I
edereen die lesgeeft kent het beeld of hoopt het beeld ooit eens te zien, misschien. Leerlingen zitten rechtop, kijken naar voren, schrijven mee. De klas is rustig. Op papier lijkt alles perfect. Dit is toch hoe betrokkenheid er uitziet. En toch. Er knaagt iets. Je voelt gewoon als leraar dat niet iedereen echt mee is. Dat sommige hoofden wel richting bord staan, maar mentaal ergens anders zijn. Een verhaal over cognitieve betrokkenheid in de klas.
Nieuw onderzoek laat zien dat dat gevoel vaak kan kloppen. Onderzoekers onder leiding van Enqi Fan combineerden klassieke klasobservaties – time-on-task, wie is bezig met de opdracht – met metingen van hartslagvariabiliteit. Die hartslagvariabiliteit zegt blijkbaar iets over hoeveel cognitieve inspanning iemand levert. Meer belasting betekent dan meestal minder variatie tussen hartslagen. Minder belasting kan herkend worden via meer variatie. Wat ze vonden, is even eenvoudig als ongemakkelijk: gedrag en brein lopen niet altijd gelijk.
Leerlingen kunnen er dus aandachtig uitzien, terwijl hun cognitieve betrokkenheid al aan het wegzakken is. Ze doen wat gevraagd wordt, maar zonder veel mentale inspanning. Omgekeerd kan iemand die even wiebelt op zijn stoel of naar buiten kijkt, cognitief net heel hard aan het werk zijn. De illusie van de rustige klas blijkt precies dat: soms een illusie.
In de studie werden twee soorten lessen vergeleken bij in totaal 45 leerlingen uit het secundair onderwijs (beroepsrichtingen en andere): klassiek onderwijs en lessen met video-ondersteuning. In die videolessen bleek de cognitieve belasting hoger, maar ook stabieler. Leerlingen zaten langer in eenzelfde mentale toestand. In traditionele lessen schommelde de belasting sterk. Zeker tijdens groepswerk en klassikale interactie zag je grotere pieken en dalen. Dat vraagt veel van zelfregulatie: aandacht richten, afleiding negeren, opnieuw aansluiten wanneer de draad kwijt is.
En voor wie denkt: ah, dus videolessen zijn beter. Nee, dat is een te makkelijke conclusie. Het interessante is dat je kan zien dat een leerling perfect on-task kan zijn, maar cognitief al in ontspanningsmodus zit. Alsof ze netjes meefietsen, maar zonder kracht op de pedalen. Dat sluit pijnlijk mooi aan bij wat we al langer weten over oppervlakkig leren. Veel zichtbare activiteit betekent niet automatisch veel denken.
Voor alle duidelijkheid. Nee, ik wil geen klaslokalen vol hartmeters. Dit onderzoek is fascinerend, maar het is geen blauwdruk voor de praktijk. Ik heb geen enkele behoefte aan dashboards met hartslagen van leerlingen, noch aan leerkrachten die plots fysiologische data moeten interpreteren. Dat zou een nieuwe vorm van schijnprecisie worden. Alsof we eindelijk “objectief” weten wie aan het leren is. Dat weten we dan net niet.
De waarde van dit soort onderzoek zit elders. Niet in meten om te controleren, maar in meten om beter te begrijpen. Het herinnert ons eraan hoe beperkt onze observaties zijn. We zien gedrag, maar leren speelt zich grotendeels onzichtbaar af. Het waarschuwt ons ook voor een te simpele definitie van betrokkenheid. Rust is niet altijd een goed teken. Drukte is niet altijd slecht. En aandacht is geen aan/uit-knop.
Wat ik er vooral uit meeneem, is een mogelijke les voor lesontwerp. Structuur helpt. Fases doen ertoe. Momenten van hoge cognitieve belasting moeten afgewisseld worden met ademruimte. En tijdens groepswerk en klassikale interactie is ondersteuning geen luxe, maar noodzaak. Want net daar schommelt de mentale belasting het meest.
Dus ja, het hart van leerlingen zegt soms iets anders dan hun gedrag. Maar dat betekent niet dat we hun hart moeten gaan monitoren. Het betekent dat we opnieuw scherp moeten kijken naar wat leren eigenlijk is: een onzichtbaar proces, dat zich niet netjes laat aflezen aan rechte ruggen en stille pennen, noch aan drukte en veel overleg.
Image by Vectorportal.com, CC BY
Dit lijkt wel heel erg op p. 45-53 van Onderwijsillusies waar ik ook nogal wat kritiek op heb. Ja, ogenschijnlijke betrokkenheid zegt niet alles over de mate van daadwerkelijke cognitieve arbeid die verricht wordt. Het is echter ook niet zo dat ogenschijnlijke betrokkenheid per definitie helemaal niets zegt. Beter is om uit te werken dat er voor iedere effectvolle didactiek cognitieve betrokkenheid nodig is, zichtbaar of niet en beter is uit te zoeken hoe we lessen kunnen ontwerpen waarin die cognitieve betrokkenheid bewerkstelligd wordt. Dat lijkt me relevanter dan wat hier wordt gepresenteerd en op p. 45-53 van Onderwijsillusies. Vragen als hoe komen we van meedoen naar leren, zijn van belang. Het gaat er natuurlijk om de mate waarin kinderen betrokken zijn. Nogmaals: laten we ons richten bij het lesontwerp op de vraag hoe we diepe betrokkenheid in een les in kunnen bouwen. In Onderwijsillusies had ik de indruk dat de betrokkenheid ongenuaceerd met het badwater weggegooid werd. U geeft zelf ook les en vraag u af wat het met u doet als uw studenten niet betrokken lijken. Onderschat niet wat dat met een docent doet. Wat doet u om uw studenten bij uw colleges te betrekken? Laten we die kant van de betrokkenheid ook een onderzoeken.
Pingback: De leraar zijn die je wilt zijn – Teacher Tapp Nederland