Wat kan helpen bij ADHD? Je denkt nu misschien aan bepaalde medicijnen of behandelingen. Tijdens het lezen van deze umbrella review over de voor- en nadelen van ADHD-behandelingen in het BMJ van Gosling en heel veel collega’s, merk je vrij snel dat dit geen studie is die met één duidelijke conclusie eindigt. Integendeel. Ze brengt vooral structuur in een veld waar al veel over gezegd is, maar waar het overzicht vaak ontbreekt.
De opzet is stevig. De auteurs nemen meer dan honderd meta-analyses van RCT’s en herrekenen die op een uniforme manier. Uiteindelijk gaat het om 221 herberekende meta-analyses, over 31 interventies en 24 uitkomsten. Dat maakt dit geen zoveelste studie met één extra puzzelstukje, maar eerder een poging om de puzzel zelf beter te leggen.
Wat komt daaruit?
Op korte termijn bevestigt de studie grotendeels wat we al wisten. Medicatie werkt. Bij kinderen en adolescenten zien we voor middelen zoals methylfenidaat, amfetamines en atomoxetine middelgrote tot grote effecten op ADHD-symptomen, met een redelijke tot hoge zekerheid van evidentie. Bij volwassenen zijn de effecten er ook, maar gemiddeld iets kleiner.
Tegelijk wordt ook duidelijk wat daar tegenover staat. Diezelfde medicatie scoort minder goed op tolerantie. De kans op uitval door bijwerkingen ligt hoger dan bij placebo, zeker bij volwassenen. Dat maakt het beeld meteen minder eenduidig. Het werkt, maar niet zonder eventuele trade-offs.
Bij de niet-medicatie interventies zien we iets interessants. Daar zijn in sommige gevallen best grote effecten, bijvoorbeeld voor cognitieve gedragstherapie, mindfulness of fysieke training. Alleen is de zekerheid van die evidentie vaak laag of zeer laag. Dat betekent niet dat die interventies niet werken, maar wel dat we er minder zeker over zijn.
En precies daar zit de kern van deze studie. Niet in de vraag wat werkt, maar in de spanning tussen effectgrootte en bewijskracht. Sommige interventies tonen sterke effecten met zwakke evidentie. Andere hebben degelijke evidentie maar kleinere effecten. Wie daar één simpel antwoord uit wil halen, komt dus bedrogen uit.
Misschien nog belangrijker is wat deze review niet kon vinden in de vele studies. Voor de langere termijn is er nauwelijks sterke evidentie, ongeacht de interventie. Wat werkt op korte termijn, weten we redelijk goed. Wat werkt na zes maanden of een jaar veel minder. Dat is opvallend, zeker omdat behandelingen in de praktijk vaak langdurig worden ingezet.
De studie doet nog iets dat verder gaat dan de resultaten zelf. De auteurs ontwikkelden een online platform waarin die evidentie toegankelijk wordt gemaakt en ook verder geüpdatet zal worden. Dat lijkt een detail, maar is het niet. Het raakt aan een probleem dat we ook in onderwijs en andere domeinen zien: het is één ding om evidentie te hebben. Het is iets anders om ze bruikbaar te maken voor echte beslissingen.
Wat deze review uiteindelijk vooral duidelijk maakt, is dat “wat werkt” een te eenvoudige vraag is. Het antwoord hangt af van tijd, van uitkomst, van perspectief en van hoe zeker je je van je conclusie wilt zijn.