Enkele opvallende elementen uit het nieuwe Apestaartjarenonderzoek: YouTube als winnaar

Het tweejaarlijkse mediafeest is er weer met de publicatie vandaag van de nieuwe apestaartjaren-cijfers. Ik had het geluk ze al eerder te kunnen inkijken, maar wil je wel enkele dingen meegeven die mij opviel. Zo is Facebook niet dood, maar ook niet zo levend als ze wellicht zelf zouden willen. En tablets zijn massaal aanwezig. we eerder zagen, worden bevestigd. Meisjes zijn bewuster met privacy bezig, sociale netwerken vinden een plaats naast Facebook en de berichten zijn belangrijker dan de tijdlijn.

Maar de grote winnaar is… YouTube. We weten dat YouTube al lang een van de belangrijkste zoekmachines is, maar het is TV, radio, en zoveel meer. De belangrijkste redenen voor technologiegebruik en entertainment. Fortnite ontbreekt wel, wellicht omdat het doorbrak net na de bevraging. Ook opvallend: 1 op 8 heeft al een VR-bril.

School is er wel met het succes van Bingel (6 op 10 basisschoolkinderen) en de smartschools van deze wereld, maar toch minder belangrijk dan velen zouden willen.

De VRT enerzijds en de Standaard anderzijds maakten deze verdere samenvatting:

 

De rol van je opvoeding in je zelfvertrouwen als volwassene

Uit tweelingstudies zou blijken dat zelfvertrouwen wel degelijk een genetische basis te hebben, maar… de omgeving zou wel een iets grotere impact hebben dan erfelijkheid en volgens een nieuwe studie zou die invloed van de omgeving zeer vroeg beginnen… Concreet: hoe beter de kwaliteit is van de thuissituatie tussen 0 en 6, hoe groter het zelfvertrouwen als volwassene. Met kwaliteit van de thuissituatie wordt bedoeld: warm en responsief ouderschap, cognitieve uitdaging en stimulatie en een veilige, gestructureerde omgeving.

Ulrich Orth van de Universiteit van Bern analyseerde data van net geen 9000 individuen die geboren werden tussen 1970 en 2001 en van wie de moeder meedeed in de National Longitudinal Survey of Youth die startte in de VS in 1979 en hij analyseerde de tweejaarlijkse interviews met de moeders toen de kinderen tussen 0 en 6 waren om te peilen naar de kwaliteit van de thuissituatie op de punten die ik net besprak, maar ook de kwaliteit van de partnerrelatie, of er wel een vader aanwezig was, eventueel postnatale depressies en armoede.

Het zelfvertrouwen werd vervolgens gemeten toen de kinderen 8 waren, en jaarlijks opnieuw tot ze 27 waren.

Wat Orth vaststelde was de kwaliteit van de thuisomgeving tussen 0 en 6 correleerde (en dat is terug een belangrijke nuance) met hoe de deelnemers later zelf hun zelfvertrouwen inschatten (en dat is een tweede belangrijke nuance) Het effect nam wel wat af met ouder worden, maar was wel nog duidelijk merkbaar. Ook al dan niet een postnatale depressie en de kwaliteit van de partnerrelatie correleerde, maar die invloed was bij volwassenheid zowat verdwenen.  Het negatieve effect van armoede en het al dan niet ontbreken van een vader bleek ook nog te correleren met zelfvertrouwen op 27. Deze elementen hadden vooral terug een link met de kwaliteit van de omgeving bleek uit verdere analyse.

Ik merkte al 2 belangrijke nuances op bij deze studie:

  • correlatie betekent niet per se een causaal verband,
  • er is sprake van zelfrapportage

Maar Christian Jarrett van BPS Digest voegt nog een derde nuance toe waar ik niet aan dacht:

Perhaps a deeper question is whether higher self-esteem is a desirable outcome at all. There was a time when many psychologists and social reformers believed increasing the average self-esteem of a community would open the doors to a range of welcome outcomes, from superior mental health to career success. However, we know today that the benefits of greater self-esteem are quite modest, mostly centred on feeling happier and having more initiative, and that excessive self-esteem can even be problematic in some cases, especially if it slides into narcissism.

Abstract van het onderzoek:

A better understanding is needed of the factors that shape the development of individual differences in self-esteem. Using a prospective longitudinal design, this research tested whether the family environment in early childhood predicts self-esteem in later developmental periods. Data came from a nationally representative U.S. sample of 8,711 participants, who reported on their self-esteem biannually from age 8 to 27 years. Moreover, during the participants’ first 6 years of life, biannual assessments of their mothers provided information on the quality of the home environment (covering quality of parenting, cognitive stimulation, and physical home environment), quality of parental relationship, presence of father, maternal depression, and poverty status of the family. The analyses were conducted using nonlinear regression analyses of age-dependent correlation coefficients, which were controlled for the effects of child gender and ethnicity. The results suggested that the family environment in early childhood significantly predicted self-esteem as the children grew up. Although the effects became smaller with age, the effects were still present during young adulthood. The largest effects emerged for quality of home environment. Moreover, the results suggested that the effects of home environment, presence of father, and poverty are enduring, as indicated by a nonzero asymptote in the time course of effects from age 8 to 27 years. Finally, quality of home environment partially accounted for the effects of the other predictors. The findings suggest that the home environment is a key factor in early childhood that influences the long-term development of self-esteem.

Bericht uit de toekomst: Je kindertijd herbeleven omdat je moeder een early VR-adopter was (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

De beelden van mijn kindertijd zijn beperkt tot een paar filmpjes van mij als peuter en wat fotoalbums vol verslagen van vakanties en feesten. Voor jongeren geboren in de jaren ’90 is dat anders: hun ouders hebben dankzij de komst van digitale camera’s veel grote hoeveelheden materiaal, die ook nog eens alledaags is. Aan fotograferen en filmen zaten immers minder kosten verbonden. Kinderen die vanaf nu geboren kunnen mogelijk later hun kindertijd in virtual reality herbeleven.

Op Technology Review beschrijft redacteur Rachel Metz haar ervaringen met de Mirage Camera van Lenovo, een VR-camera van $300. De resultaten bekeek ze met de Lenovo Mirage Solo VR headset van $400. Daarmee is het betaalbare technologie voor ouders die net als Metz geobsedeerd zijn met het vastleggen van alle dingen die hun kroost doen. Ze schrijft:

“Looking at the images and videos I took was a blast, though. Seeing my daughter run up to her dad and hug him in my parents’ sunny backyard, with a 3-D effect and from the same vantage point at which I shot the video, felt almost like being there. Ditto for photos and videos of my niece and nephew horsing around, and some stills I got of my parents.”

De gezinsenquête: wat over opvoeding?

Vandaag in de media de resultaten van de grote gezinsenquête, afgenomen bij 2500 Vlaamse gezinnen.

Zelf even gezocht naar de volledige resultaten en die vind je hier, hier vind je een mooi overzicht samengevat.

Enkele opvallende gegevens rond opvoeding:

Elke ouder vindt andere doelen belangrijk in de opvoeding van een kind. Sommige ouders vinden het belangrijk dat hun kind zich correct of gepast gedraagt. Andere vinden dat hun kinderen voor zichzelf moeten kunnen opkomen of dat ze ijverig en ambitieus moeten zijn.

De gezinsenquête legde tien opvoedingsdoelen voor aan ouders. ‘Respect hebben voor andere mensen’ staat op één in de top drie van wat ouders belangrijk vinden in de opvoeding van hun kinderen, zowel bij moeders als bij vaders. Bijna zes op de tien ouders plaatste dit in hun top drie. ‘Gevoel voor verantwoordelijkheid’ en ‘voor zichzelf kunnen opkomen’ komen op plaats twee en drie. Voor veel ouders zijn ‘ijverig en ambitieus zijn’, ‘verdraagzaam zijn’ en ‘rekening houden met anderen’ minder belangrijk.

grafiek opvoedingsdoelen

Opvoedingsbeleving

Een groot deel van de ouders (meer dan negen op tien) vindt kinderen opvoeden een verrijking van hun leven. Zorgen voor de kinderen maakt ouders ook gelukkig en trots. Ouders van jonge kinderen voelen zich het meest trots en gelukkig.

Daarnaast geeft ook een deel van de ouders aan dat kinderen opvoeden aanzienlijk wat tijd en geld kost en dat opvoeden een behoorlijke impact heeft op hun sociaal, persoonlijk en relationeel leven. Meer dan 35% van de ouders beaamt immers dat ze door de kinderen minder tijd hebben om te doen wat ze graag doen. Bijna één op vijf ouders geeft aan dat de kinderen de tijd die ze hebben met de partner beperken en één op vijf ouders zegt dat het opvoeden voor spanningen in de relatie zorgt.

Bijna drie op de vier ouders geeft aan dat kinderen grootbrengen veel geld kost en meer dan de helft van de ouders maakt zich zorgen over de toekomst van de kinderen. Meer dan de helft van de respondenten stelt dat opvoeden (helemaal) niet fysiek of emotioneel uitputtend is. Maar er blijken wel verschillen tussen ouders te bestaan, want één op de vijf ouders stelt dat opvoeden emotioneel uitputtend is en bijna één op vijf stelt dat kinderen opvoeden ook lichamelijk uitputtend is.

Enerzijds vinden moeders de opvoeding van de kinderen meer verrijkend dan vaders, anderzijds vinden ze vaker dan vaders dat opvoeding gepaard gaat met een zekere kost (zowel financieel, emotioneel als lichamelijk). Ook bij alleenstaande ouders scoren de financiële, emotionele en lichamelijke kosten van opvoeden – niet onverwacht – hoger dan bij koppels.

Opvoedingsbelasting

Meer dan negen op tien ouders vindt dat ze goed in staat zijn om voor de kinderen te zorgen, minder dan 1% geeft aan dat hij niet goed in staat is voor zijn of haar kinderen te zorgen. Eén op drie geeft toe dat het opvoeden moeilijker is dan gedacht, maar in het algemeen ervaart de meerderheid het opvoeden van de kinderen niet als belastend.

Regelmaat en consistentie

De meerderheid van de ouders geeft aan dat hun huis ordelijk en schoon is, en dat de kinderen volgens vaste regels leven. Eén op vijf ouders zet echter niet altijd door met het disciplineren van hun kind en laat zich overhalen om lichter te straffen dan ze eigenlijk van plan waren. Net iets meer dan de helft van de ouders houdt wel voet bij stuk wanneer ze ‘nee’ hebben gezegd.

Vragen en zorgen rond opvoeding

Acht op tien ouders heeft weinig of geen vragen en zorgen bij de opvoeding, de rest heeft tamelijk veel tot heel veel vragen bij de opvoeding. De meeste vragen en zorgen over opvoeding komen voor bij ouders met kinderen tussen zes en achttien jaar.

De belangrijkste thema’s waarover ze zich zorgen maken zijn schoolprestaties (vier op tien ouders vinkte dit aan), emotionele problemen en koppig en opstandig gedrag.

grafiek opvoedthemas

Opvoedingsondersteuning

Bijna vier op tien ouders heeft ooit al eens een beroep gedaan op opvoedingsondersteuning. Vrouwen maken er meer gebruik van dan mannen, en mensen met een EU-herkomst vaker dan ouders met een herkomst buiten de EU. Ruim de helft zoekt deze ondersteuning bij een therapeut, psycholoog of een psychiater, een kleine helft wendt zich tot het CLB of de school. Zowat een kwart stelt zijn vragen aan de huisarts.

Wie geen gebruik maakte van ondersteuning, had hier vaak ook geen behoefte aan. Veel ouders krijgen steun van familie of vrienden, of zoeken zelf informatie via folders, boeken of websites. Opvallend is wel dat een kwart van de ouders met veel of heel veel opvoedingsvragen geen gebruik heeft gemaakt van ondersteuning.

Maar er is meer:

Gedrag van kinderen

Ongeveer driekwart van de ouders rapporteert geen moeilijkheden in verband met de verschillende aspecten van het gedrag van kinderen (emotionele problemen, problemen met leeftijdsgenoten, gedragsproblemen, hyperactiviteit en problemen met prosociaal gedrag). Een kwart van de ouders rapporteert wel dat hun kind moeilijkheden ondervindt op één of meerdere van deze aspecten. Als er moeilijkheden zijn, gaat het eerder over meer emotioneel probleemgedrag en over minder prosociaal gedrag dan over problemen met leeftijdsgenoten, gedragsproblemen en hyperactiviteit.

grafiek gedrag van kinderen

Opvoedingsgedrag bij ouders

De gezinsenquête peilde naar opvoedingsgedrag van ouders waarvan geweten is dat het bijdraagt aan een goede ontwikkeling van het kind. De grote meerderheid van de ouders (80% en meer) is positief betrokken bij de opvoeding, leert regels en vermijdt overmatig materieel belonen, veel straffen of veel fysiek straffen. Toch geldt dit niet voor alle ouders. Een vijfde van de ouders is minder positief betrokken bij de opvoeding en 15% van de ouders straft meer dan gemiddeld.

opvoedingsgedrag ouders

Lager opgeleide ouders zijn minder vaak positief betrokken bij de opvoeding dan hoger opgeleide ouders. Deze laatste zijn zich mogelijk meer bewust van het belang van de ouderrol, of hebben meer tijd en middelen om positief betrokken te zijn bij hun kinderen. Vergeleken met moeders zijn vaders ook wat minder positief betrokken en houden ze zich minder bezig met het aanleren van regels.

Alleenstaande ouders geven aan meer positief betrokken te zijn bij hun kinderen dan gehuwde of samenwonende ouders.

Positief opvoedingsgedrag hangt samen met minder problemen bij het kind, terwijl meer straffen samenhangt met meer problemen bij het kind. Toch is deze samenhang eerder zwak.

Over het algemeen gaat het goed met het gedrag van kinderen en het opvoedingsgedrag van ouders in Vlaanderen. De grote meerderheid ondervindt geen moeilijkheden. Kind- en opvoedingsgedrag kunnen verschillen naar specifieke kind- en ouderkenmerken. Wanneer het beleid wil inzetten op het ondersteunen van gezinnen die moeilijkheden hebben met kind- en/of opvoedingsgedrag, doet men dit best vanuit het principe van proportioneel universalisme, rekening houdend met de specifieke noden van het gezin.

Persbericht CBS: 3 op 10 Nederlandse vijftienjarigen wonen niet met beide ouders

Kreeg gisteren dit persbericht van CBS toegestuurd:

ssen 1997 en 2017 is het percentage vijftienjarigen dat niet gezamenlijk met beide ouders op hetzelfde adres woont, gestegen van 20 naar 30. Kinderen van ongehuwde ouders lopen een groter risico dat hun ouders uit elkaar gaan dan kinderen van gehuwde ouders. Dat meldt het CBS.
In 2017 woonden 3 van de 10 vijftienjarige kinderen niet gezamenlijk met beide ouders. In 1997 gold dat voor 2 van de 10 vijftienjarigen. In verreweg de meeste gevallen was een scheiding van de ouders de oorzaak. Bij minder dan 5 procent van de vijftienjarigen in niet-intacte gezinnen was een of beide ouders overleden.

In 2016 maakten meer dan 53 duizend kinderen mee dat hun ouders uit elkaar gingen. Bij 33 duizend kinderen betrof het een echtscheiding en bij 20 duizend kinderen waren de ouders niet getrouwd. Hoewel het aantal kinderen dat jaarlijks betrokken is bij een echtscheiding al twee decennia tamelijk stabiel is, is het percentage van de kinderen dat niet gezamenlijk met beide ouders woont toegenomen.

Uit het onderzoek Nieuwe families in Nederland blijkt dat 70 procent van de kinderen van gescheiden ouders voornamelijk bij de moeder wonen. Ruim een kwart van de paren die in 2010 uit elkaar gingen, koos voor co-ouderschap. Hierbij wonen kinderen ongeveer evenveel tijd bij de vader en de moeder. In de meeste gevallen bleek deze co-ouderschapsregeling ook na twee jaar nog in de praktijk te worden gebracht.

Kinderen ongehuwde ouders meer kans om scheiding mee te maken

Van de kinderen die aan het begin van 2017 nog met beide, gehuwde ouders woonden, waren bij 1,5 procent aan het eind van het jaar de ouders uit elkaar. Bij kinderen met ongehuwde ouders was dit 3,6 procent. De kans dat kinderen van ongehuwde ouders meemaken dat hun ouders uit elkaar gaan neemt in de eerste jaren na de geboorte toe en blijft tijdens de periode van de basisschool min of meer stabiel. Bij gehuwde ouders stijgt de kans op een echtscheiding tot het zesde levensjaar van het kind, daarna daalt het.

Ruim helft kinderen van Antilliaanse of Surinaamse moeders niet bij vader ingeschreven

Van de vijftienjarigen met een Antilliaanse moeder stond eind 2016 bijna twee derde niet ingeschreven op hetzelfde adres als de vader. Bij vijftienjarigen met een Surinaamse moeder gold dit voor iets meer dan de helft.

Van de vijftienjarigen met een moeder van Turkse of Marokkaanse herkomst woont ongeveer drie kwart nog gezamenlijk met beide ouders. Dit is nagenoeg gelijk aan kinderen van een moeder zonder migratieachtergrond.

Klik hier voor bronnen en grafieken.

Facebook introduceert slaapfunctie in hun messenger-app voor kinderen

Genoeg slaap is cruciaal voor iedereen en zeker voor kinderen en tieners. De voorbije tijd zagen we al hoe onder andere Apple een slaapfunctie introduceerde waarbij je bij iOS-apparaten kan instellen vanaf welk uur je geen signalen meer wi horen of zien van berichtjes of andere push-notificaties.

Facebook lanceert nu ook een slaapfunctie specifiek voor de app voor minderjarigen die ze eerder in december lanceerden. Bij deze optie kunnen ouders bepalen vanaf welk tijdstip er geen berichten meer mogen verstuurd of ontvangen worden omdat het kind moet slapen.

Lees ook hier meer bij Facebook zelf.

(Bron CNet, The Verge,…)

Kunnen video games gezinnen versterken?

Sonia Livingstone had het er al over in een rapport eerder dit jaar en dit onderzoek bevestigt het. Terwijl we soms ons veel zorgen maken over gamen van onze jongeren, zijn er ook mogelijke positieve gevolgen… op het gezinsleven. Maar dan is het wel cruciaal dat kinderen en ouders samen spelen.

Vergelijk het met het spelen van gezelschapspelletjes, maar dan met de WII, de Nintendo of andere X-Boxen. Uit een bevraging van 361 ouders bleek een duidelijke correlatie – dus er is geen causaal verband aangetoond – tussen het samen spelen van computerspelletjes en meer tevredenheid over het gezinsleven en hoe close een gezin wel is.

Via een reeks van open vragen probeerden de onderzoekers ook in kaart te brengen wat samen computerspelletjes zoal een gezin bijbracht:

Het is een eerste onderzoek, maar ik blijf eerlijk gezegd nog echt wat op mijn honger zitten. Vervolgonderzoek is echt nodig om hier dieper op in te gaan en vooral te kijken in welke mate er een echt duidelijk causaal verband is.

Abstract van het onderzoek:

Video games have been a major form of people’s entertainment, and they have entered people’s family life. However, what we know about the effects of video games on family relationships is still rare. This study investigated the effects of video game co-playing among family members on family satisfaction and family closeness. In total, 361 parents recruited from Amazon Turk completed online questionnaires. The results showed that the more frequently family members play video games together, the better family satisfaction and family closeness they have. Families with poor family communication benefit more from co-playing than those with effective family communication. Family satisfaction mediated the relationship between video game co-playing and family closeness. Game features that facilitate family relationships were discovered through open-ended questions. Participants typically enjoyed playing video games with family members, and social benefits are the most salient in family settings.

Kan je stress verminderen door vijf dagen Facebook te mijden?

Zou Arjen Lubach vandaag minder stress hebben? De kans is reëel volgens deze nieuwe studie onder leiding van Eric Vanman aan de University of Queensland, maar zeker is het niet.

De onderzoekers recruteerden 138 Facebook-gebruikers die gemiddeld 2.8 uur per dag op het sociale netwerk actief zijn. In eerste instantie gaven de deelnemers de onderzoekers een speekselstaal en vulden verschillende vragenlijsten in, onder ander over hun Facebook-gebruik, over hoe tevreden ze in het leven staan, stress, gemoedstoestand en eenzaamheid. Hieruit bleek alvast dat meer actieve gebruikers meer tevreden zijn over hun leven en minder eenzaam zijn.

De helft van de deelnemers kregen vervolgens te horen dat ze een vijf dagen ‘break’ van Facebook zouden moeten nemen. Terug werd een speekselstaal genomen nadat ze dit te horen kregen. Vijf dagen later – na de break voor de helft van de deelnemers – kwamen ze terug naar het labo voor een volgende speekseltest en om alle testen opnieuw in te vullen.

Enkele zaken waren te verwachten:

  • Wie Facebook moest mijden, zag het somber tegemoet.
  • Wie Facebook niet mocht gebruiken, was duidelijk minder tevreden over zijn leven.

De gemoedstoestand verschilde echter niet echt tussen de twee groepen (wel versus geen Facebook). De geen-Facebook groep had wel 2 uur extra face-to-face contact op de zondag tussen de pre- en posttest dan de wel-facebook groep, maar dit deed hen niet beter voelen.

Maar… op basis van de speekseltest konden de onderzoekers vaststellen dat de Facebook-loze groep duidelijk zijn stressniveau zag dalen. Deze stressvermindering werd niet echt gevoeld door de deelnemers zelf. En Christian Jarrett van BPS Digest merkt op dat de cortisol-waarden notoir kunnen schommelen en dat voor grote conclusies deze test-groep misschien toch te klein is. Ook opvallend de Cortisol-waarden correleerden ook in de pretest met geen enkele van de andere waarden (zoals bijvoorbeeld het Facebook-gebruik).

 

Deze studie is dus vooral een aanzet tot meer onderzoek en ondertussen blijft de vraag een stuk open of Facebook mijden je stress doet verminderen.

Abstract van het onderzoek:

People occasionally choose to cut themselves off from their online social network by taking extended breaks from Facebook. This study investigated whether abstaining from Facebook reduces stress but also reduces subjective well-being because of the resulting social disconnection. Participants (138 active Facebook users) were assigned to either a condition in which they were instructed to give up Facebook for 5 days or continue to use Facebook as normal. Perceived stress and well-being, as well as salivary cortisol, were measured before and after the test period. Relative to those in the Facebook Normal condition, those in the No Facebook condition experienced lower levels of cortisol and life satisfaction. Our results suggest that the typical Facebook user may occasionally find the large amount of social information available to be taxing, and Facebook vacations could ameliorate this stress—at least in the short term.

Persbericht Rutgers: beginnen tieners later aan seks door sociale media?

We weten al een tijdje dat jongeren in onder andere Nederland en Vlaanderen later aan seks beginnen, maar hoe komt dit? Is er een relatie met sociale media? Het kenniscentrum seksualiteit Rutgers in Nederland trachtte een antwoord te formuleren:

Jongeren beginnen tegenwoordig later aan seks, bleek vorig jaar uit Seks onder je 25e. Kwalitatief onderzoek van Rutgers onder jongeren laat nu zien dat sociale media hierin op meerdere manieren een belangrijke rol spelen. Ook de verhoging van de leeftijd waarop je alcohol kunt krijgen is van invloed. Verder valt op dat jongeren veel waarde hechten aan de eerste keer seks, en die het liefst in een relatie beleven.

‘Je bent wel echt naakt als je seks hebt’ 

In Seks onder je 25e 2017, het grootschalige onderzoek onder ruim 20.000 jongeren van 12 tot 25 jaar, vonden Rutgers en Soa Aids Nederland dat jongeren een jaar later beginnen met zoenen en seks dan vijf jaar geleden.

In 2017 had de helft van de jongeren met 18 jaar geslachtsgemeenschap gehad, in 2012 was dit met 17 jaar het geval. Een zelfde verschuiving is te zien in internationaal onderzoek. Hoe valt dit te verklaren? Kwalitatief onderzoek van Rutgers onder 47 jongens en meiden tussen de 16 en 25 jaar met verschillende achtergronden levert inzichten.

Liever appen dan face to face contact

De jongeren die we spraken zijn het erover eens: social media hebben de offline wereld voor een groot deel vervangen. Jongeren gebruiken social media om contact met elkaar te hebben en zich te profileren: te laten zien hoe mooi, sexy en populair ze zijn. Dating apps en sociale media zoals Facebook en Instagram maken het gemakkelijker om te flirten en uit te proberen hoe je ‘in de markt ligt’. Je hebt dan geen ongemakkelijke stiltes en minder risico op afwijzing. Maar dat wil niet zeggen dat ze vervolgens ook makkelijker seks hebben. De drempel om in het echt op iemand af te stappen is groot.

‘Het is allemaal via WhatsApp, allemaal via Facebook, allemaal via Instagram. Via een beeldscherm kan je allerlei dingen zeggen met allerlei emoji’s, maar wanneer het er in het echt op aan komt, dan kan ik me voorstellen dat het voor heel veel mensen heel awkward is of ze weten niet wat ze moeten zeggen, maar ze weten wel wat ze moeten typen. En als het daar al begint, bij je weet niet eens hoe te communiceren of je weet niet eens hoe je normaal tegen elkaar moet doen, dan ja, laat staan als je seks wilt hebben.’

Alles moet perfect zijn  

De jongeren in het onderzoek geven aan druk te ervaren van ouders en maatschappij om succesvol te zijn en goede keuzes te maken. Dat geldt ook voor seks: er wordt veel benadrukt dat je je eigen keuzes moet maken en er echt klaar voor moet zijn. Onzekerheid en angst om te falen remt het experimenteren met seks. En de norm rond de eerste keer seks is dat het speciaal moet zijn, met iemand waar ze verkering mee hebben.

‘Want op het moment dat je van iedereen hoort van: o ja, je moet er honderd procent achterstaan, je moet er echt helemaal zelf voor kiezen en je moet het echt doen met iemand die je echt heel erg lief vindt, ik denk dat je daardoor de lat best wel hoog legt om iets te gaan doen.’

Niet zomaar seks

Experimenteren doen de jongeren niet zomaar met iemand. De online vijver is groot, en de keuze daardoor immens. En door sociale media is veel zichtbaarder wat je doet. Met name meisjes geven aan dat ze bang zijn dat ze ‘exposed’ worden, dat er beelden of informatie over hen online komen. Dat maakt ze extra voorzichtig.

‘Dat is heel oneerlijk eigenlijk ook. Als een meisje bijvoorbeeld het al met vier verschillende jongens heeft gedaan, dan noemen wij haar gelijk al van: “Wat een slet, echt een hoer” en als een jongen dat doet, bijvoorbeeld, dan zeggen we bijvoorbeeld: “Hé, goed gedaan.” ‘

Bij homo- en biseksuele jongeren in het onderzoek speelde angst voor blikken van de omgeving een rol in het wachten met zoenen en seks. Lesbische meisjes lopen minder risico op reacties dan homoseksuele jongens.
‘Ik denk dat lesbisch, dat het op die leeftijd misschien nog wat onschuldiger overkomt of zo. Gewoon vriendinnetjes hand in hand. Terwijl, als je homo bent, dan is het gelijk zo van: ‘O, je bent homo”. ‘

Minder uitgaan, minder zoenen 

Voor sommige jongeren start het zoenen en experimenteren met seks met het uitgaan. Door de verschuiving van de leeftijdsgrens voor alcohol gaat een deel van de jongeren later uit. Voor laagopgeleide jongeren geldt dat minder; zij geven aan dat ze toch wel aan drank komen en zelf feestjes geven. Daar wordt dan volop gezoend.

Experimenteren is belangrijk

Dat jongeren later beginnen aan seks is op zich geen probleem. De verschuiving van gewoon contact naar online contact betekent dat een deel van de seksuele ontwikkeling van jongeren zich daar af speelt. Flirten en uitproberen of je interesse wekt, kun je ook online. Bovendien biedt de grotere online wereld meer mogelijkheden voor jongeren om contacten aan te gaan, ook voor degenen die buiten de heteronorm vallen of om andere redenen geen aansluiting hebben bij hun klasgenoten. Maar het onderzoek laat ook de minder aangename kanten van de online wereld zien: de angst voor exposure, de druk om je te moeten profileren en om perfect te zijn, onzekerheid doordat je jezelf continu vergelijkt met anderen en als gevolg van dit alles de grotere drempel om ‘in het echt’ op iemand af te stappen. En juist van die fase, van ‘akward’ stiltes, gestuntel met zoenen tot de eerste verkering, leren jongeren hoe relaties werken en wie ze zelf zijn daarin. Ze krijgen daardoor reële verwachtingen en kunnen zelfvertrouwen opbouwen, voor hun latere relaties. Dat dat proces een jaar opschuift is natuurlijk geen enkel probleem, maar dat wordt het wel als ze de taal en het zelfvertrouwen missen om seksuele relaties aan te gaan.

Je kan het onderzoeksrapport hier downloaden of door op deze afbeelding te klikken:

Omslag onderzoeksrapport Een latere eerste keer