Wat ouders verwachten van digitale communicatie met scholen

File:New mail popup.gif - Wikimedia CommonsDe communicatie tussen ouders en school is de voorbije jaren steeds digitaler geworden. E-mails, ouderportalen, leerplatformen, berichtenapps: voor veel scholen is het ondertussen de ruggengraat van het contact met ouders. Dat dit efficiënter is, wordt vaak als evident aangenomen. Maar wat denken ouders daar eigenlijk zelf van?

Die vraag staat centraal in een nieuwe systematische review van Suzanne May Shwen Lee en haar collega’s Lin Gao, Cheng Yong Tan en Qi An, gepubliceerd in Review of Education. Het bijzondere aan deze studie is niet zozeer het onderwerp, maar het perspectief. Niet scholen of beleidsmakers staan centraal, maar ouders zelf!

De auteurs analyseerden 51 empirische studies over technologie-gemedieerde ouder–schoolcommunicatie in het kleuter-, lager en secundair onderwijs. Het gaat om kwalitatieve, kwantitatieve en mixed-methodstudies, wat toelaat om niet alleen effecten, maar ook ervaringen en betekenissen in kaart te brengen voor een zo volledig mogelijk beeld.

Een eerste vaststelling is verrassend consistent. Ouders zijn in het algemeen positief over digitale communicatie. E-mail blijkt veruit het meest gebruikte en meest gewaardeerde kanaal. Het is ingebed in het dagelijks leven, asynchroon en relatief overzichtelijk. Ouderportalen, leerplatformen en berichtenapps volgen op afstand.

Die voorkeur is echter sterk contextafhankelijk. Zodra het gaat over gevoelige onderwerpen zoals leerproblemen, gedragskwesties of conflicten, verschuift de voorkeur. Ouders geven dan duidelijk aan dat ze liever telefonisch of face-to-face communiceren en niet via technologie. Niet omdat het digitale per se ongeschikt is, maar omdat geschreven communicatie sneller tot misverstanden leidt over toon en intentie. Dat onderscheid maken ouders opvallend scherp.

De voordelen die ouders benoemen zijn herkenbaar:

  • Technologie verlaagt drempels.
  • Informatie komt sneller,
  • contact is flexibeler,
  • betrokkenheid is mogelijk zonder fysieke aanwezigheid op school.

Vooral voor werkende ouders is dat cruciaal. Snelle communicatie maakt het ook mogelijk om kleine problemen vroeg te signaleren, voor ze escaleren.

Tegelijkertijd wijst de review nadrukkelijk op mogelijke schaduwkanten. Veel ouders ervaren overcommunicatie. Te veel berichten, via te veel kanalen, zonder duidelijke hiërarchie. Wat bedoeld is als betrokkenheid, voelt soms als permanente bereikbaarheid. Daarnaast zijn er zorgen over privacy, dataveiligheid en het tempo waarin nieuwe platformen elkaar opvolgen.

Belangrijker nog is de vraag naar ongelijkheid. Niet alle ouders beschikken namelijk over dezelfde digitale vaardigheden, infrastructuur of taalvaardigheid. Deze review toont dat ouders uit lagere sociaaleconomische groepen en ouders met een migratieachtergrond vaker wel degelijk drempels ervaren. Technologie kan ouderbetrokkenheid versterken, maar op deze manier ook bestaande verschillen uitvergroten als scholen daar geen rekening mee houden.

Dat brengt ons bij de geografische spreiding van de onderzoeken die in de review zijn meegenomen. Het merendeel van de 51 studies werd uitgevoerd in de Verenigde Staten. Daarnaast zijn er bijdragen uit onder meer het Verenigd Koninkrijk, Australië, enkele Europese landen en in beperktere mate Azië. Onderzoek uit Afrika en grote delen van Zuid-Amerika ontbreekt vrijwel volledig.

Die scheefgroei is niet onbelangrijk. Communicatiestructuren, verwachtingen rond ouderbetrokkenheid en toegang tot technologie verschillen sterk per regio en onderwijssysteem. Wat werkt in een Amerikaans district met uitgebreide ouderportalen, laat zich niet zomaar vertalen naar andere contexten. De auteurs zijn daar zelf ook expliciet over en pleiten voor meer contextgevoelig onderzoek.

Hoe zit het met eventuele effecten op leren als er een digitale communicatie is met ouders? Ook hier zijn de conclusies voorzichtig positief. Ouders ervaren dat betere communicatie hen helpt om hun kinderen gerichter te ondersteunen. Ze krijgen meer zicht op wat er geleerd wordt en wat verwacht wordt. Terug niet omdat technologie op zich leren verbetert, maar omdat leren zichtbaarder wordt. Dat sluit aan bij wat we al langer weten over ouderbetrokkenheid.

De implicaties zijn opvallend nuchter. Goede ouder–schoolcommunicatie vraagt geen nieuw platform, maar doordachte keuzes. Welk kanaal voor welke boodschap? Hoeveel communicatie is zinvol? En voor wie werkt dit systeem goed, en voor wie niet?

Technologie is dus ook hier geen wondermiddel. Ze versterkt wat er al is. Dat maakt ouder–schoolcommunicatie geen technisch vraagstuk, maar een pedagogisch en relationeel vraagstuk, met nu digitale middelen. Wie ouders echt als partners wil betrekken, begint dus beter niet bij de tool, maar bij hun perspectief.

Bron afbeelding: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:New_mail_popup.gif

Geef een reactie