Als jeugdzorg vastloopt, verschuift het probleem naar het onderwijs (en dat voelen we)

Vorige week sprak ik met een groep schooldirecties in Nederland over inclusief onderwijs. Daarbij hoorde ik een paar keer dezelfde opmerking terugkomen: voor kinderen met bijvoorbeeld gehoorproblemen of een visuele beperking is inclusief onderwijs vandaag eigenlijk geen grote uitdaging meer. En ergens klopt dat ook, denk ik. Daar is expertise opgebouwd, ondersteuning georganiseerd, ervaring gedeeld.

Maar… de groep waar het vandaag steeds vaker over gaat, is een andere. Kinderen en jongeren met complexe gedragsproblemen, met mentale gezondheidsnoden, met een thuissituatie die onder druk staat. Jongeren die vroeger – sneller, vaker – in de jeugdzorg terechtkwamen. En die nu steeds vaker in scholen blijven hangen, omdat er simpelweg geen plek is.

Het bericht gisteren onder andere in De Morgen over het jaarverslag van de Commissie van Toezicht voor Jeugdinstellingen maakt dat pijnlijk zichtbaar. Denk dan aan erg jonge kinderen in gesloten instellingen. Wachttijden die oplopen tot een jaar. Jongeren die nergens terechtkunnen en dus blijven waar ze eigenlijk niet horen te zijn.

We zien een systeem dat vastloopt. Want wat daar gebeurt, blijft niet beperkt tot de jeugdzorg. Het sijpelt door. Naar internaten die steeds vaker een rol opnemen waarvoor ze nooit bedoeld waren. Naar scholen die geconfronteerd worden met noden waar ze niet voor opgeleid zijn. En ondertussen proberen leerkrachten te doen wat ze kunnen, met steeds dat knagende gevoel dat het niet genoeg is.

Zo krijgen we een verschuiving die op het eerste gezicht logisch lijkt, maar dat niet is. Want als één schakel onder druk staat, neemt een andere het over. Totdat die ook onder druk komt te staan. En zo verder. Waarbij steeds meer kinderen en jongeren geraakt worden;  We blijven vaak denken in sectoren. Jeugdzorg is jeugdzorg. Onderwijs is onderwijs. Internaten zijn internaten. Maar in de praktijk werkt het zo niet. Het is één keten. En als die keten ergens blokkeert, voel je dat overal.

Dat zie je ook in hoe problemen escaleren. Als hulp aan huis maanden op zich laat wachten, verdwijnen problemen niet. Ze worden groter. Complexer. Harder. Tegen de tijd dat iemand wél in beeld komt, is het vaak al crisis. En dan belanden jongeren in plekken die eigenlijk als laatste redmiddel bedoeld waren. Die logica is pervers, maar begrijpelijk. Als er geen alternatieven zijn, gebruik je wat er wél is. Of springen die spontaan in de bres, omdat ze kinderen en jongeren niet aan hun lot willen overlaten.

Scholen zitten daar middenin. Niet omdat ze dat willen, maar omdat ze er zijn. Omdat ze elke dag open zijn. Omdat ze geen opnamecriteria hebben. En omdat ze jongeren niet kunnen weigeren, alhoewel… En dus worden ze, stilaan, bufferzones. Dat vraagt van scholen iets wat we soms weinig benoemen. Niet alleen pedagogische expertise, maar ook zorg, opvang, crisismanagement. Terwijl we tegelijk blijven verwachten dat ze “gewoon goed onderwijs” geven.

Laat dit duidelijk zijn: dit is geen verwijt aan scholen. Integendeel. Het is net omdat scholen blijven functioneren dat het systeem niet volledig stilvalt. Ik verwijt in feite niemand iets. Ik zit wel met een belangrijke vraag: hoe zorgen we ervoor dat de nood daalt?

Een deel van het antwoord ligt buiten het onderwijs. In het verkorten van wachttijden. In het versterken van jeugdhulp. En ook in het aanpakken van armoede. Dat zijn geen nieuwe inzichten, maar wel noodzakelijke voorwaarden. Want zolang hulp te laat komt, zal ze altijd zwaarder en duurder zijn. Tegelijk is er ook iets wat scholen wél kunnen doen, zonder hun rol te verliezen. Sterke klaspraktijken. Voorspelbaarheid. Duidelijke structuren. Relaties die werken. Dat lost geen complexe thuissituaties op. Maar het kan wel voorkomen dat problemen verder escaleren. Het zijn geen mirakeloplossingen, maar wel “best bets”. En misschien ook – als ik even de pedagoog mag uithangen – school een plek maken waar je gewoon even leerling kan zijn onder de leerlingen?

Geef een reactie