Autonomie is een van die begrippen die in onderwijs bijna automatisch positief klinken. Leerlingen autonomie geven. Keuzes aanbieden. Zelfsturing stimuleren. Maar in ons psychologieboek en ook wel hier op deze blog besprak ik al eerder dat het verhaal iets complexer is.
Een recente studie in het Journal of Adolescence van Jiang en collega’s, maakt een onderscheid dat vaak verloren gaat in onderwijsdiscussies: het verschil tussen:
- weinig autonomie ervaren
- Iemand die actief gefrustreerd wordt door minder autonomie te krijgen. Ik schrijf in het vervolg van deze blog autonomie-frustratie, in lijn met het Engelstalige concept uit de zelfdeterminatietheorie.
Dat lijkt op het eerste gezicht een klein verschil. Dat is het niet.



De voorbije week was ik voor werk op hotel. Het was zo’n hotel waar alles klopt. Strak design, mooie materialen, alles netjes weggewerkt. Tot ik een douche nam. Ik wou de kraan opendraaien. Of beter: ik wou proberen ze aan te zetten. Want er bleek geen kraan meer te zijn. Je kan nog draaien aan een knop voor de temperatuur, maar verder was het gewoon alleen een drukknop. Aan of uit.