Onlangs verscheen in The Atlantic een opiniestuk dat veel lesgevers zullen herkennen. Walt Hunter stelt dat we studenten te vaak “ontmoeten waar ze zijn” en daarbij onze leesverwachtingen steeds verder verlagen. Minder boeken, kortere teksten, meer samenvattingen. Niet omdat lezen onbelangrijk zou zijn, maar omdat we vrezen dat studenten het niet meer aankunnen of simpelweg niet meer zullen doen. Zijn punt is scherp maar kan ik wel volgen: door studenten te ontzien, ontzeggen we hen net de kans om te groeien in diep lezen, concentratie en intellectuele volharding.
Dat beeld past in een bredere bezorgdheid. Steeds vaker hoor je dat jongeren niet meer lezen, dat romans hen afschrikken en dat langere teksten leiden tot weerstand of afhaken. Het opiniestuk benoemt dat probleem helder en durft iets te zeggen wat veel onderwijsprofessionals denken maar minder vaak hardop uitspreken: misschien zijn we te snel meegegaan in het verlagen van de lat. Iets wat het beleid in Vlaanderen nu wil keren.
Toch verdient dit debat meer nuance.
Eerder deze week kreeg ik van Jordi Casteleyn een inzicht dat bij mij bleef hangen. Wat bij veel leerlingen en studenten vandaag ontbreekt, is niet alleen leesvermogen of leesbereidheid, maar vooral het gedeelde referentiekader waarop onderwijs traditioneel steunt. Dat stuk gemeenschappelijkheid dat je kan aanspreken in een motiverend lesbegin, een voorbeeld, een analogie of een verwijzing, blijkt steeds vaker afwezig. Je moet nu vaker zaken uitleggen waar je naar verwijst omdat de leerlingen of studenten ook dat niet meer kennen.
Dat heeft minstens twee oorzaken.
Ten eerste zijn leerlingenpopulaties veel diverser geworden. Cultureel, taalkundig en sociaal. Dat is een verrijking, maar het betekent ook dat wat vroeger als vanzelfsprekend gold, dat nu niet meer is. Verwijzingen naar bepaalde boeken, films, historische gebeurtenissen of maatschappelijke discussies landen niet meer automatisch bij een meerderheid van de klas.
Ten tweede is mediagebruik sterk geïndividualiseerd. Waar vorige generaties nog een groot deel van hun culturele input deelden, via dezelfde programma’s, boeken of kranten, groeit deze generatie op in sterk gepersonaliseerde mediastromen. Iedereen leest, kijkt en luistert, maar vaak naar iets anders op basis van algoritmes. Het gevolg is niet zozeer minder tekst of cultuur, maar minder gedeelde ervaringen.
In dat licht wordt de claim “jongeren lezen niet meer” te grof. Ze lezen deels anders, fragmentarischer en vaak buiten de canon die het onderwijs impliciet veronderstelt. Het probleem zit niet alleen in motivatie of discipline, maar in het ontbreken van gemeenschappelijke ankerpunten die diep lezen begrijpelijk en betekenisvol maken.
Dat heeft belangrijke gevolgen voor hoe we naar het pleidooi uit The Atlantic moeten kijken.
Het is terecht om te waarschuwen tegen een onderwijspraktijk die complexe teksten systematisch vermijdt. Die waarschuwing moeten we ernstig nemen en mag ik er direct aan toevoegen dat we gelijkaardige eisen mogen stellen voor schrijven, spreken en luisteren? Tegelijk mogen we niet doen alsof studenten vandaag vertrekken van hetzelfde startpunt als vroeger. Verwachtingen verhogen zonder het referentiekader expliciet mee op te bouwen, leidt zelden tot meer lezen. Meestal leidt het tot vervreemding.
De uitdaging is dus dubbel. We moeten durven vasthouden aan rijke, veeleisende teksten. Maar we moeten tegelijk explicieter werken aan de context waarin die teksten betekenis krijgen. Dat betekent meer uitleg over waarom een tekst ertoe doet. Meer gezamenlijke verkenning van achtergrond, thema’s en verbanden. En meer aandacht voor het langzaam opbouwen van leesstamina en interpretatievaardigheden.
Lezen vraagt inspanning. Dat is altijd zo geweest. Wat veranderd is, is de vanzelfsprekendheid waarmee we konden veronderstellen dat studenten al een gedeelde culturele bagage meebrengen. Die vanzelfsprekendheid is weg.
Het debat over lezen in het onderwijs wordt vaak gepolariseerd. Ofwel zijn jongeren lui en afgeleid, ofwel moeten we ons onderwijs volledig aanpassen aan korte aandachtsspannes. Beide posities missen de kern. Het echte vraagstuk gaat over hoe we, in een gefragmenteerde culturele werkelijkheid, opnieuw gemeenschappelijkheid creëren rond tekst, betekenis en denken. Een kennisrijk curriculum kan dit in de toekomst deels verhelpen, maar wellicht zal er nog meer nodig zijn.
Niet door nostalgie. Wel door realisme, pedagogische ambitie en het besef dat lezen niet alleen een vaardigheid is, maar ook een gedeelde culturele praktijk die opnieuw opgebouwd moet worden.

Hier ben ik het helemaal mee eens. Betekent dit dan dat we gaan moeten afspreken vanuit welke gedeelde culturele en literaire basis we gaan moeten vertrekken? Ik kan me inbeelden dat dit geen evidentie is en dat deze discussie ook tot hevige debatten zal leiden. Wie het boek van Martin Bootsma (Brieven aan Miyo) heeft gelezen, zal ongetwijfeld jouw pleidoo herkennen. Maar een deel van de boeken die Martin bespreekt en voorstelt staan tot mijlenver van de leefwereld van kinderen (die opgroeien in multiculturele thuisomgevingen). Dus gaan we moeten afspreken welke boeken wel en welke niet. Want tijd is een kostbaar goed in het onderwijs 😉.