Voor deze blog lees ik meer onderzoek dan ik over schrijf. Ik bekijk de relevantie, de kwaliteit, soms ook de vraag of ik het zelf wel kan begrijpen. En soms omdat ik nog niet goed weet wat ik ermee aan moet.
Zo kwam ik het werk van Jukka Savolainen al een tijdje geleden tegen over sociologie als wetenschap. Het bleef hangen. Niet omdat het zo overtuigend was, maar omdat het iets raakte waar je niet zomaar omheen kan. Tegelijk heb ik tot nu toe er bewust nooit over geblogd. Net omdat het stuk zo duidelijk geschreven is als provocatie, en omdat de empirische basis daarvoor vrij dun is. Dat maakt het verleidelijk om het snel te gebruiken in discussies, maar ook riskant om het zomaar over te nemen. Een andere, nieuwe studie geeft me nu de kans om beide studies te brengen met de nodige nuance.
Voor wie het niet kent: Savolainen stelt dat sociologie als discipline achterloopt op het vlak van methodologische standaarden zoals open science en causale inferentie. Zijn verklaring is dat de discipline ideologisch relatief homogeen is en dat activistisch georiënteerd onderzoek een rol speelt. Dat is een stevige claim. En hoewel hij die ondersteunt met vergelijkingen tussen disciplines, blijft het vooral correlatief werk met een zeer beperkte steekproef. Hij erkent zelf dat causaliteit niet aangetoond is.
Het probleem is dus niet dat er niets in zit. Het probleem is dat het te snel als verklaring wordt gepresenteerd.
En toch bleef het knagen. Want wat Savolainen doet, is niet zomaar uit de lucht gegrepen. Hij wijst op een spanning die breder leeft en die ook in ander onderzoek zichtbaar wordt.
Zo verscheen nu een paar dagen geleden een grootschalige bibliometrische studie van Amy Shumin Chen die het internationale landschap van de onderwijssociologie in kaart brengt, zich in feite vooral focussend op de VS, de UK en Taiwan waar ze zelf president is van de Association of the Sociology of Education.
Wat in haar werk opvalt, is niet zozeer een probleem, maar een patroon. In de Verenigde Staten domineert een empirische, sterk op meting en beleid gerichte traditie. In het Verenigd Koninkrijk ligt de nadruk veel meer op kritische, theoretische en discursieve analyses. En in andere contexten, zoals Taiwan, zie je pogingen om die twee te combineren, maar vaak zonder dat dat volledig lukt.
Dat is op zich geen zwakte. Integendeel. Het toont de rijkdom van het veld. Maar het maakt ook zichtbaar waar de spanning zit: tussen meten en begrijpen, tussen evidentie en kritiek, tussen beleid en reflectie.
En daar raken beide artikels elkaar.
Waar Chen die spanning beschrijft als een historisch gegroeide diversiteit in het veld, leest Savolainen ze als een probleem van methodologische zwakte. Dat is een heel andere stap. En precies daar moet je voorzichtig zijn.
Want je kan dezelfde observatie op twee manieren lezen. Ofwel zeg je: dit veld heeft meerdere epistemologische tradities die naast elkaar bestaan en elk hun bijdrage leveren. Ofwel zeg je: die diversiteit verhindert dat het veld zich ontwikkelt volgens strengere wetenschappelijke standaarden.
De waarheid ligt waarschijnlijk ergens tussenin.
Wat je moeilijk kan ontkennen, is dat de integratie tussen die verschillende benaderingen vaak beperkt blijft. Empirisch sterk werk en theoretisch-kritische analyses leven soms naast elkaar, zonder echt met elkaar in gesprek te gaan. Dat is geen uniek probleem van sociologie zoals ik straks ga tonen, maar het is er wel zichtbaar.
De vraag is dan niet of één van beide “gelijk” heeft. De vraag is eerder hoe je die spanning productief maakt.
Voor wie, zoals ik, werkt rond evidence-informed onderwijs, is dat herkenbaar. Ook daar zie je voortdurend de neiging om te kiezen: ofwel harde evidentie en meetbaarheid, ofwel bredere reflectie en kritische duiding. Terwijl net de combinatie interessant wordt als ze goed gebeurt. Het is iets wat ik zelf probeer, maar het is dan manoeuvreren tussen paradigma’s.
Misschien is het dus geen uniek verhaal voor onderwijssociologie. Je kan een gelijkaardige analyse perfect maken voor onderwijskunde of pedagogiek.
Ook daar zie je verschillende tradities naast elkaar bestaan: onderzoek dat sterk inzet op effectiviteit en meting, werk dat vertrekt vanuit praktijk en context, en reflecties die expliciet normatief zijn en vragen stellen over wat onderwijs zou moeten zijn. Die lijnen lopen niet altijd netjes in elkaar over. Soms versterken ze elkaar, soms lopen ze langs elkaar heen.
Dat maakt het veld rijk, maar ook complex. En het maakt het soms lastig om tot gedeelde standaarden of een gemeenschappelijke taal te komen.
Je zou dus, als je wil, een gelijkaardige kritiek kunnen formuleren als die van Savolainen. Dat bepaalde delen van het veld minder sterk inzetten op methodologische strengheid, of dat normatieve overtuigingen soms een grotere rol spelen dan evidentie. Maar ook hier geldt: als je dat te snel als verklaring gebruikt, doe je geen recht aan de aard van het veld zelf.
Onderwijs en pedagogiek gaan nu eenmaal niet alleen over wat werkt, maar ook over wat wenselijk is. En dat laatste laat zich niet zomaar reduceren tot causaliteit of effectgroottes.
Misschien zit daar opnieuw dezelfde uitdaging. Niet om één benadering te laten winnen, maar om de brug tussen die verschillende vormen van kennis sterker te maken. Want net daar wordt het interessant.