leek.

Het is moeilijk vooruitkijken in deze tijden, maar tegelijk heb ik het te vaak het gevoel dat we dat ook anderzijds te weinig doen. Misschien doen we hierdoor dan overbodig werk – ook niet vreemd in deze tijden – maar tegelijk kunnen we bijvoorbeeld sneltesten en mogelijks andere zaken uitproberen de komende weken/maanden?

Misschien kunnen we zo zelfs meer mogelijk maken dit academiejaar nog voor de examens, zodat het voor sommige studenten niet weer de examens de enige momenten op de campus worden.

Ja, ik blijf hopen.