Lopen we binnenkort rond met een computer in onze hersenen? (Universiteit van Vlaanderen)

Moet nu wel erg denken aan de eerste single van de De Kreuners…

Over computerchips en hoe ze precies werken.
Vroeger nam een computer een hele kamer in beslag, terwijl we er nu een in onze broekzak hebben zitten of aan onze pols hebben hangen. Kunnen we nog een stap verder gaan en lopen we binnenkort rond met een computer in onze hersenen? Als micro-elektronicus aan de KULeuven ontwerpt prof. dr. Marian Verhelst computerchips en zij is dan ook de geknipte vrouw om samen met ons naar de toekomst te kijken.

Hoe oud is deze passage over aantrekkelijk maken van werken in het onderwijs?

Door een kleine, vriendelijke discussie gisteren op internet – ze bestaan – vond ik deze passage, lees even mee:

We vinden het belangrijk dat leerkrachten zich met lesgeven en met hun leerlingen kunnen bezighouden. Daarom zullen we alles in het werk stellen om hen te verlossen van overdreven papierwerk en taken die niet tot hun kerntaken behoren. Leerkrachten moeten hun job in goed omstandigheden kunnen uitoefenen. We zorgen voor een aantrekkelijk loopbaanperspectief en verdere professionalisering.

Welke minister schreef dit? Ik geef u 4 opties en enkele minuten bedenktijd:

  1. Ben Weyts
  2. Hilde Crevits
  3. Pascal Smets
  4. Frank Vandenbroucke

Denk even na voor u verder scrolt…

 

 

 

 

 

 

Geraden? Wellicht vermoedde je al dat het fragment uit 2005 kwam uit de beleidsnota van Frank Vandenbroucke. Maar het erge is: de vier ministers hadden het kunnen zijn. Check Pascal Smet, check Hilde Crevits. Het is niet direct een verwijt aan een van de vier. Ik weet zeker dat bij de meesten van hen de wil om dit tot een goed einde te brengen er was. Maar ondertussen is er een lerarentekort. Misschien kan men de job aantrekkelijker maken?

Lectuur op zaterdag: een levensreddend slecht huwelijk, een AirBnB scam, blinde mensen zonder schizofrenie en meer

De weekendbijlage bij deze blog:

Tot slot een klassieker: is Paul McCartney ooit gestorven en vervangen?  Een overzicht van deze samenzweringstheorie:

Zijn er meer zelfmoorden omdat onze kinderen beter (moeten) scoren op PISA

Kijk, zelfmoord is een zeer beladen en belangrijk thema dat ik van veel te dichtbij ken. Daar ga je niet licht mee om. Daarom dat ik veel moeite had met de uitspraken van David Van Reybrouck in Zwijgen Is Geen Optie waarin hij een causale link suggereert tussen de hoge cijfers voor wiskunde in PISA en de hoge zelfmoordcijfers bij Vlaamse jongeren. Ik geef toe, heb het ook lang gedacht, maar de cijfers tonen iets anders.

Eerst en vooral is er geen sprake dat je op basis van PISA een causale link kan aantonen, je kan hoogstens een correlatie aantonen. Voor wie het verschil niet kent, dit een correlatie:

Maar dat wil niet zeggen dat er geen onderzoek is, die serieuze vragen stelt bij zelfs maar de correlatie die Van Reybrouck stelt. Deze grafiek die Wouter Duyck deelde als reactie toont dat op het moment dat Vlaanderen gelijk aan of beter dan Finland scoorde op PISA voor wiskunde op PISA, er in dat laatste land meer zelfmoorden waren:

Sindsdien zou het in Finland op dat vlak wel beter gaan. Wouter Duyck deelde ook cijfers over de druk die onze kinderen ervaren:

Maar we moeten niet enkel kijken naar PISA. Ook de vierde ronde van het grootschalige jongerenonderzoek van de JOP-monitor (Jongerenonderzoeksplatform), toont dat de belangrijkste oorzaak van verminderd welbevinden bij jongeren niet de school is, maar de thuissituatie. En oja, de meerderheid voelt zich echt wel ok.

Zwijgen is geen optie vind ik een belangrijk uitgangspunt, maar de waarheid heeft zijn rechten ook.

Kinderen leren liefst van een zelfzeker iemand, maar niet als je fouten maakt (onderzoek)

Het al dan niet belangrijk zijn van vakkennis is een debat die regelmatig opduikt. Deze nieuwe studie die ik via BPS Digest vond zal wellicht dit debat mee voeden. Wat blijkt? Leerlingen blijken liever te leren van iemand die zeker van zijn stuk lijkt dan van iemand die zich eerder aarzelend opstelt. Maar tegelijk merken kinderen van vier jaar al op of iemand regelmatig fout is.

Het gaat dus niet zozeer om gewoon zelfverzekerd te zijn over de inhouden, maar ook nog correct. Meer nog kinderen op jonge leeftijd zouden al vrij vroeg trachten te vermijden om iets te leren van wie ze eerder merkten dat die persoon fouten vertelde.

Voor dit onderzoek gebruikte men 662 kinderen tussen 3 en 12 jaar die een reeks van video’s te zien kregen. BPS Digest legt uit wat dit inhield:

They used videos of actors showing “justified” confidence or hesitancy or “unjustified” confidence or hesitancy, and gauged the children’s opinions of these individuals. In each case, an actor was either allowed or not allowed to look inside a box, which contained pictures that the child could not see. The video showed them then being asked what was in the box, and their responses. For example, the “informed, justifiably confident” actor nodded and immediately said something like, “It’s a rabbit. I know it’s a rabbit. It’s a rabbit for sure.” The “informed, unjustifiably hesitant” actor, who had been allowed to look, shrugged and said, “Umm, it could be a puppy… hmm… maybe a puppy? I’ll guess a puppy.” The researchers then probed which of the actors the children would prefer to learn new words from, and who they thought was smarter.

Toch een belangrijke bedenking: dit is een onderzoek in een experimentele setting, wat vooral helpt om te kijken wanneer bepaalde voorkeuren zich ontwikkelen. Het echte leven is vaak complexer – bijvoorbeeld kinderen kunnen ook al een band hebben met de leraar waardoor een minder zekere les gecompenseerd kan worden.

Abstract van het onderzoek van Birch en collega’s:

The most readily-observable and influential cue to one’s credibility is their confidence. Although one’s confidence correlates with knowledge, one should not always trust confident sources or disregard hesitant ones. Three experiments (N = 662; 3- to 12-year-olds) examined the developmental trajectory of children’s understanding of ‘calibration’: whether a person’s confidence or hesitancy correlates with their knowledge. Experiments 1 and 2 provide evidence that children use a person’s history of calibration to guide their learning. Experiments 2 and 3 revealed a developmental progression in calibration understanding: Children preferred a well-calibrated over a miscalibrated confident person by around 4 years, whereas even 7- to 8-year-olds were insensitive to calibration in hesitant people. The widespread implications for social learning, impression formation, and social cognition are discussed.

Waarom is het vergelijken van schoolaanpakken moeilijk? Met ook een relativering van de relativering.

Vandaag en gisteren in gaat het in verschillende kranten over het Steineronderwijs en de slechtere scores die hun ASO-leerlingen halen in het hoger onderwijs. In hun verdedigen geven de Steinerscholen aan dat ze hun curriculum aangepast hebben twee jaar geleden – wat een stuk een schuldbekentenis lijkt -, maar tegelijk ook dat voor hen meer belangrijk is dan enkel het cognitieve.

Ik wil het even niet hebben over deze zaak, maar wel over wat deze zaak aan het rollen bracht. Het nieuws kwam er door een parlementaire vraag naar de slaagpercentages in het hoger onderwijs. Het is zo dat we in ons onderwijs vooralsnog weinig zicht hebben op hoe scholen het doen, en die slaagpercentages lijken wel een duidelijke aanwijzing. Maar schoolprestaties worden door zoveel factoren beïnvloed, dat het niet altijd zo duidelijk is wat de oorzaak is.

Laat het me met een ander voorbeeld tonen. In Gent hebben we een privé-Sudbury school en internationaal stellen verdedigers van deze scholen waarbij het leerlinggecentreerd werken extreem ver wordt doorgevoerd dat de aanpak werkt. Maar… niemand stuurt zijn of haar kind zomaar naar dit schooltype. Het zijn ouders die een zeer bewuste keuze maken, en die bewuste keuze kan op zich al een belangrijk effect hebben, het betekent wellicht dat deze ouders ook  erg betrokken zijn bij hoe ze hun kind willen opvoeden. Tegelijk kan het ook zijn dat het net ouders zijn van kinderen die het moeilijk hebben in het reguliere onderwijs en zo een kans zien voor hun kind om toch zichzelf te ontplooien. De zoon van Peter Gray, een van de felste verdedigers, was in dit geval. Maar wat geldt voor de ouders en/of hun kinderen, geldt ook voor de leerkrachten, ook deze maken wellicht een bewuste keuze en werken niet toevallig in een dergelijke school. Ook dit kan op zich weer effect hebben. En zo zijn er nog de nodige oorzaken te verzinnen, denk bijvoorbeeld ook nog aan dat het vaker hoger opgeleide ouders zijn, enz.

Maar… hierdoor is het onmogelijk te stellen dat het voor elk kind zou werken. Om dit te onderzoeken zouden we kinderen random moeten toevoegen aan verschillende onderwijsmethodes en dan gedurende lange tijd volgen. Een dergelijk onderzoek zou behalve ontzettend duur, ook ethisch onmogelijk zijn. In de VS is het gebeurd met Project Follow-Through, maar niet met alle methodescholen. Oja, daar bleek bij jonge kinderen directe instructie beter te werken dan de andere benaderingen.

Een andere manier om dit te onderzoeken, recent voor Montesorri-onderwijs in Nederland, is om te kijken naar scholen met wachtlijsten waarbij de kinderen die wel door bijvoorbeeld loterij in de school binnen raakten, met kinderen die er niet binnen raakten en in een andere schoolaanpak terecht kwamen. Dit zegt al veel meer, en Montesorri-onderwijs kwam niet slecht uit de vergelijking, maar een beperking is dat de leerlingen of hun ouders wellicht wel een teleurstelling hebben moeten verwerken omdat ze niet de school van hun keuze hebben gekregen.

Dit alles gezegd zijnde, toch ook een relativering van de relativering. Als scholen bijvoorbeeld zeer goede resultaten behalen met leerlingenpopulaties die het vaak net niet goed doen wegens bijvoorbeeld lage sociaal-economische achtergrond, dan is het zeker interessant om te kijken hoe dit komt en hieruit lessen te trekken. En ja, idem als het omgekeerde gebeurt.