Ja, ik weet dat ik pas morgen zou bloggen, maar dit artikel in The Guardian maakte me te kwaad en ik wou er niet gewoon een linkje van maken in mijn lectuur op zaterdaglijst. Ik heb zelf de nodige bedenkingen bij de soms vergaande uitspraken van Jonathan Haidt, maar wat uit vrijgekomen documenten van Meta (het moederbedrijf achter Facebook, Instagram, Whatsapp,…) blijkt, is gewoon te grof voor woorden én doet erg denken aan de tabaksindustrie.
Categorie archief: Mediawijsheid
Wanneer kun je de wetenschap beter niet geloven? (Universiteit van Nederland)
Ik hertaalde ooit hierover een boek van Dan Willingham, Wat we kinderen echt kunnen leren, om je te kunnen wapenen tegen onzin. Deze video van de Universiteit van Nederland hoort helemaal thuis in deze belangrijke tak van mediawijsheid.
Correlatie versus causaliteit wordt goed uitgelegd, maar gaat veel verder. Ook dubbelblindonderzoek wordt uitgelegd, dat veel verder gaat dan RCT’s, maar dat quasi onmogelijk is in onderwijsonderzoek.
- Stap 1: Klopt de wetenschappelijke bewering?
- Stap 2: Wie heeft er belang bij het onderzoek?
- Stap 3: Hoe is het onderzoek uitgevoerd?
- Stap 4: Waarom één studie niet genoeg is
Kan thuiswerken ervoor zorgen dat we meer kinderen krijgen? Een complexer lesje correlatie en causaliteit
Correlatie is geen causaliteit. Het is wellicht een van de meest gebruikte zinnen als ik hier over onderzoek schrijf en ik merkte al dat het soms mensen kan irriteren. Maar een nieuwe NBER-working paper van Andrew Johnston laat mooi zien dat het verhaal daarmee meestal nog maar begint. De vraag van Johnston is eenvoudig: kan thuiswerken ervoor zorgen dat mensen meer kinderen krijgen? Dat idee is niet zo gek. Thuiswerk betekent geen of minder woon-werkverkeer, kan voor meer flexibiliteit zorgen en kan het misschien makkelijker maken om werk en gezin te combineren. Maar is het zo?
Amerikaanse waakhond waarschuwt voor ChatGPT voor tieners
Laten we eerlijk zijn, jongeren gebruiken massaal AI-chatbots. Via Axios ontdekte ik een nieuwe evaluatie van de Amerikaanse organisatie Common Sense Media. Volgens hen heeft 67 procent van de 9- tot 17-jarigen in de Verenigde Staten al AI-chatbots gebruikt. ChatGPT wordt daarbij door 40 procent genoemd. En dat alarmeerde deze waakhond. Ze vroegen zich af wat er gebeurt wanneer een jongere niet alleen om een samenvatting van een geschiedenisles vraagt. Wat gebeurt er als diezelfde jongere vraagt om zijn volledige huiswerk te maken? Of erger, wat gebeurt er als een jongere bijvoorbeeld praat over zelfbeschadiging of over zijn of haar eetstoornis?
Sociale media en mentale problemen: missen we misschien een tussenstap?
Het is een hot topic in de media en ik schreef er zelf al vaker over: de relatie tussen sociale media en de mentale gezondheid van jongeren. Een mentale gezondheid die achteruitgaat en waarvoor we al langer naar verklaringen (bewust meervoud) zoeken. En wie op dit thema een eenvoudig antwoord zoekt, komt meestal bedrogen uit. Ja, ik kijk naar u, welbepaalde partijvoorzitter.
Deze zomer schreef ik over een Zweedse studie die ruim 3.000 jongeren gedurende vijf jaar volgde. Dit onderzoek vond dat de hoeveelheid tijd die jongeren op sociale media doorbrachten hun latere mentale gezondheid niet voorspelde zodra de onderzoekers rekening hielden met verschillen die al bij aanvang bestonden. Mijn conclusie toen: misschien kijken we te veel naar hoeveel jongeren sociale media gebruiken en te weinig naar wat ze er doen.
Een nieuwe studie van Alva Tang en collega’s voegt een nieuw puzzelstukje toe aan het verhaal. Ze tonnen dus niet aan dat sociale media toch depressie veroorzaken. Ze benaderden dit vraagstuk vanuit een andere hoek. Misschien moeten we niet alleen kijken naar hoeveel jongeren sociale media gebruiken, maar ook naar veranderingen binnen dezelfde jongeren. Misschien is er een soort van mogelijke tussenstap tussen sociale media en mentale issues? De onderzoekers vermoeden dat die er is, namelijk cognitieve controle.
Is schrijven echt de beste manier om te leren denken?
Een van de grote zorgen rond generatieve AI in het onderwijs gaat over schrijven, of beter het evalueren van schrijven. Als leerlingen en studenten hun teksten door ChatGPT of een andere AI kunnen laten neerpennen, hoe weten we dan nog zeker of ze zelf wel of niet hebben nagedacht? Het leidt ondertussen tot allerlei oplossingen: meer examens in gecontroleerde omstandigheden, software die het schrijfproces volgt, of mondelinge verdedigingen, enzovoort.
Maar een opiniestuk uit de New York Times dat gisteren met mij gedeeld werd via sociale media formuleert een provocerende gedachte. De auteur, Joe Cruz, draait de redenering om: wat als we veel te gemakkelijk aannemen dat schrijven de beste manier is om te leren denken? Misschien moeten we niet proberen het oude essay, koste wat het kost, tegen AI te beschermen. Nee, laten we veel meer gebruikmaken van gesprekken, discussies en mondelinge examens. Daar moet een student immers ter plekke uitleggen, reageren, argumenteren en verdedigen. Het is een interessante, al niet noodzakelijk originele gedachte. Alleen struikelde ik over een van de argumenten waarmee Joe Cruz zijn stelling verdedigt.
Kinderboeken vertellen over veel emoties, maar tonen vooral kalmte en geluk
Een personage is bang. Of boos. Of verdrietig. Dit wordt duidelijk in de tekst. Maar kijk je vervolgens naar de bijbehorende illustratie, dan is de kans behoorlijk groot dat je iemand ziet die… rustig of gelukkig kijkt. Dat is de opvallende uitkomst van een nieuwe NBER-working paper van Anjali Adukia en collega’s. De onderzoekers bekeken hoe emoties worden weergegeven in Amerikaanse schoolboeken en in bekroonde kinderboeken. Het onderwerp is dus kortgezegd de congruentie tussen woord en beeld.
Hoe verdedig je wetenschap als je ook haar problemen ziet?
Het zijn moeilijke tijden voor mensen die met wetenschap bezig zijn, over wetenschap bloggen en wetenschap verdedigen. Ik doe alle drie. Daniel Muijs schreef het voorbije weekend deze blogpost waarin hij onderwijsonderzoek verdedigt. Hij begint met te erkennen dat er wel degelijk problemen zijn (zeker), maar dat er ook veel goed onderzoek wordt gedaan (ook zeker). Hij geeft zelfs een lijstje met recente, prima studies. Maar tegelijk waren voorbije zaterdag onder wetenschappers in Londen vooral de problemen het onderwerp van gesprek.
Technologie in onderwijs: kijk naar leren én welzijn (APA)
Via Dan Willigham, ontdekte ik het nieuwe rapport van de American Psychological Association over kinderen, jongeren en onderwijstechnologie waar Dan ook aan meeschreef. Veel van wat erin staat, zal vaste lezers van deze blog niet verbazen. Denk bijvoorbeeld aan de vaststelling dat engagement niet hetzelfde is als leren. Ik moet spontaan aan het lijstje van Robert Coe denken. Een leerling kan goed presteren binnen een app en toch weinig onthouden of toepassen zodra die app dichtgaat. Meer of minder schermtijd zegt op zichzelf ook niet zoveel, ondanks soms de grote (morele) paniek. Het hangt er vooral van af wat leerlingen doen, wanneer ze dat doen, met wie en vooral wat die schermtijd vervangt.
Toch vind ik dit rapport behoorlijk sterk. Vooral omdat de auteurs niet in een van de klassieke onderwijsvalkuilen trappen: doen alsof er maar één uitkomst telt.
Deze blog heeft een AI-probleem
Deze blog heeft een AI-probleem. Nee, niet omdat hij door AI werd geschreven. Of beter: ik heb een AI-onderzoekprobleem. Het probleem is namelijk dat ik stilaan niet meer weet welke nieuwe studies over AI en onderwijs nog de moeite waard zijn om hier te bespreken.