Nieuwe paper doet wellicht anders kijken naar autisme

Deze nieuwe paper van Vikram K. Jaswal en Nameera Akhtar wil een manier van denken over autisme tackelen bij het grote publiek én bij onderzoekers zelf.

De auteurs stellen namelijk dat het sociaal ongeïnteresseerd lijken van mensen met autisme exact dat is, namelijk ‘lijken’. Ze vermoeden dat mensen met autisme wel degelijk sociaal contact willen, maar dat motorische en andere uitdagingen ervoor zorgen dat het lijkt dat niet het geval is.

Waarom zouden we die fout maken?

The perspectives of autistic people are rarely included in scientific accounts that make claims about their social interest or motivation even though they are the ones most affected by this research.

Waarna een hele reeks onderzoeken volgen die het punt van de auteurs onderbouwen.

Abstract van de paper:

Progress in psychological science can be limited by a number of factors, not least of which are the starting assumptions of scientists themselves. We believe that some influential accounts of autism rest on a questionable assumption that many of its behavioral characteristics indicate a lack of social interest—an assumption that is flatly contradicted by the testimony of many autistic people themselves. In this paper, we challenge this assumption by describing alternative explanations for four such behaviors: (a) low levels of eye contact, (b) infrequent pointing, (c) motor stereotypies, and (d) echolalia. The assumption that autistic people’s unusual behaviors indicate diminished social motivation has had profound and often negative effects on the ways they are studied and treated. We argue that understanding and supporting autistic individuals will require interrogating this assumption, taking autistic testimony seriously, considering alternative explanations for unusual behaviors, and investigating unconventional—even idiosyncratic—ways that autistic individuals may express their social interest. These steps are crucial, we believe, for creating a more accurate, humane, and useful science of autism.

Opgroeien met Alexa (Linda Duits)

Deze blog verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Alexa is de virtuele assistent van Amazon die van alles voor je kan afspelen en opzoeken. Dat is handig, ook voor kinderen. Alexa reageert immers op spraakopdrachten. Op Technology Reviewverscheen een achtergrondartikel waarin de invloed van Alexa op opgroeiende kinderen wordt besproken. Worden ze er lui van, omdat zulke virtuele assistenten van alles voor je kunnen doen, of misschien wel gemeen, omdat je de technologie bevelen geeft? Auteur Rachel Metz is optimistisch: ze prijst vooral de voordelen op het gebied van leren, spelen en communicatie.

Vorig jaar voerden onderzoekers van MIT een studie [volledige toegang] uit met 26 kinderen tussen de 3 en 10 jaar naar hun omgang met Alexa, Google Home, een speelgoedrobot en een chatbot. Daaruit kwamen vier thema’s naar voren: vermeende intelligentie, toeschrijven van identiteit, speelsheid en begrip. De kinderen testten van alles uit: ze stelden bijvoorbeeld verschillende Alexa’s dezelfde vraag. Opvallend was verder dat ze geen duidelijk gender aan de assistenten toeschreven.

Metz sprak met een van de onderzoekers. Zij stelt dat kinderen dankzij de omgang met Alexa beter leren communiceren, niet alleen met robots maar ook met andere mensen:

“She sees a huge opportunity for virtual assistants like Alexa, Google Home, and others to be designed in ways that push us to treat others the way we want to be treated.”

Dat is nogal een uitspraak. In de studie zelf zijn de onderzoekers voorzichtiger. De conclusie gaat vooral over verbeteringen aan virtuele assistenten, zoals uitleggen waarom ze een opdracht niet kunnen uitvoeren (‘ik snap je niet’ versus ‘ik heb deze informatie niet’). De andere kant komt ook aan bod. Metz citeert een ontwikkelingspsycholoog die zich zorgen maakt dat ‘digitale butlers’ het vermogen van het kind om zelf dingen te doen zal verminderen. Zulke zorgen bestonden ook bij de uitvinding van het schrift (‘de jeugd van tegenwoordig hoeft dan niets meer uit het hoofd te leren!’) en het is onwaarschijnlijk dat ze gelijk zal krijgen. Virtuele assistenten zullen een plek vinden in het alledaagse leven, zonder grote of radicale effecten op dat alledaags leven.

Wat opmerkelijk is, is dat er niet gekeken wordt naar de effecten van bestaande assistenten bij de opvoeding, zoals nannies nu of gouvernantes vroeger. Die zijn immers een goede voorspeller. Bij niet-virtuele assistenten ligt de zorg vooral bij de vervanging van contact met de ouders. Het is dan ook raar dat deze vraag in dit onderzoek en het artikel niet gesteld zijn.

Wat kunnen we leren van de langste studie naar menselijke ontwikkeling ooit? TED-talk van Helen Pearson

Twee belangrijke lessen (met veel kleine tips tussendoor):

Eerste les: wordt niet geboren in een arm gezin

Tweede les: ouders doen er echt heel erg toe (zeker in de eerste levensjaren), en bijvoorbeeld het belang van regelmatige bedtijden.

Maar zelfs met perfecte ouders, blijft de invloed van armoede enorm groot.

Persbericht en onderzoek Awel: jongeren en terreur in Vlaanderen

Awel heeft net een nieuwe kwalitatieve studie gepubliceerd specifiek deze keer wat de impact van terreur is op jongeren. Ik deel hier graag het persbericht:

Na de aanslagen in Parijs, Brussel en Zaventem, en Manchester contacteerden sommige jongeren Awel, de hulp- en informatielijn voor kinderen en jongeren. Awel voerde een analyse uit op een deel van deze gesprekken. Angst kwam zeer vaak naar voren in de vragen en verhalen. Wat jongeren aan Awel vertelden, roept vragen op over hoe ouders, leerkrachten, media en politiek (on)bewust bijdroegen aan de angst die Daesh wil zaaien. Awel hoopt met deze gespreksanalyse de pijnplekken bloot te leggen en een antwoord te bieden op de vraag ‘hoe het anders kan’. Daarnaast botsten we in dit onderzoek op een groter maatschappelijk verhaal dat schuilging achter wat jongeren ons vertelden: de aanslagen scherpten de polarisatie in onze samenleving aan. Diverse partijen stellen identiteiten tegenover elkaar: identiteit in de aanslag!

Bang, maar ook andere emoties

Zowel vlak na de aanslagen als maanden later voelden jongeren zich bang; dat dierbaren of zijzelf een aanslag zouden meemaken, bang voor oorlog en overheersing, bang dat ze voor altijd in angst zouden moeten leven. Er was opluchting omdat een dierbare aan een aanslag was ontsnapt. Jongeren leefden ook volop mee met degenen die rechtstreeks geraakt werden en voelden verdriet. En er was boosheid en onbegrip tegenover de plegers van geweld en anderen die ze verantwoordelijk achtten. Stresssymptomen, maar ook bewuste pogingen om zich beter te voelen Angst heeft bij deze jongeren tot stress geleid. Ze vermeldden in hun gesprekken met Awel slaapproblemen, enge dromen, concentratieproblemen, hyperwaakzaamheid, vermijdingsgedrag, agressieve gevoelens en gedachten, overspoelende beelden en emoties, en shock. Maar jongeren probeerden ook bewust met hun emoties om te gaan. Ze zochten steun bij ouders, leeftijdsgenoten en anderen. Ze zochten betekenis door zelf steun te uiten of positieve daden te stellen, onder andere via symbolische solidariteitsacties op sociale media. Ze maakten zich sterk dat ze zelf niet geraakt zouden worden en ze relativeerden het gevaar. Jongeren wilden ook weten wat er concreet gebeurd was en het ‘waarom’ van de terreuraanslagen ‘begrijpen’. Sommigen zochten afleiding in activiteiten en anderen bleven piekeren.

Hoe kunnen ouders, leerkrachten en andere opvoeders helpen?

Uit de gesprekken met jongeren blijkt dat deze copingstrategieën niet altijd effectief geweest zijn. We kunnen eruit leren wat bij toekomstige schokkende gebeurtenissen anders moet. Als we willen dat pogingen van jongeren om zich beter te voelen, helpen, moeten we allereerst het goede voorbeeld geven. Een volwassene bij wie een jongere steun zoekt, moet zelf kalmte uitstralen. Door je kind thuis ik ben hele maal in chok na de gebeurtenis (Meisje, 10 jaar, meteen na de aanslagen in Parijs) te houden, zeg je dat het niet veilig is. Militairen in het straatbeeld en de lockdown van scholen geven de dubbele boodschap dat jongeren beschermd worden en dat er echt gevaar dreigt. De media moeten jongeren voldoende informeren, maar wel met een samenhangend verhaal dat niet is opgeklopt. Want jongeren vertellen dat ze de berichtgeving beangstigend en ‘overdreven’ vinden en dat beelden een diepe indruk maken. Ze lijken de berichtgeving ook aan te vullen met hun eigen fantasie. Ouders kunnen samen met hun kinderen naar het jeugdjournaal van Karrewiet kijken, en het jeugdjournaal kan ook de berichtgeving voor volwassenen inspireren. Toon ten slotte vooral dat je er bent. Dat je emotioneel beschikbaar bent om te luisteren en er samen over te praten.

Wij vs. Zij

Soms expliciet, soms tussen de regels, zagen we dat de terreuraanslagen de polarisatie in onze samenleving hebben verscherpt. De grote verliezers daarin zijn de meest kwetsbaren in onze maatschappij: jongeren van etnisch-culturele minderheden en vluchtelingen. Zij worden geconfronteerd met stigmatisering, discriminatie, … Hun verbinding met de maatschappij komt onder druk te staan. Het ontwikkelen van een positieve identiteit, het koesteren van een toekomstideaal komen in het gedrang. Ieder van ons draagt daarin een verantwoordelijkheid. De hele samenleving moet werken aan meer warmte en empathie. Door op te groeien in een warm opvoedingsklimaat kunnen jongeren hun empathische vaardigheden ontwikkelen. Scholen kunnen jongeren laten oefenen in democratische vaardigheden door gevoelige thema’s op een constructieve manier te bespreken met hun leerlingen. Politici en media kunnen een beter voorbeeld van democratie tonen en er bewust voor kiezen niet mee te stappen in een wij-zij verhaal en het verhaal nauwkeurig te ontleden.

Enkele opvallende elementen uit het nieuwe Apestaartjarenonderzoek: YouTube als winnaar

Het tweejaarlijkse mediafeest is er weer met de publicatie vandaag van de nieuwe apestaartjaren-cijfers. Ik had het geluk ze al eerder te kunnen inkijken, maar wil je wel enkele dingen meegeven die mij opviel. Zo is Facebook niet dood, maar ook niet zo levend als ze wellicht zelf zouden willen. En tablets zijn massaal aanwezig. we eerder zagen, worden bevestigd. Meisjes zijn bewuster met privacy bezig, sociale netwerken vinden een plaats naast Facebook en de berichten zijn belangrijker dan de tijdlijn.

Maar de grote winnaar is… YouTube. We weten dat YouTube al lang een van de belangrijkste zoekmachines is, maar het is TV, radio, en zoveel meer. De belangrijkste redenen voor technologiegebruik en entertainment. Fortnite ontbreekt wel, wellicht omdat het doorbrak net na de bevraging. Ook opvallend: 1 op 8 heeft al een VR-bril.

School is er wel met het succes van Bingel (6 op 10 basisschoolkinderen) en de smartschools van deze wereld, maar toch minder belangrijk dan velen zouden willen.

De VRT enerzijds en de Standaard anderzijds maakten deze verdere samenvatting:

 

De rol van je opvoeding in je zelfvertrouwen als volwassene

Uit tweelingstudies zou blijken dat zelfvertrouwen wel degelijk een genetische basis te hebben, maar… de omgeving zou wel een iets grotere impact hebben dan erfelijkheid en volgens een nieuwe studie zou die invloed van de omgeving zeer vroeg beginnen… Concreet: hoe beter de kwaliteit is van de thuissituatie tussen 0 en 6, hoe groter het zelfvertrouwen als volwassene. Met kwaliteit van de thuissituatie wordt bedoeld: warm en responsief ouderschap, cognitieve uitdaging en stimulatie en een veilige, gestructureerde omgeving.

Ulrich Orth van de Universiteit van Bern analyseerde data van net geen 9000 individuen die geboren werden tussen 1970 en 2001 en van wie de moeder meedeed in de National Longitudinal Survey of Youth die startte in de VS in 1979 en hij analyseerde de tweejaarlijkse interviews met de moeders toen de kinderen tussen 0 en 6 waren om te peilen naar de kwaliteit van de thuissituatie op de punten die ik net besprak, maar ook de kwaliteit van de partnerrelatie, of er wel een vader aanwezig was, eventueel postnatale depressies en armoede.

Het zelfvertrouwen werd vervolgens gemeten toen de kinderen 8 waren, en jaarlijks opnieuw tot ze 27 waren.

Wat Orth vaststelde was de kwaliteit van de thuisomgeving tussen 0 en 6 correleerde (en dat is terug een belangrijke nuance) met hoe de deelnemers later zelf hun zelfvertrouwen inschatten (en dat is een tweede belangrijke nuance) Het effect nam wel wat af met ouder worden, maar was wel nog duidelijk merkbaar. Ook al dan niet een postnatale depressie en de kwaliteit van de partnerrelatie correleerde, maar die invloed was bij volwassenheid zowat verdwenen.  Het negatieve effect van armoede en het al dan niet ontbreken van een vader bleek ook nog te correleren met zelfvertrouwen op 27. Deze elementen hadden vooral terug een link met de kwaliteit van de omgeving bleek uit verdere analyse.

Ik merkte al 2 belangrijke nuances op bij deze studie:

  • correlatie betekent niet per se een causaal verband,
  • er is sprake van zelfrapportage

Maar Christian Jarrett van BPS Digest voegt nog een derde nuance toe waar ik niet aan dacht:

Perhaps a deeper question is whether higher self-esteem is a desirable outcome at all. There was a time when many psychologists and social reformers believed increasing the average self-esteem of a community would open the doors to a range of welcome outcomes, from superior mental health to career success. However, we know today that the benefits of greater self-esteem are quite modest, mostly centred on feeling happier and having more initiative, and that excessive self-esteem can even be problematic in some cases, especially if it slides into narcissism.

Abstract van het onderzoek:

A better understanding is needed of the factors that shape the development of individual differences in self-esteem. Using a prospective longitudinal design, this research tested whether the family environment in early childhood predicts self-esteem in later developmental periods. Data came from a nationally representative U.S. sample of 8,711 participants, who reported on their self-esteem biannually from age 8 to 27 years. Moreover, during the participants’ first 6 years of life, biannual assessments of their mothers provided information on the quality of the home environment (covering quality of parenting, cognitive stimulation, and physical home environment), quality of parental relationship, presence of father, maternal depression, and poverty status of the family. The analyses were conducted using nonlinear regression analyses of age-dependent correlation coefficients, which were controlled for the effects of child gender and ethnicity. The results suggested that the family environment in early childhood significantly predicted self-esteem as the children grew up. Although the effects became smaller with age, the effects were still present during young adulthood. The largest effects emerged for quality of home environment. Moreover, the results suggested that the effects of home environment, presence of father, and poverty are enduring, as indicated by a nonzero asymptote in the time course of effects from age 8 to 27 years. Finally, quality of home environment partially accounted for the effects of the other predictors. The findings suggest that the home environment is a key factor in early childhood that influences the long-term development of self-esteem.

Bericht uit de toekomst: Je kindertijd herbeleven omdat je moeder een early VR-adopter was (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

De beelden van mijn kindertijd zijn beperkt tot een paar filmpjes van mij als peuter en wat fotoalbums vol verslagen van vakanties en feesten. Voor jongeren geboren in de jaren ’90 is dat anders: hun ouders hebben dankzij de komst van digitale camera’s veel grote hoeveelheden materiaal, die ook nog eens alledaags is. Aan fotograferen en filmen zaten immers minder kosten verbonden. Kinderen die vanaf nu geboren kunnen mogelijk later hun kindertijd in virtual reality herbeleven.

Op Technology Review beschrijft redacteur Rachel Metz haar ervaringen met de Mirage Camera van Lenovo, een VR-camera van $300. De resultaten bekeek ze met de Lenovo Mirage Solo VR headset van $400. Daarmee is het betaalbare technologie voor ouders die net als Metz geobsedeerd zijn met het vastleggen van alle dingen die hun kroost doen. Ze schrijft:

“Looking at the images and videos I took was a blast, though. Seeing my daughter run up to her dad and hug him in my parents’ sunny backyard, with a 3-D effect and from the same vantage point at which I shot the video, felt almost like being there. Ditto for photos and videos of my niece and nephew horsing around, and some stills I got of my parents.”

De gezinsenquête: wat over opvoeding?

Vandaag in de media de resultaten van de grote gezinsenquête, afgenomen bij 2500 Vlaamse gezinnen.

Zelf even gezocht naar de volledige resultaten en die vind je hier, hier vind je een mooi overzicht samengevat.

Enkele opvallende gegevens rond opvoeding:

Elke ouder vindt andere doelen belangrijk in de opvoeding van een kind. Sommige ouders vinden het belangrijk dat hun kind zich correct of gepast gedraagt. Andere vinden dat hun kinderen voor zichzelf moeten kunnen opkomen of dat ze ijverig en ambitieus moeten zijn.

De gezinsenquête legde tien opvoedingsdoelen voor aan ouders. ‘Respect hebben voor andere mensen’ staat op één in de top drie van wat ouders belangrijk vinden in de opvoeding van hun kinderen, zowel bij moeders als bij vaders. Bijna zes op de tien ouders plaatste dit in hun top drie. ‘Gevoel voor verantwoordelijkheid’ en ‘voor zichzelf kunnen opkomen’ komen op plaats twee en drie. Voor veel ouders zijn ‘ijverig en ambitieus zijn’, ‘verdraagzaam zijn’ en ‘rekening houden met anderen’ minder belangrijk.

grafiek opvoedingsdoelen

Opvoedingsbeleving

Een groot deel van de ouders (meer dan negen op tien) vindt kinderen opvoeden een verrijking van hun leven. Zorgen voor de kinderen maakt ouders ook gelukkig en trots. Ouders van jonge kinderen voelen zich het meest trots en gelukkig.

Daarnaast geeft ook een deel van de ouders aan dat kinderen opvoeden aanzienlijk wat tijd en geld kost en dat opvoeden een behoorlijke impact heeft op hun sociaal, persoonlijk en relationeel leven. Meer dan 35% van de ouders beaamt immers dat ze door de kinderen minder tijd hebben om te doen wat ze graag doen. Bijna één op vijf ouders geeft aan dat de kinderen de tijd die ze hebben met de partner beperken en één op vijf ouders zegt dat het opvoeden voor spanningen in de relatie zorgt.

Bijna drie op de vier ouders geeft aan dat kinderen grootbrengen veel geld kost en meer dan de helft van de ouders maakt zich zorgen over de toekomst van de kinderen. Meer dan de helft van de respondenten stelt dat opvoeden (helemaal) niet fysiek of emotioneel uitputtend is. Maar er blijken wel verschillen tussen ouders te bestaan, want één op de vijf ouders stelt dat opvoeden emotioneel uitputtend is en bijna één op vijf stelt dat kinderen opvoeden ook lichamelijk uitputtend is.

Enerzijds vinden moeders de opvoeding van de kinderen meer verrijkend dan vaders, anderzijds vinden ze vaker dan vaders dat opvoeding gepaard gaat met een zekere kost (zowel financieel, emotioneel als lichamelijk). Ook bij alleenstaande ouders scoren de financiële, emotionele en lichamelijke kosten van opvoeden – niet onverwacht – hoger dan bij koppels.

Opvoedingsbelasting

Meer dan negen op tien ouders vindt dat ze goed in staat zijn om voor de kinderen te zorgen, minder dan 1% geeft aan dat hij niet goed in staat is voor zijn of haar kinderen te zorgen. Eén op drie geeft toe dat het opvoeden moeilijker is dan gedacht, maar in het algemeen ervaart de meerderheid het opvoeden van de kinderen niet als belastend.

Regelmaat en consistentie

De meerderheid van de ouders geeft aan dat hun huis ordelijk en schoon is, en dat de kinderen volgens vaste regels leven. Eén op vijf ouders zet echter niet altijd door met het disciplineren van hun kind en laat zich overhalen om lichter te straffen dan ze eigenlijk van plan waren. Net iets meer dan de helft van de ouders houdt wel voet bij stuk wanneer ze ‘nee’ hebben gezegd.

Vragen en zorgen rond opvoeding

Acht op tien ouders heeft weinig of geen vragen en zorgen bij de opvoeding, de rest heeft tamelijk veel tot heel veel vragen bij de opvoeding. De meeste vragen en zorgen over opvoeding komen voor bij ouders met kinderen tussen zes en achttien jaar.

De belangrijkste thema’s waarover ze zich zorgen maken zijn schoolprestaties (vier op tien ouders vinkte dit aan), emotionele problemen en koppig en opstandig gedrag.

grafiek opvoedthemas

Opvoedingsondersteuning

Bijna vier op tien ouders heeft ooit al eens een beroep gedaan op opvoedingsondersteuning. Vrouwen maken er meer gebruik van dan mannen, en mensen met een EU-herkomst vaker dan ouders met een herkomst buiten de EU. Ruim de helft zoekt deze ondersteuning bij een therapeut, psycholoog of een psychiater, een kleine helft wendt zich tot het CLB of de school. Zowat een kwart stelt zijn vragen aan de huisarts.

Wie geen gebruik maakte van ondersteuning, had hier vaak ook geen behoefte aan. Veel ouders krijgen steun van familie of vrienden, of zoeken zelf informatie via folders, boeken of websites. Opvallend is wel dat een kwart van de ouders met veel of heel veel opvoedingsvragen geen gebruik heeft gemaakt van ondersteuning.

Maar er is meer:

Gedrag van kinderen

Ongeveer driekwart van de ouders rapporteert geen moeilijkheden in verband met de verschillende aspecten van het gedrag van kinderen (emotionele problemen, problemen met leeftijdsgenoten, gedragsproblemen, hyperactiviteit en problemen met prosociaal gedrag). Een kwart van de ouders rapporteert wel dat hun kind moeilijkheden ondervindt op één of meerdere van deze aspecten. Als er moeilijkheden zijn, gaat het eerder over meer emotioneel probleemgedrag en over minder prosociaal gedrag dan over problemen met leeftijdsgenoten, gedragsproblemen en hyperactiviteit.

grafiek gedrag van kinderen

Opvoedingsgedrag bij ouders

De gezinsenquête peilde naar opvoedingsgedrag van ouders waarvan geweten is dat het bijdraagt aan een goede ontwikkeling van het kind. De grote meerderheid van de ouders (80% en meer) is positief betrokken bij de opvoeding, leert regels en vermijdt overmatig materieel belonen, veel straffen of veel fysiek straffen. Toch geldt dit niet voor alle ouders. Een vijfde van de ouders is minder positief betrokken bij de opvoeding en 15% van de ouders straft meer dan gemiddeld.

opvoedingsgedrag ouders

Lager opgeleide ouders zijn minder vaak positief betrokken bij de opvoeding dan hoger opgeleide ouders. Deze laatste zijn zich mogelijk meer bewust van het belang van de ouderrol, of hebben meer tijd en middelen om positief betrokken te zijn bij hun kinderen. Vergeleken met moeders zijn vaders ook wat minder positief betrokken en houden ze zich minder bezig met het aanleren van regels.

Alleenstaande ouders geven aan meer positief betrokken te zijn bij hun kinderen dan gehuwde of samenwonende ouders.

Positief opvoedingsgedrag hangt samen met minder problemen bij het kind, terwijl meer straffen samenhangt met meer problemen bij het kind. Toch is deze samenhang eerder zwak.

Over het algemeen gaat het goed met het gedrag van kinderen en het opvoedingsgedrag van ouders in Vlaanderen. De grote meerderheid ondervindt geen moeilijkheden. Kind- en opvoedingsgedrag kunnen verschillen naar specifieke kind- en ouderkenmerken. Wanneer het beleid wil inzetten op het ondersteunen van gezinnen die moeilijkheden hebben met kind- en/of opvoedingsgedrag, doet men dit best vanuit het principe van proportioneel universalisme, rekening houdend met de specifieke noden van het gezin.