Waarom nuance in het onderwijsdebat twee kanten op moet werken

Johannes Visser schreef vorige maand dit stuk. Hij betoogt dat het hardnekkige beeld van een onderwijscrisis vooral wordt gevoed door negativiteitsbias, meetproblemen en onrealistische beleidsnormen, terwijl veel data eerder stabiliteit dan echte achteruitgang in taal- en rekenprestaties laten zien. Ik begrijp de reflex achter zijn artikel goed. Ook ik word al langer moe van het automatische crisisframe. Elk nieuw rapport lijkt het bewijs dat “het onderwijs faalt”, nog voor iemand de data rustig heeft bekeken. Dat helpt niemand. Niet leraren, niet scholen, en zeker niet het publieke debat.

Maar nuance werkt in twee richtingen. Dus kom ik even aankloppen.

Ik wil ook graag nieuws. En als het nieuws slecht is, dan moeten we dat eerlijk durven zeggen. Net zo goed als we mogen benoemen wanneer iets stabiel blijft of zelfs licht verbetert. Neem TIMSS: daar zien we dat de achteruitgang in rekenen in Nederland (sorry, Vlaanderen) niet verder doorzet. Dat is relevant en geruststellend nieuws, en dat mag ook zo gebracht worden.

En als het debat zich enkel zou baseren op PISA, dan zou ik Visser grotendeels volgen. PISA is low-stakes, kan gevoelig zijn voor motivatie, en meet maar een deel van wat we belangrijk vinden. En al is dat meer dan vaak wordt aangenomen: een groot deel van het debat over (on)gelijke kansen is net dankzij PISA mogelijk geworden. Maar het probleem is dat het daar niet bij blijft. We hebben ook PIRLS. En PIRLS laat voor Nederland wél een duidelijke daling in leesvaardigheid zien bij jongere leerlingen. Dat patroon is moeilijk volledig weg te verklaren met toetsmotivatie of mediabias.

Belangrijker nog: die daling is dan wel gemiddeld over de hele wereld, tegelijk is het geen universeel gegeven. In sommige landen en regio’s zien we dat leesprestaties niet noodzakelijk achteruitgaan. Engeland en Ierland zijn daar vaak geciteerde voorbeelden van. Dat maakt het Nederlandse signaal net relevanter. Als het elders kan stabiliseren of verbeteren, dan is “maatschappelijke verandering” alleen geen afdoende verklaring meer. Nederland, Finland en Vlaanden waren de sterkste dalers bij PISA én PIRLS.

Dat brengt me bij een tweede punt. Stabiliteit wordt in dit debat soms bijna als succes voorgesteld. Maar stabiliteit krijgt pas betekenis als je ze in context plaatst. In een onderwijslandschap met toenemende diversiteit, groeiende ongelijkheid en hogere eisen aan taal en geletterdheid, is “het blijft gelijk” geen vanzelfsprekend goed nieuws. Het kan ook betekenen dat het systeem zijn rek verliest.

De kritiek op onrealistische beleidsambities in Nederland, zoals de 65 procent op 1S, is wellicht terecht. Die norm is arbitrair en leidt al jaren tot voorspelbare teleurstelling. Maar het risico is dat we daarmee ook het zicht verliezen op echte verschillen. Want wie die gemiddelden bekijkt, ziet vooral iets anders opdoemen: de spreiding tussen scholen.

En dat is misschien mijn grootste zorg. Niet dat alle scholen het slecht doen, maar dat de verschillen groter worden. Sommige scholen nemen signalen over lees- en taalontwikkeling ernstig, investeren gericht, scherpen hun didactiek aan en volgen effecten op. Andere scholen relativeren de problemen of zien ze als tijdelijk of overdreven. Als het beleid en het publieke debat vooral geruststellend zijn, dreigt precies dat verschil te groeien.

Maatschappelijke veranderingen spelen onmiskenbaar een rol. Minder lezen, meer video, meer Engels, meer automatisering. Dat verklaart veel. Maar precies daarom wordt de rol van de school cruciaal, niet kleiner. Als taal en lezen buiten school onder druk staan, kunnen we ons niet permitteren dat scholen daar verschillend op reageren, afhankelijk van overtuiging of urgentiegevoel.

Johannes Visser erkent terecht dat er problemen zijn en pleit niet voor wegkijken. Waar ik van hem verschil, is dat sommige signalen naar mijn aanvoelen te snel als framing of meetprobleem worden geïnterpreteerd, terwijl ze in combinatie met andere data wél degelijk aandacht vragen

Dus ja: laten we stoppen met elk rapport als bewijs van een onderwijsramp te presenteren. Maar laten we ook niet doen alsof het allemaal vooral ruis, framing of meetproblemen zijn. Dan zullen wellicht weer dezelfde leerlingen de dupe worden. Soms is het nieuws gemengd. Soms valt het mee. En soms is het ronduit zorgwekkend. En volwassen onderwijsbeleid begint bij het vermogen om die verschillen te erkennen, zonder drama, maar ook zonder geruststellende mist.

Dat lijkt me uiteindelijk geen pessimisme, maar nuchter realisme.

Geef een reactie