Nieuwe campagne moet jongeren helpen met #metoo: is’t oké?

1 op de 5 meisjes en 1 op de 10 jongens maakte seksueel grensoverschrijdend gedrag mee voor 18 jaar. Bij de volwassenen geldt dit voor 13,8% van de vrouwen en 2,4% van de mannen. Daarom lanceerde op Horen, Zien én Praten, een samenwerking tussen de progressieve vrouwenbeweging zij-kant, de Beweging Tegen Geweld – vzw Zijn en Sensoa, een nieuwe campagne gericht op jongeren met als slogan ‘is’t oké?’.

Er is onder andere een zelftest en er is ook een spel, de filtertwister:

Door te draaien aan drie spinners krijgen ze een combinatie van een persoon, een gedrag en een context. De FlirterTwister maakt de grijze zone concreet en toont aan dat je gedrag eerst moet aftoetsen bij de ander. Zo’n check is bovendien niet moeilijk en verpest de sfeer niet, integendeel: het loont! De FlirterTwister nemen we ook mee op onze acties. Wil je zelf het spel spelen? Dat kan hier.

En dat ziet er zo uit:

Mijn opinie voor de VRT: Spel is cruciaal voor de ontwikkeling van je kind, ouders moeten af en toe een stapje achteruit durven zetten

De VRT vroeg me of ik een opinie wou schrijven over het onderzoek van mijn collega’s van de Arteveldehogeschool, dit was het resultaat:

Het is een vraag die ik wel eens aan ouders en leerkrachten durf stellen: wie heeft als kind iets gedaan dat ongelooflijk, wijs of de max was, maar waarvan je hoopt dat je kinderen of leerlingen het nooit gaan doen? Meestal gaan dan een pak handen de lucht in en sis ik “bende egoïsten”. Het is natuurlijk deels een grap, maar raakt wel aan een probleem, namelijk: de angst en onzekerheid bij ouders lijkt toe te nemen en dat heeft gevolgen.

Collega’s van de Arteveldehogeschool pleitten eerder deze week voor meer gevaarlijk spel toe te laten. Iets wat ik onderschrijf.

Ik weet niet of je ooit The Goonies zag, een film uit 1985, of gelijk welke andere films of series uit vervlogen kindertijden, maar de kinderen zien er vaak vrijer uit dan vandaag. Het is natuurlijk fictie, maar er zijn wel degelijk vermoedens dat de vrije speelruimte voor onze kinderen en jongeren kleiner is geworden terwijl de wereld net globaliseerde.

Een reeks als de Pepernoten vandaag komt er nog dichtst bij, maar de vrijheid die de kinderen in deze Duitse reeks krijgen, blijkt vandaag pas echt regelrechte fictie.  En dat kan ver gaan, ook qua leeftijd. De Amerikaanse onderzoekster Danah Boyd beschreef zo hoe jongeren vooral online gaan omdat het de laatste vrije ruimte is die niet ingeperkt werd door de samenleving.

De onderzoekers van mijn hogeschool beschrijven hoe begeleiders van jonge kinderen proberen alle risico’s uit te sluiten en zelfs zo ver kunnen gaan dat ze spelende kinderen onderbreken vaak uit veiligheidsoverwegingen en uit eigen schrik.

Maar spel is cruciaal voor de ontwikkeling. We weten al sinds de Nederlandse pedagoog Johan Huizinga in 1938 de Homo Ludens of spelende mens beschreef hoe twee soorten spel belangrijk zijn voor de ontwikkeling van onze kinderen. Aan de ene kant is er gestructureerd spel waarin het kind nieuwe kennis verwerft, nieuwe spelregels leert kennen. Daarnaast is vrij spel nodig waarin het kind die nieuwe kennis oneigenlijk gebruikt en zo de grenzen van de spelregels verkent.

Vergelijk het met het bouwen van iets met Lego. Gestructureerd spel is volgens het plan dat meegegeven werd. Vrij spel zijn ouders die met lede ogen aanzien dat de blokjes van die dure doos gemengd worden met andere blokjes van vorige dozen en het kind dat iets totaal anders bouwt op basis van zijn of haar fantasie, maar met de kennis die het opdeed via het stappenplan. En ja, vrij spel kan gevaarlijk zijn, maar ook leerzaam en leuk.

Het is natuurlijk allemaal mooi gezegd en geschreven als pedagoog. Als papa wil ik natuurlijk ook niet dat mijn kinderen iets overkomt. Het is een evenwichtsoefening waarbij het materiaal dat aan de Arteveldehogeschool ontwikkeld werd professionals kan helpen, maar als ouder is het even belangrijk je kind te kunnen inschatten.

En misschien, heel af en toe een stapje achteruit te zetten, net ver genoeg dat het kind echt kan experimenteren, dicht genoeg dat je er kan zijn als vangnet. Misschien zal je dan wel horen “kijk, papa, kijk, mama, zonder handen!” en dan zal je net voor het kind struikelt met de fiets toch ook een beetje trots zijn. Tom Waes kan echt niet elk kind in de Blacklist (kinderprogramma op Ketnet) laten opdraven om iets gevaarlijks of stouts te kunnen doen in gecontroleerde omstandigheden.

En misschien ook nog voor de VRT, misschien toch maar eens The Goonies heruitzenden.

Mijn misschien onverwachte prioriteiten voor een regering? Onder andere gezin, slaap en beweging.

Momenteel wordt onderhandeld over zowel een Vlaamse als een federale regering en de kans dat de onderhandelaars deze post zullen lezen is zeer klein. Maar mocht het toch het geval zijn, zou ik even een paar suggesties willen doen voor mogelijke prioriteiten. Ik ga me even weg houden van onderwijs, al zal het indirect wel opduiken.

Toen in april de nieuwste JOP-monitor werd voorgesteld bleek dat de belangrijkste voorspeller voor slecht in je vel voelen voor kinderen en jongeren de thuissituatie was. Het noopte me toen al bij de voorstelling te pleiten voor een gezinsondersteunend beleid, temeer omdat gisteren uit het pas gepubliceerde onderzoek van Universiteit Gent bleek dat het aantal kinderen met psychische problemen licht toeneemt.

Datzelfde onderzoek stelde gisteren gerust op vlak van het gebruik van drank en roken: beide gaan achteruit! En nog beter: onze kinderen eten vaker groente en fruit.

Maar… twee zaken waar onze jongeren slecht op scoren zijn slaap en bewegen. Over een periode van 16 jaar steeg het aantal jongeren met slaapproblemen van 17% naar 24% bij de jongens en van 21% naar 30% bij de meisjes. Qua bewegen zien we dat slechts 21% van de jongens haalt de richtlijn van de Wereldgezondheidsorganisatie om dagelijks minstens 60 minuten matig tot intensief bewegen. Bij de meisjes is dit zelfs maar 14%.

Gezondere en meer gelukkige jongeren zijn een belangrijk doel op zich, maar er zit ook een onderwijsbonus in. Slaapproblemen doen minder leren en kunnen leiden tot meer negatief gedrag. De daling van de effectieve instructietijd zal zeker niet enkel hierdoor veroorzaakt worden, maar ik heb een vermoeden dat minder slaapproblemen bij jongeren ook dit ten goede zou komen. Ook genoeg bewegen zou gelinkt kunnen worden aan betere leerprestaties (al is dit met de nodige nuances).

Nee, dit zijn zeker niet de enige zaken waar een regering over zou moeten nadenken, maar vriendelijke suggesties terwijl men hopelijk verder nadenk over het oplossen van – ik zeg maar iets – het lerarentekort.

Persbericht UGent: gezondheid van de Vlaamse jongeren

Zeer blij met dit nieuw onderzoek dat de Universiteit Gent deed voor WHO, check dit persbericht:

Gezondheid en welbevinden: meer slaapproblemen

In 2018 zijn Vlaamse jongeren over het algemeen gezond en vrij tevreden met hun leven. Zo rapporteren negen van de tien bevraagde jongens en meisjes een hoge levenstevredenheid en beoordeelt een meerderheid van de jongens (85%) en de meisjes (80%) de eigen gezondheid als goed of uitstekend. Bovendien melden jongeren opvallend minder vaak lichamelijke klachten zoals hoofdpijn, buikpijn, rugpijn en duizeligheid in vergelijking met de vorige bevraging in 2014.
Toch zijn er ook enkele ongunstige ontwikkelingen wat betreft hun psychologische gezondheid. Een licht toenemend aantal jongeren voelt zich meermaals per week humeurig, zenuwachtig of futloos. Maar vooral de verdere toename in het aantal jongeren met slaapproblemen valt op. Over een periode van 16 jaar steeg het cijfer van 17% naar 24% bij de jongens en van 21% naar 30% bij de meisjes.

Alcohol en tabak: minder roken, jongens drinken minder dan vroeger

De studie onthult verder dat jongeren minder zijn gaan roken tussen 2014 en 2018. In 2014 rookte 9% van de jongens en 6% van de meisjes dagelijks. In 2018 was dat 4% van de jongens en 2% van de meisjes: een halvering ten opzichte van vier jaar eerder.
Ook het alcoholgebruik werd onderzocht. Drie op de tien jongeren drinken minstens eenmaal per maand alcohol. Ten opzichte van 2014 blijft dit cijfer stabiel voor de meisjes maar is er een opmerkelijke verbetering voor de jongens vast te stellen. Toen dronken nog vier op de tien jongens van 11 tot 18 jaar minstens eenmaal per maand alcohol.

Beweging en zittend gedrag: te weinig beweging, te veel schermtijd

Jongeren moeten volgens de normen van de Wereldgezondheidsorganisatie dagelijks minstens 60 minuten matig tot intensief bewegen. Slechts 21% van de jongens haalt deze richtlijn en bij de meisjes is dit zelfs maar 14%. Toch is er een gunstige evolutie ten opzichte van 2014 waar te nemen, al is die zeer miniem. Toen haalden nog minder jongeren de beweegnorm.
Naast een gebrek aan beweging, hebben jongeren ook te veel schermtijd. Minder dan 10% van de jongens en meisjes voldoet aan de norm van maximaal twee uur schermtijd per dag. Dit is net zoals in 2014 ondermaats.

Voeding en overgewicht

Meer dan de helft van de Vlaamse jongeren eet minstens dagelijks groenten. De dagelijkse consumptie van fruit ligt lager: slechts 33% van de jongens en 42% van de meisjes meldt dagelijks minstens één stuk fruit te eten.
De jongeren doen het daarentegen beter dan vroeger voor wat betreft de consumptie van frisdrank. Een minderheid van de jongens (29%) en van de meisjes (20%) zegt dagelijks frisdrank te drinken.
Deze cijfers zijn opvallend beter dan in 2014. Toen lag het percentage jongeren dat dagelijks groenten en fruit at gemiddeld tien procentpunt lager terwijl dit voor de consumptie van frisdrank bijna tien procentpunt hoger was. Een kleine maar gunstige evolutie is er ook op het vlak van hun gewicht. Het percentage jongens en meisjes met overgewicht en obesitas daalt licht van 16% in 2014 naar 14% in 2018.

Over het onderzoek

Meer dan 11 000 Vlaamse jongeren tussen 11 en 18 jaar namen deel aan deze studie, in het kader van de internationale Health Behaviour in School-aged Children-studie (HBSC). De HBSC-studie wordt uitgevoerd in samenwerking met de Wereldgezondheidsorganisatie en peilt sinds 1982 vierjaarlijks naar de gezondheid en de gezondheidsgedragingen van 11-, 13- en 15- jarige jongeren in een groeiend aantal landen en regio’s in Europa en Noord-Amerika. Vlaanderen neemt deel sinds 1989.

De studie biedt actuele inzichten in de gezondheid en gezondheidsgedragingen van Vlaamse jongeren en bestudeert hoe dit alles evolueert doorheen de tijd. Met deze waardevolle informatie kunnen beleidsmakers en actoren werkzaam binnen het terrein van de gezondheidsbevordering aan de slag om nieuwe initiatieven te ontwikkelen of bestaande initiatieven bij te sturen met het oog op gezondheidswinst bij de jongeren.

Info

De resultaten van de Vlaamse studie Jongeren en Gezondheid zijn online te raadplegen via de website van het onderzoek. Informatie over de internationale studie is terug te vinden via www.hbsc.org.

In Schotland spelen boeken verstoppertje om kinderen meer te laten lezen

“Look for a book” is een actie in Schotland waarbij boeken verstopt op openbare plaatsen waar veel kinderen komen. De boeken spelen als het ware verstoppertje, en de kinderen mogen ze vinden. Op deze manier hoopt men de kinderen niet enkel aan te zetten tot lezen, maar ook hen met andere genres en auteurs in aanraking te brengen.

Check deze reportage bij de BBC.

Vertonen kinderen van oudere ouders meer gedragsproblemen? Nee, net minder!

Vertonen kinderen van oudere ouders meer gedragsproblemen? Nieuw Nederlands onderzoek toont dat dit niet het geval is. Terwijl het krijgen van kinderen op latere leeftijd met een hoger risico op autisme of schizofrenie, lijken kinderen van oudere ouders net minder gedragsproblemen te vertonen dan hun leeftijdsgenoten van jongere ouders.

Een deel van de uitleg is wellicht eenvoudig: gezinnen die op latere leeftijd kinderen krijgen zijn vaker rijker en hoger opgeleid, wonen daardoor ook in betere omgevingen. De onderzoekers stelden vast dat de verschillen kleiner werden, naarmate men controleerde voor de sociaal-economische status van de onderzochte gezinnen.

Maar dan nog zijn er verschillen. Die kunnen deels verder verklaard worden door meer levenservaring en/of door genetische factoren. Deze laatste klinkt raar, maar gedragsproblemen zijn effectief deels erfelijk. Mensen met deze gedragstrek nemen ook vaker risico’s waardoor vroegere zwangerschappen mogelijk worden…

Lees ook meer in deze blogpost van , een van de onderzoeksters.

PISA in Focus: hoe goed kennen ouders de vrienden van hun vijftienjarige zoon of dochter?

Een beetje een apart onderwerp voor de meest recente PISA in Focus, of toch een onderwerp dat je niet snel met PISA of de OESO zou associëren: hoe goed kennen ouders de vrienden van 15-jarige zoon of dochter, en hoe goed kennen ze de ouders van die vrienden?

Wat blijkt?

  • On average across OECD countries, parents of 15-year-old students reported that they know five of their child’s school friends by name and four of the child’s friends’ parents. Parents in Georgia, Ireland and Spain reported knowing the most friends and parents, while parents in France, Hong Kong (China) and Macao (China) knew the fewest.
  • In most countries and economies the parents of children attending socio-economically advantaged schools knew more of their child’s friends and their parents than the parents of children in disadvantaged schools.
  • Students whose parents knew more of their friends and their friends’ parents scored higher in collaborative problem solving and reported fewer bullying experiences, even after accounting for socio-economic status.

Aha, en dat laatste is de reden. Let wel: het is PISA dus een correlatie!! Gelukkig, want Vlaamse ouders zitten eerder in de groep van minder:

Maar, ongelijkheid toont zich ook hier:

Je oudere broer of zus bepaalt mee je taalvaardigheid

Heb je een oudere zus, dan is de kans groter dat je taalvaardigheid iets beter is dan mocht je zoals mijn broers en zussen een oudere broer hebben (waarvoor sorry, broers en zussen). Dit blijkt uit een nieuw onderzoek dat net werd gepubliceerd in Psychological Science. Op die manier voegt het onderzoek een belangrijke nuance toe aan eerder onderzoek dat suggereerde dat niet de oudste zijn in een gezin, een negatieve invloed had op je taalontwikkeling. Dit blijkt dus vooral met het geslacht van wie voor je kwam te maken te hebben.

BPS Digest vat het onderzoek als volgt samen:

To test these theories, Havron and colleagues looked at data from an ongoing French cohort study called EDEN, which has followed children, and their mothers, from before birth through to age 11. At ages 2, 3 and 5-6, the children’s language skills were measured: at age 2 this simply involved mothers indicating which words their child could say, but at later ages children completed tests such as repeating words and sentences, naming pictures and listing animals. The team analysed the data from 1,276 1154 children who had completed the language tests, including 547 who had an older brother or sister.

The researchers found that, on average, children who had an older sibling had worse language skills than those who didn’t. But as they predicted, the sex of an older sibling was important: kids with older sisters had better language skills than those with older brothers. In fact, a subsequent analysis showed that children with an older sister didn’t actually differ in their language skills from those with no older sibling. On the other hand, the age gap between the siblings didn’t appear to make any difference to language ability after all.

En nu komt de belangrijke vraag: hoe komt dit? Wel, dat weten we niet. Verschillende verklaringen zijn mogelijk, van minder taalvaardige ouders, minder onderlinge, talige interactie tot meisjes die minder aandacht van ouders vragen. De data echter laat niet toe hierover conclusies te rekken.

Nog een belangrijke nuance: ik schreef bewust in de eerste zin ‘iets’ beter, omdat terwijl het effect wel degelijk significant is, het eigenlijke verschil nu ook niet zo groot is.

Abstract van het onderzoek:

The number of older siblings a child has is negatively correlated with the child’s verbal skills, perhaps because of competition for parents’ attention. In the current study, we examined the role of siblings’ sex and age gap as moderating factors, reasoning that they affect older siblings’ tendency to compensate for reduced parental attention. We hypothesized that children with an older sister have better language abilities than children with an older brother, especially when there is a large age gap between the two siblings. We reanalyzed data from the EDEN cohort (N = 1,154) and found that children with an older sister had better language skills than those with an older brother. Contrary to predictions, results showed that the age gap between siblings was not associated with language skills and did not interact with sex. Results suggest that the negative effect of older siblings on language development may be entirely due to the role of older brothers. Our findings invite further research on the mechanisms involved in this effect.