Google Earth geeft je nu ook nieuwe creation tools (en er is ook NASA-nieuws van Google)

Als ik de titel herlees, lijkt het also Google je een eigen wereld laat bouwen, maar nee, het gaat natuurlijk over de Google Earth toepassing waarmee je nu ook zelf verhalen, kaarten,… kan bouwen.

Maar er is meer. Google viert ook 60 jaar NASA met NASA’s Visual Universe (en het ziet er echt verbluffend uit!):

To celebrate 60 years of NASA and 50 years of Project Apollo, the Google Arts & Culture Lab has created NASA’s Visual Universe – an experiment drawing on NASA’s vast image archive.

Using NASA’s public API, we explored 127,000 historic images stretching back to 1915, and analyzed them using machine learning – bringing surprising and interactive results.

We especially used Google Cloud Natural Language to extract keywords and information from the archive.

Explore NASA’s rich history of discoveries, missions, and science, search a term, and discover more about the world’s favorite space agency.

De Hype Cycle voor onderwijstechnologie 2019

Met alle korrels zout te nemen die er bij horen, maar kan me bij verschillende zaken wel iets voorstellen.

Wat mij vooral opvalt: hoe weinig er aan het klimmen is en hoeveel technologie er richting het gat van de desillusie gaat, een soort van weergave van een mogelijke tech-lash, ook in onderwijs?

Google lanceert plagiaatchecker voor onderwijs zonder eigenaar te worden van je teksten

Google kondigde net originality reports aan, een tool om na te gaan of de taken van je leerlingen wel origineel genoeg zijn om eigen werk te kunnen zijn. De tool wordt een onderdeel van Google Classroom, maar ook van het ook al nieuwe Google Assignments, een takentool die ontworpen lijkt voor leerkrachten die Google Classroom niet gebruiken.

Het belangrijkste is wellicht deze passage – die haaks staat op sommige andere plagiaat-software:

Your content belongs to you and your students

Student work that has been scanned with the tool is not retained or owned by Google. We search for what’s publicly available on the web. In the future, we plan to add an option for schools to have a private repository of student submissions – that they own – so instructors can see peer-to-peer matches.

Een straffe app voor doven en slechthorenden van Google: Live Transcribe

Ontdekte – wat laat – via deze tweet een nieuwe app die in februari uitkwam.

Check de app hier.

‘Live transcriberen’ is een nieuwe toegankelijkheidsservice van Google voor doven en slechthorenden. Voor ‘Live transcriberen’ wordt gebruikgemaakt van de toonaangevende Google-technologie voor automatische spraakherkenning. De service genereert een realtime transcriptie van spraak naar tekst op je scherm, zodat je altijd kunt deelnemen aan het gesprek. Je kunt het gesprek ook voortzetten door je antwoord op het scherm te typen.

 

 

Tech bedrijven overdrijven de positieve leereffecten van hun producten

Vond dit onderzoek via Larry Ferlazzo, en zoals Larry het stelt, zal het niet veel mensen verbazen: technologiebedrijven overdrijven nogal sterk de positieve leereffecten van hun producten. Let wel het onderzoek “Do Developer-Commissioned Evaluations Inflate Effect Sizes?” van Rebecca Wolf en collega’s heeft momenteel de status van working paper. Het werk werd wel al voorgesteld op een conferentie.

Samengevat wat de onderzoekers vaststelden:

On average, the developer research showed benefits — usually improvements in test scores — that were 70 percent greater than what independent studies found for math and reading interventions.

When independent and the developer studies are compared side by side, the developer studies tended to post 80 percent higher gains for students for the same educational product.

Twitter heeft last van enkele vreemde bugs

Blijkbaar heeft twitter momenteel problemen, check even onderstaande video:

Zelf merkte ik ook al dat de notificaties niet helemaal goed lopen en dat ik bijvoorbeeld ook tweets die me vermelden niet altijd nog te zien krijg. Dit is de reactie van het platform:

Facebook wil jongere kinderen ook messenger laten gebruiken

Kreeg net een telefoontje van een journaliste van Het Laatste Nieuws over de nieuwe Messenger for Kids die Facebook lanceert in de VS. Was de voorbije uren druk bezig met het voorbereiden van mijn lessen, dus had de aankondiging gemist. Ondertussen me al wat verder verdiept en het is enerzijds een oplossing voor de vele 11- en 12-jarigen die nu liegen over hun leeftijd en anderzijds een poging om veel jongere kinderen op het platform te krijgen: het zou mogelijk worden vanaf 6 jaar! Weliswaar in een soort van kangoeroe-benadering waarbij ouders nog een stuk controle hebben over hun kinderen (al zouden ze volgens enkelel bronnen niet kunnen meelezen) en waarbij er geen reclame zou zijn. Het zijn ook de ouders die het profiel zouden moeten aanmaken voor hun kinderen.

Het is natuurlijk een poging om aan toekomstige klanten-binding te doen… (zie ook The Verge)

Waarom beginnen zoveel liedjes vandaag met een sample? (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl, wil je muziek steunen op Spotify waar ik aan meewerkte, check de nieuwe single van Willemsson hier, de nieuwe plaat van Aleksandra & The Belgian Sweets hier of onze eigen plaat van Blue and Broke hier.

Wat is een stream? Hoe lang moet iemand naar iets hebben gekeken of geluisterd voordat het telt? Bij Spotify is dat 30 seconden. Dan wordt het gezien als een play en dan krijgt de artiest betaald. Dat klinkt tamelijk kort in mijn oren – als je vroeger in de platenzaak een single beluisterde en hem na 30 seconden afzette, was dat zeker geen aankoop – maar dat is natuurlijk een kwestie van definitie belangen.

Slimme makers maken daar gebruik van. De Amerikaanse band Vulfpeck gebruikte de 30-secondenregel om geld in te zamelen voor een tour. Ze maakten een album met tien tracks van net iets meer dan 30 seconden, waarop niets anders dan stilte te horen was. Spotify haalde het album uiteindelijk offline, toen de teller op $20.000 stond. Artiesten roepen hun fans op om nieuwe tracks zo vaak mogelijk >30 seconden te draaien. Er is zelfs een speciale tool die nummers in een loop zet, zodat fans terwijl ze slapen ervoor kunnen zorgen dat hun idolen geld verdienen.

Haro Kraak schreef recentelijk in de Volkskrant over hoe deze regel ook de muziek zelf verandert:

“Hoe dat gebeurt? [Muziekproducent] De Wert somt een aantal zaken op: lagere tempo’s, intro’s zonder beat (om luisteraars irritatievrij een liedje in te trekken), refreintjes die eerder in het liedje komen, kortere liedjes en dancetracks met een typische popstructuur.”

Dat gaat over het hele nummer, maar je moet dus vooral (alleen?) zorgen dat de eerste 30 seconden worden gehaald. De managing director van Sony Music Benelux Toon Martens zegt dat alle ‘catchy’ elementen daarin moeten zitten. En wat is het meest catchy: herkenbaarheid. Kraak schrijft daarom:

“Het zou de reden kunnen zijn dat veel liedjes met een bekende sample starten. De nieuwste single van popster Katy Perry, Swish Swish, begint met een sample van Fatboy Slim (‘They know what is what / but they don’t know what is what’), die Fatboy Slim zelf leende van dj Roland Clark. Daarna klinkt een deephousebeat die rechtstreeks uit de nineties komt. ‘Het is schaamteloos en best briljant’, zegt marketingstrateeg David Emery tegen Pitchfork.”

Het stuk gaat daarna in op de mogelijkheid een hit te maken op basis van luisterdata. Gelukkig weten we uit wetenschappelijk onderzoek al dat het onmogelijk is daar een formule voor te formuleren. Popmuziek zal altijd ook om verrassing en originaliteit blijven draaien.

Nieuw van Kennisnet: monitor Jeugd en Media. Wat is relevant voor onderwijs?

Vandaag verschijnt om 8u30 de nieuwe monitor over jeugd en media in Nederland van Kennisnet. Ik kon het rapport al inkijken. Dit is de samenvatting waarbij ik in het vet enkele relevante elementen aanduid:

    • De enquête onder 10- t/m 18-jarigen bevestigt het beeld dat de Monitor Jeugd en Media 2015 ook al liet zien: kinderen en jongeren vormen geen homogene generatie. Je kunt eigenlijk niet spreken over de jeugd als het gaat om mediagebruik. Er zijn grote verschillen in het doel waarvoor ze digitale media inzetten.
    • Uit de vragenlijst blijkt dat leerlingen digitale veelgebruikers zijn en dat ze vertrouwen hebben in hun eigen digitale kunnen. School speelt echter nauwelijks een rol in het bijbrengen van digitale kennis en vaardigheden. Jongeren doen die competenties naar eigen zeggen op in hun vrije tijd en worden daarbij geholpen door hun ouders.
    • De respondenten weerspreken het beeld dat er sprake is van een digitale generatie. Natuurlijk: voor kinderen en jongeren is digitale technologie de normaalste zaak van de wereld. Maar technologie biedt niet voor alles soelaas, niet bij de informatieverwerking tenminste. Informatie zoeken ze het liefst via internet, niet via de bibliotheek. Maar als het gaat om het maken van aantekeningen en het lezen van lange teksten en boeken bestaat er een duidelijke voorkeur voor papier. Je zou ze ‘gemengde’ gebruikers kunnen noemen.
    • Leerlingen tellen de zegeningen van internet. Zo zegt meer dan de helft van de leerlingen beter in Engels te zijn geworden dankzij internet. Twee derde zegt dankzij internet meer te leren dan dat hun ouders vroeger deden.
    • Uit de praktische toets blijkt dat veel leerlingen moeite hebben op internet te zoeken en informatie op waarde te schatten.
    • Vmbo-leerlingen presteren het minst. Ze verzamelen feitelijke informatie, maar bij het uitvoeren van een zoekopdracht doen ze nauwelijks een beroep op andere deelcompetenties, namelijk beoordelen, verwerken en presenteren van informatie. Dat gaat ze erg moeilijk af. Deze 3 deelvaardigheden zijn echter essentieel bij het werk dat ze doen voor school, hun vervolgopleiding en hun latere baan.
    • Leerlingen uit het vmbo letten vaker dan leerlingen uit de andere onderwijsniveaus op de relevantie van de informatie voor het beantwoorden van de toetsvraag. Bij het beoordelen van informatie vertrouwen ze vaker op hun eigen inzicht/gevoel.
    • Havo/vwo-leerlingen letten bij het beoordelen van informatie vaker dan leerlingen van de andere niveaus op of informatie op meerdere websites voorkomt, of de bron betrouwbaar is en wat de uiterlijke kenmerken van de website zijn.
    • Opvallend is dat po-leerlingen het vaakst aangeven niet te weten waar ze op moeten letten bij het beoordelen van informatie op internet.
    • De resultaten suggereren dat de zoekstrategieën van leerlingen onderverdeeld zijn in het zoeken met sleutelwoorden en het zoeken met zinnen/vragen. Leerlingen lijken een van deze zoek- strategieën dominant te gebruiken tijdens het zoekproces. Daarbij zoeken vmbo- en po-leerlingen vaker met een zin/vraag en havo/ vwo-leerlingen vaker met een sleutelwoord.
    • Dat er verschillen zijn tussen havo- en vwo-leerlingen en vmbo-leerlingen is inherent aan het verschil in cognitieve vermogens. Maar het grote verschil in digitale informatievaardigheden tussen leerlingen op de verschillende niveaus valt wel erg op.