Tom Lehrer is dood. Leve Tom Lehrer.

Het was tweet van Weird Al Yankovic die me het nieuws bracht, gevolgd door Koen Filet die het nieuws bevestigde: Tom Lehrer is niet meer.

Soms komt er iemand voorbij die een genre niet alleen beheerst, maar herschrijft. Die de regels snapt, om ze vervolgens genadeloos te ondergraven. Tom Lehrer was zo iemand. Een brave, briljante man die je in een colbertje en met droge stem de meest subversieve teksten in het oor fluisterde — op de vrolijke deuntjes van een muziekdoosje dat net iets te hard had meegedraaid. Denk Drs P, maar dan anders.

Lehrer overleed dit weekend, 97 jaar oud. Dat is lang genoeg om te zien hoe je als enfant terrible eindigt als culticoon. Of zoals hij het zelf ooit zei: zijn bekendheid verspreidde zich niet als ebola, maar als herpes. Langzaam, maar hardnekkig.

Wie Lehrer niet kent, kent misschien toch zijn nalatenschap. De rijtjesfanaten zingen nog steeds zijn versie van het periodiek systeem (“The Elements”), op het ritme van Gilbert & Sullivan.

Satirici verwijzen naar hem als de geestelijke vader van wat je zou kunnen noemen: zingend bewustzijn. Zijn liedjes waren parodie en pamflet tegelijk. Gevat, scherp, ongemakkelijk vrolijk.

Neem “Poisoning Pigeons in the Park”. Een melodietje alsof het uit een jaren ’50 kinderprogramma komt. Maar dan: “When we’re poisoning pigeons in the park.”

Of “The Vatican Rag”, waarin hij katholieke rituelen omtovert tot een dansje, inclusief de instructie “genuflect, genuflect, genuflect.” Het was allemaal zo vrolijk oneerbiedig dat je bijna vergat dat het ook een keiharde spiegel was.

Lehrer was geen beroepssatiricus, hij was wiskundige. Professor. Kind van Harvard. Zijn academische achtergrond schemerde door in zijn stijl: droog, precies, met liefde voor taal én logica. Hij riep in één zin de namen van 50 Russische componisten op, liet “philately” rijmen met “Lady Chatterley”, en legde in “New Math” uit waarom moderne rekenmethodes ouders tot wanhoop drijven.

Wat Lehrer echt bijzonder maakte, was zijn tijd. In de jaren ’50 en ’60 waren zijn teksten radicaal. Hij zong over rassenongelijkheid, atoomwapens en hypocrisie in de politiek — terwijl het decor nog pastel was en de moraal op zondag verplicht. Zijn “National Brotherhood Week” stelde die schijn van verbroedering genadeloos aan de kaak: “It’s only for a week, so have no fear / Be grateful that it doesn’t last all year.”

En toen? Toen hield hij ermee op. Gewoon, omdat hij geen zin meer had. Hij had nooit een carrière gewild, beweerde hij zelf. En hij heeft zijn grootste fans nooit echt serieus genomen. “Ik was niet aan het preken voor de bekeerden,” zei hij, “ik was ze aan het kietelen.” Zelfs J.D. Salinger kwam nog vaker in de openbaarheid.

Maar zijn invloed bleef. Barry “Dr. Demento” Hansen noemde hem de grootste satirisch liedjesschrijver ooit. “Weird Al” Yankovic, eeuwige tweede op de verzoeklijst, noemde hem zijn held. En toen Lehrer zijn volledige oeuvre royalty-vrij online zette, inclusief partituren, voelde het een beetje alsof Einstein zijn aantekeningen in de kringloop had gelegd.

Wat blijft, zijn die 37 liedjes in 20 jaar. Een klein oeuvre met een groot bereik. Die je aan het lachen maken terwijl je eigenlijk zou moeten fronsen. Die je aanzetten tot nadenken door te overdrijven. En die bewijzen dat satire niet altijd schreeuwerig hoeft te zijn — soms is een nette man met een piano genoeg (zie ook Randy Newman).

Geef een reactie