AI in onderwijs: de risico’s wegen vandaag zwaarder dan de beloften (nieuw rapport)

De discussie over AI in onderwijs blijft vaak opvallend binair. Ofwel is AI de onvermijdelijke redding van een overbelast systeem, ofwel een existentiële bedreiging voor leren, denken en zelfs bij uitbreiding de menselijkheid. Het nieuwe Brookings-rapport A New Direction for Students in an AI World probeert dat patroon te doorbreken, maar het kan lijken dat ze daar niet in slagen. Ze doen het namelijk niet door het midden te zoeken, maar door een ongemakkelijke conclusie expliciet te maken: op dit moment wegen de risico’s van AI voor leerlingen zwaarder door dan de baten

Let wel, dit is geen anti-AI-standpunt. Integendeel. Het rapport is geschreven door onderzoekers onder leiding van Mary Burns die expliciet vertrekken vanuit de mogelijkheid dat AI leren wel degelijk kan verrijken. Maar precies daarom is hun analyse scherp. De kernvraag is niet of AI kan helpen, maar onder welke voorwaarden het dat ook daadwerkelijk doet.

De centrale conclusie is helder. AI verrijkt leren alleen wanneer het de kern van onderwijs versterkt: de interactie tussen leerling, leraar en leerinhoud. Maar de onderzoekers stellen vast dat vandaag in de praktijk vaak het tegenovergestelde gebeurt. Veel AI-toepassingen nemen cognitieve arbeid over die juist essentieel is voor ontwikkeling. Denken, formuleren, plannen en worstelen worden uitbesteed. Dat leidt niet tot efficiënter leren, maar tot een uitholling van fundamentele leerprocessen. Vooral bij kinderen en jongeren is dat problematisch, omdat het precies die cognitieve, sociale en emotionele vermogens raakt die nog in ontwikkeling zijn.

Het rapport benoemt zes samenhangende risicodomeinen:

  • ondermijning van cognitieve ontwikkeling,
  • schade aan sociale en emotionele groei,
  • afname van vertrouwen in onderwijs,
  • veiligheids- en privacyrisico’s,
  • verlies aan autonomie
  • en een groeiende ongelijkheid.

Die risico’s stellen ze niet voor als hypothetische toekomstscenario’s. Ze worden namelijk nu al zichtbaar, zowel binnen als buiten de schoolcontext. AI-gebruik is immers al lang niet meer iets wat zich netjes binnen schoolmuren laat reguleren.

Tegelijk laat het Brookings-rapport zien waarom de gebruikelijke reflexen tekortschieten. Een simpel verbod werkt niet. Maar ongerichte adoptie evenmin. Het idee dat technologie op zichzelf innovatie is, wordt in het rapport expliciet verworpen. Decennia onderwijstechnologie hebben al laten zien dat meer technologie niet automatisch tot beter onderwijs leidt. AI vormt daarop geen uitzondering, maar vergroot de inzet.

Vanuit die analyse formuleren de auteurs drie samenhangende pijlers voor beleid en praktijk: prosper, prepare en protect.

  • Prosper gaat over leren zelf. AI mag alleen ingezet worden wanneer het aantoonbaar bijdraagt aan diep leren. Dat vraagt bewuste keuzes: wanneer wel AI gebruiken, en vooral wanneer niet. Productieve worsteling, zelfregulatie en metacognitie zijn geen inefficiënties die we moeten wegoptimaliseren, maar voorwaarden voor leren. AI moet die processen ondersteunen, niet vervangen. Dat impliceert ook dat algemene, niet-onderwijsgerichte chatbots zelden geschikt zijn als leerinstrument voor kinderen.
  • Prepare richt zich op capaciteit en kennis. Niet alleen leerlingen, maar ook leraren, schoolleiders en ouders moeten begrijpen wat AI wel en niet kan. AI-geletterdheid gaat hier niet over knopjes leren bedienen, maar over inzicht in beperkingen, vertekeningen en gedragssturing. Voor leraren betekent dit gerichte professionalisering, gekoppeld aan pedagogiek en didactiek, niet losse toolsessies. Voor systemen betekent het dat AI-beleid geen add-on kan zijn, maar onderdeel van een bredere onderwijsvisie.
  • Protect is misschien de meest onderschatte pijler. Het rapport is opvallend expliciet: bescherming moet ingebouwd zijn in ontwerp en regelgeving, niet achteraf worden gerepareerd. Privacy, veiligheid, transparantie en kindgerichte ontwerpprincipes zijn geen luxe, maar randvoorwaarden. Dat vraagt strengere eisen aan aanbieders, duidelijke publieke kaders en volwassen governance. Ook hier geldt: als scholen en overheden dit niet doen, nemen commerciële platformen die ruimte vanzelf in.

Wat dit rapport vooral goed doet, is de discussie verplaatsen. Niet: hoe passen we ons onderwijs aan aan AI? Maar: welk onderwijs willen we, en welke rol mag AI daarin spelen? Dat is geen technologische vraag, maar een normatieve. En precies daarom is uitstel riskant. Hoe langer impliciete keuzes onbesproken blijven, hoe sneller ze verankerd raken in dagelijkse praktijk.

De oproep van Brookings is dan ook opvallend concreet. Kies als organisatie minstens één aanbeveling en werk die de komende drie jaar uit. Niet alles tegelijk. Wel doelgericht. Dat past bij de toon van het rapport: geen paniek, geen hype, maar wel urgentie.

AI zal niet verdwijnen uit het leven van leerlingen, dat is pas een illusie. De vraag is dus niet of onderwijs daarop reageert, maar hoe dat best doordacht gebeurt. Dit rapport biedt geen eenvoudige antwoorden, maar mogelijk wel iets belangrijkers: een kader om betere vragen te stellen. Dat is voorlopig misschien wel de meest realistische vorm van vooruitgang.

Geef een reactie