Humor in de klas is geen lachtertje

Mensen die me kennen, weten het: ik durf in mijn lessen en lezingen wel eens grappig te zijn. Niet omdat ik mezelf zo een entertainer vind, wel omdat ik merk dat een goed geplaatste grap soms spanning breekt, aandacht terugwint of een abstract punt net iets beter laat landen. Ik steek daar bewust veel tijd in. Tegelijk heb ik in al die jaren ook genoeg voorbeelden gezien van mensen die dat beter niet doen. Studenten in de lerarenopleidingen of lesgevers die hun eigen onhandigheid overspelen. Sprekers die denken dat een losse grap automatisch verbinding creëert. Of erger: humor die vooral ten koste gaat van iemand anders, denk aan een leerling of soms een hele groep.

Dat ongemak zit blijkbaar niet alleen in mijn buikgevoel. Er is nu ook degelijk experimenteel onderzoek dat dat intuïtieve onderscheid tussen “dit helpt” en “dit schaadt” bij humor in de les scherp onderbouwt. In een recente studie in Learning and Instruction onderzochten Sonja Bieg en collega’s wat verschillende soorten humor van lesgevers kan doen met onderwijskwaliteit, motivatie en emoties van leerlingen. Ze deden dit niet via een vragenlijst achteraf bij favoriete of gehate leraren, maar gebruikten een strak experimenteel design. Dezelfde les, dezelfde docent, dezelfde inhoud. Het enige wat varieerde was de humor. Of beter: het type humor.

De onderzoekers onderscheidden vier vormen:

  • Humor die expliciet verbonden is met de leerstof.
  • Humor die losstaat van de inhoud, zoals anekdotes of grapjes tussendoor.
  • Zelfrelativerende humor, waarbij de docent zichzelf als mikpunt neemt.
  • Agressieve humor, waarbij de grap ten koste gaat van leerlingen.

Daarnaast was er een controlegroep zonder humor.

Wat blijkt? Niet alle humor is gelijk. En vooral: niet alle humor is onschuldig of effectief.

Humor die inhoudelijk verbonden is met de les blijkt consistent positief. Zowel ervaren leraren als leerlingen beoordelen zulke lessen als interessanter. De relatie tussen docent en leerling wordt er beter van. Leerlingen ervaren meer plezier, meer intrinsieke motivatie en minder verveling. Cruciaal: deze vorm van humor kost geen onderwijstijd. Integendeel, ze gaat samen met meer ervaren ‘time on task’. De grap ondersteunt het leren, in plaats van het te onderbreken.

Dat sluit aan bij wat veel leraren intuïtief doen wanneer het werkt. Een absurde vergelijking om een concept te verduidelijken. Een speelse overdrijving die precies het kernidee blootlegt. Humor als didactisch middel, niet als pauzenummer.

Humor die losstaat van de inhoud ligt genuanceerder. Hier ben ik zelf voorzichtiger mee, omdat het kan afleiden. Denk aan wat we verleidelijke details noemen. Leerlingen vinden de docent vaak wel sympathieker en de les soms leuker, maar inhoudelijk schiet ze weinig op. Er zijn geen duidelijke winstpunten voor helderheid of motivatie. Bij experts roept dit type humor zelfs twijfel op over de interessantheid van de les. Het is niet destructief, maar ook niet vanzelfsprekend helpend. Een grap om de grap dus, die evengoed kan afleiden als verbinden.

Zelfrelativerende humor is misschien het meest verraderlijke type. In theorie klinkt het mooi: de docent die zichzelf niet te serieus neemt. In de praktijk blijken de effecten beperkt. Soms werkt het ontwapenend, maar het levert geen duidelijke winst op voor motivatie, interesse of helderheid. En in sommige gevallen ondergraaft het zelfs de ervaren focus en tijd op taak. Bescheidenheid is geen didactische strategie op zich. Hier moet ik zelf op letten.

En dan is er agressieve humor. Die blijkt ronduit schadelijk. Leerlingen ervaren meer boosheid en angst, minder motivatie en een slechtere relatie met de docent. Zowel leraren als leerlingen beoordelen deze lessen systematisch negatiever. Dit is geen kwestie van “sommige kunnen er tegen”. De effecten zijn consistent en duidelijk. Humor die vernederend is, ondermijnt het leren. Iemand verbaast?

Misschien het meest interessante aan dit onderzoek is niet dat humor soms werkt en soms niet. Dat wisten we eigenlijk al. Wat dit onderzoek scherp laat zien, is waarom ze werkt wanneer ze werkt. De positieve effecten lopen niet rechtstreeks van grap naar motivatie, maar via onderwijskwaliteit. Via de relatie met leerlingen. Via ervaren interesse en helderheid. Humor is beter geen toevallig ding, maar kan een versterker zijn van wat er didactisch al gebeurt.

Dat is ook de reden waarom sommige mensen beter geen humor gebruiken. Niet omdat humor op zich gevaarlijk is, maar omdat ze losgezongen raakt van het leren. Of erger: omdat ze gebruikt wordt om macht te tonen, spanning af te reageren of onzekerheid te maskeren.

Humor in onderwijs is dus geen persoonlijkheidskenmerk, maar een pedagogische keuze. En zoals bij zoveel keuzes in onderwijs geldt: het is niet de vraag of je het doet, maar hoe en waarom. Een goede grap kan een les openen. Een slechte grap kan haar sluiten.

Een ding dat ik al weet sinds ik zelf leerde lesgeven, wordt ook bevestigd door dit onderzoek: je hoeft niet grappig te zijn om goed les te geven. Maar als je het bent, zorg dan dat de humor het leren dient. De rest mag je gerust achterwege laten.

Geef een reactie