De onderzoeker die ons de Marshmallow test gaf is overleden: Walter Mischel

Het is een klassieker voor veel mensen, de Marshmallow test. Ik postte er al af en toe berichten over. De man die het oorspronkelijke onderzoek bedacht, Walter Mischel is dit weekend overleden. Hier een interview met Mischel over zelfcontrole:

Ouders die het meest bezorgd zijn om de privacy van hun kind, sharenten het meest! (Linda Duits)

Een nieuwe blogpost van Linda Duits, eerst gepubliceerd op dieponderzoek.nl.

Kinderen groeien op in een digitaal tijdperk en dat betekent automatisch dat ouders hen digitaal moeten opvoeden. De Britse communicatiewetenschapper Sonia Livingstone leidt een groot onderzoeksproject over online privacy, waarbij het hele gezin betrokken wordt. Zo voerde haar team onder andere een studie uit naar de opvattingen van ouders over de privacy van hun kinderen.

De vragenlijst werd afgenomen onder 2032 ouders met kinderen in de leeftijd van 0 tot 17 jaar. Het gaat om mensen uit het Verenigd Koninkrijk, waar ouders (net als in België) meer beschermend zijn als het gaat om het online gedrag van hun kinderen dan in Nederland (wij zijn ‘gesteunde risicoverkenners’, zie deze blogpost). Een ander verschil is dat de internetdekkingsgraad in het Verenigd Koninkrijk lager ligt dan bij ons. Dat blijkt bijvoorbeeld ook het hoge percentage (meer dan 10 procent) dat aangeeft niet online te gaan wegens een zwak internetsignaal in hun buurt.

Privacyzorgen vormen een belangrijke reden voor de ondervraagde ouders om niet online te gaan: 17 procent noemt dit. Tijdgebrek is de meest voorkomende reden (26%), de nummer 3 is ‘het is niet voor mensen zoals ik’.

Frequentie van sharenting: 

  • Driekwart van de ouders deelt foto’s van hun kinderen online – met een lelijk woord heet dit sharenting. Ruim de helft daarvan zegt dat alleen te doen met familie en vrienden (<20 mensen). Slechts 10 procent zegt dit te doen met meer dan 200 contacten en 3 procent doet het wel eens op een openbaar platform. Kritische noot hierbij is of ouders wel weten met wie ze wat delen. Wellicht was het beter hier te vragen naar platform: deel je via whatsapp(groepen), via Facebook, via Instagram?
  • Sharenting is een functie van leeftijd: 60 procent van de ouders deelt foto’s van kinderen onder de 4 jaar, 47 procent van kinderen tussen de 13 en 17.
  • Een kwart van de ouders die wel eens foto’s delen doet dit vaak: minimaal eens per week iets. 63 procent geeft aan in de laatste maand 1-9 beelden te hebben gedeeld, 12 procent 10-29 beelden.
  • Hoe jonger de ouders en hoe hoger opgeleid, hoe meer ze sharenten. Geslacht speelt daarbij geen rol.
  • Opmerkelijk: 9 procent ouders die eerder in de vragenlijst hadden aangegeven dat ze wel eens een foto van hun kind hadden gedeeld, antwoordde op een andere vraag dat ze dat nooit hadden gedaan.

Overwegingen bij sharenting: 

  • De helft van de sharenting ouders doet dit om contacten met familie en vrienden te onderhouden. Vooral moeders en ouders van jonge kinderen zeggen dit.
  • Een kwart geeft aan weinig kwaads te zien in sharenting. Dat betekent dat driekwart dat wel ziet.
  • Een kwart heeft van te voren aan hun kind gevraagd of ze hun beeltenis mochten delen. Logischerwijs zijn dit vooral ouders van tieners, maar ook vaders en oudere ouders geven dit vaker aan.
  • Slechts 5 procent heeft wel eens spijt gehad van sharenting. Dit zijn vooral vaders en hoogopgeleide ouders.
  • De ouders die het meest bezorgd zijn om privacy, zijn ook de ouders die het meeste delen. Zij zijn vaker door hun kind gevraagd om een foto te delen én zij hebben vaker met het kind overlegd voordat ze de foto deelden.

Vaardigheden

  • Ouders hebben meer vertrouwen in hun eigen privacyvaardigheden dan in die van hun kinderen.
  • 58 procent van de ouders kan hun settings veranderen, 57 procent kan mensen uit hun contacten verwijderen en 53 procent kan beslissen welke informatie ze online delen. Moeders rapporteren vaker dat ze dit beheersen dan vaders (vaders vinden zichzelf beter in creatieve vaardigheden zoals programmeren en content maken). Hoger opgeleide ouders en ouders van jonge kinderen rapporteren meer vaardigheden.
  • Meer dan de helft van de ouders van kinderen van 9-17 jaar denkt dat hun kinderen mensen uit hun contactenlijst kunnen verwijderen, de helft dacht dat ze hun settings kunnen veranderen. 44 procent achtte kun kinderen in staat te kunnen beslissen welke informatie te moeten delen online.
  • Veel ouders vinden dat hun kinderen niet in staat zijn zelfstandig het internet te gebruiken en vinden dat ze het recht hebben hun kind te controleren. Dit leidt tot monitoring van het gedrag van kinderen. Hoe ouder het kind, hoe meer ouders vinden dat het recht heeft op privacy – zie figuur.

Hoe beïnvloeden kinderen de opvoedingsstijl van ouders

Meestal stellen we de vraag omgekeerd: wat is de invloed van de opvoedingsstijl van ouders op hun kinderen. Maar onderzoekers gebruikten nu tweelingenonderzoek om aan te tonen dat er minstens sprake is van wederzijdse beïnvloeding.

Waarom tweelingenonderzoek? Als eeneiige (monozygote) tweelingen meer uniform behandeld worden dan tweeeiige (dizygote) , dan hebben de kinderen een invloed op de ouders. En dat bleek effectief te kloppen. 27 procent in de verschillen tussen hoe warm ouders reageren kon gelinkt worden aan de genetica van hun kinderen. 45 procent van de verschillen in het stressniveau van kinderen kon ook gelinkt worden aan de invloed van de kinderen.

Wellicht zal dit ouders niet direct verbazen. De onderzoekers konden een link leggen – door de eerder verzamelde data – met persoonlijkheid van de kinderen, maar dit bleek zeker niet alles van de correlatie te verklaren.

Wat wel een minpunt is van deze studie, is dat de onderzoekers enkel een momentopname konden gebruiken. Een longitudinale studie zou hier zeer welkom zijn.

Abstract van het onderzoek:

Parenting is often conceptualized in terms of its effects on offspring. However, children may also play an active role in influencing the parenting they receive. Simple correlations between parenting and child outcomes may be due to parent-to-child causation, child-to-parent causation, or some combination of the two. We use a multirater, genetically informative, large sample (n = 1,411 twin sets) to gain traction on this issue as it relates to parental warmth and stress in the context of child Big Five personality. Considerable variance in parental warmth (27%) and stress (45%) was attributable to child genetic influences on parenting. Incorporating child Big Five personality into the model roughly explained half of this variance. This result is consistent with the hypothesis that parents mold their parenting in response to their child’s personality. Residual heritability of parenting is likely due to child characteristics beyond the Big Five.

Vertraagt IQ ouder worden

Op basis van data van Wisconsin Longitudinal Study hebben onderzoekers vastgesteld dat wie een hoger IQ heeft in zijn tienerjaren en als jonge twintiger, zich jonger zal voelen op zijn zeventigste. De onderzoekers stelden vast dat deze zeventigers zich een gemiddelde 17% jonger voelden dan hun leeftijd.

Het onderzoek is natuurlijk een correlatie, voor alle duidelijkheid. De onderzoekers vonden verder een link met een welbepaalde persoonlijkheidstrek, namelijk meer open zijn voor ervaringen (wat sowieso ook vaker gelinkt is aan een hogere intelligentie). Dit zou er dan samen met IQ voor zorgen dat je makkelijker met bepaalde uitdagingen in het leven kan omgaan.

En voor iedereen die nog denkt dat IQ vast zou liggen bij geboorte, bijvoorbeeld elk jaar onderwijs kan IQ 1 tot 2 punten doen stijgen.

Abstract van het onderzoek:

Subjective age predicts consequential outcomes in old age, including risk of hospitalization, dementia, and mortality. Studies investigating the determinants of subjective age have mostly focused on aging-related factors measured in adulthood and old age. Little is known about the extent to which early life factors may contribute to later life subjective age. The present study examined the prospective association between IQ in adolescence and subjective age in later life and tested education, disease burden, adult cognition, and personality traits as potential mediators. Participants (N = 4494) were drawn from the Wisconsin Longitudinal Study. Data on IQ were obtained in 1957 when participants were in high school. Education, disease burden, cognition, and personality were assessed in 1992–1993, and subjective age was measured in 2011 at age 71 (SD = 0.93). Accounting for demographic factors, results revealed that higher IQ in adolescence was associated with a younger subjective age in late life. Bootstrap analysis further showed that this association was mediated by higher openness. The present study suggests that how old or young individuals feel is partly influenced by lifespan developmental processes that may begin with early life cognitive ability.

Nieuwe paper doet wellicht anders kijken naar autisme

Deze nieuwe paper van Vikram K. Jaswal en Nameera Akhtar wil een manier van denken over autisme tackelen bij het grote publiek én bij onderzoekers zelf.

De auteurs stellen namelijk dat het sociaal ongeïnteresseerd lijken van mensen met autisme exact dat is, namelijk ‘lijken’. Ze vermoeden dat mensen met autisme wel degelijk sociaal contact willen, maar dat motorische en andere uitdagingen ervoor zorgen dat het lijkt dat niet het geval is.

Waarom zouden we die fout maken?

The perspectives of autistic people are rarely included in scientific accounts that make claims about their social interest or motivation even though they are the ones most affected by this research.

Waarna een hele reeks onderzoeken volgen die het punt van de auteurs onderbouwen.

Abstract van de paper:

Progress in psychological science can be limited by a number of factors, not least of which are the starting assumptions of scientists themselves. We believe that some influential accounts of autism rest on a questionable assumption that many of its behavioral characteristics indicate a lack of social interest—an assumption that is flatly contradicted by the testimony of many autistic people themselves. In this paper, we challenge this assumption by describing alternative explanations for four such behaviors: (a) low levels of eye contact, (b) infrequent pointing, (c) motor stereotypies, and (d) echolalia. The assumption that autistic people’s unusual behaviors indicate diminished social motivation has had profound and often negative effects on the ways they are studied and treated. We argue that understanding and supporting autistic individuals will require interrogating this assumption, taking autistic testimony seriously, considering alternative explanations for unusual behaviors, and investigating unconventional—even idiosyncratic—ways that autistic individuals may express their social interest. These steps are crucial, we believe, for creating a more accurate, humane, and useful science of autism.

Opgroeien met Alexa (Linda Duits)

Deze blog verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Alexa is de virtuele assistent van Amazon die van alles voor je kan afspelen en opzoeken. Dat is handig, ook voor kinderen. Alexa reageert immers op spraakopdrachten. Op Technology Reviewverscheen een achtergrondartikel waarin de invloed van Alexa op opgroeiende kinderen wordt besproken. Worden ze er lui van, omdat zulke virtuele assistenten van alles voor je kunnen doen, of misschien wel gemeen, omdat je de technologie bevelen geeft? Auteur Rachel Metz is optimistisch: ze prijst vooral de voordelen op het gebied van leren, spelen en communicatie.

Vorig jaar voerden onderzoekers van MIT een studie [volledige toegang] uit met 26 kinderen tussen de 3 en 10 jaar naar hun omgang met Alexa, Google Home, een speelgoedrobot en een chatbot. Daaruit kwamen vier thema’s naar voren: vermeende intelligentie, toeschrijven van identiteit, speelsheid en begrip. De kinderen testten van alles uit: ze stelden bijvoorbeeld verschillende Alexa’s dezelfde vraag. Opvallend was verder dat ze geen duidelijk gender aan de assistenten toeschreven.

Metz sprak met een van de onderzoekers. Zij stelt dat kinderen dankzij de omgang met Alexa beter leren communiceren, niet alleen met robots maar ook met andere mensen:

“She sees a huge opportunity for virtual assistants like Alexa, Google Home, and others to be designed in ways that push us to treat others the way we want to be treated.”

Dat is nogal een uitspraak. In de studie zelf zijn de onderzoekers voorzichtiger. De conclusie gaat vooral over verbeteringen aan virtuele assistenten, zoals uitleggen waarom ze een opdracht niet kunnen uitvoeren (‘ik snap je niet’ versus ‘ik heb deze informatie niet’). De andere kant komt ook aan bod. Metz citeert een ontwikkelingspsycholoog die zich zorgen maakt dat ‘digitale butlers’ het vermogen van het kind om zelf dingen te doen zal verminderen. Zulke zorgen bestonden ook bij de uitvinding van het schrift (‘de jeugd van tegenwoordig hoeft dan niets meer uit het hoofd te leren!’) en het is onwaarschijnlijk dat ze gelijk zal krijgen. Virtuele assistenten zullen een plek vinden in het alledaagse leven, zonder grote of radicale effecten op dat alledaags leven.

Wat opmerkelijk is, is dat er niet gekeken wordt naar de effecten van bestaande assistenten bij de opvoeding, zoals nannies nu of gouvernantes vroeger. Die zijn immers een goede voorspeller. Bij niet-virtuele assistenten ligt de zorg vooral bij de vervanging van contact met de ouders. Het is dan ook raar dat deze vraag in dit onderzoek en het artikel niet gesteld zijn.

Wat kunnen we leren van de langste studie naar menselijke ontwikkeling ooit? TED-talk van Helen Pearson

Twee belangrijke lessen (met veel kleine tips tussendoor):

Eerste les: wordt niet geboren in een arm gezin

Tweede les: ouders doen er echt heel erg toe (zeker in de eerste levensjaren), en bijvoorbeeld het belang van regelmatige bedtijden.

Maar zelfs met perfecte ouders, blijft de invloed van armoede enorm groot.