Academische vrijheid tussen autonomie en vrije meningsuiting

Academische vrijheid komt in Vlaanderen  of Nederland meestal pas ter sprake wanneer er wrijving ontstaat. Een discussie over taalgebruik in het hoger onderwijs. Een conflict over evaluatiecriteria. Een docent of onderzoeker die botst met een bestuur. In zulke momenten wordt academische vrijheid vaak aangehaald als iets wat vanzelfsprekend bestaat en dus ook vanzelfsprekend beschermd is.

Maar wat daar precies onder wordt verstaan, blijft vaak impliciet.

Wat academische vrijheid niet is

In veel debatten lijkt academische vrijheid samen te vallen met vrije meningsuiting, of met de autonomie van instellingen. Ik legde in mijn recente keynote over het belang van academische vrijheid en onderwijsvrijheid op het NRO-congres al uit dat dit niet klopt. Dat zijn verwante begrippen, maar ze zijn niet hetzelfde. In rechtsvergelijkend onderzoek wordt academische vrijheid meestal opgevat als een afzonderlijke vrijheid, met een eigen functie. Ze beschermt niet zozeer meningen, maar een praktijk: onderzoek doen, onderwijs geven en kennis verspreiden volgens professionele en methodologische normen.

Dat onderscheid is blijkbaar niet overal even sterk uitgewerkt. In landen waar de vrijheid van wetenschap expliciet in de grondwet is opgenomen, zoals Duitsland of Italië, bestaat er een uitgebreidere doctrine over wat die vrijheid precies inhoudt en hoe ze zich verhoudt tot andere rechten. Daar wordt academische vrijheid vaak onderscheiden van algemene vrije meningsuiting, en krijgt ze een eigen afwegingskader. Tegelijk zijn daar ook de grenzen niet altijd scherp en blijven veel vragen open.

Vlaanderen en bij uitbreiding België bevinden zich in een andere constitutionele context. Academische vrijheid kan in België enkel indirect en fragmentarisch grondwettelijk worden gefundeerd, en valt niet samen met de vrijheid van onderwijs. Net als in Nederland of het Verenigd Koninkrijk is academische vrijheid dus niet expliciet grondwettelijk vastgelegd. De bescherming ervan loopt via andere rechten en via secundaire regelgeving. Dat betekent niet dat academische vrijheid er niet is, maar wel dat ze minder eenduidig kan afgebakend zijn en afhankelijker wordt van interpretatie en context.

Waarom Europa hier toch toe doet

Die verschillen worden relevanter nu academische vrijheid steeds vaker in een Europese context wordt besproken. Recent vergelijkend werk van Ceran en Kosta probeert in kaart te brengen welke “gemeenschappelijke constitutionele tradities” in Europa bestaan rond academische vrijheid, onder meer met het oog op de interpretatie van het EU-Handvest van de grondrechten. Daaruit komt een beeld naar voor waarin academische vrijheid doorgaans zowel een individuele als een institutionele dimensie heeft, betrekking heeft op onderzoek én onderwijs, en niet eenvoudig kan worden herleid tot vrije meningsuiting of bestuurlijke autonomie.

Voor Vlaanderen heeft dat geen onmiddellijke juridische gevolgen, maar het biedt wel een referentiekader. Zeker in dossiers waar Europees recht meespeelt, zoals internationalisering, taalbeleid of onderzoeksfinanciering, kan zo’n kader mee bepalen hoe beleidskeuzes worden beoordeeld en verantwoord.

Wanneer academische vrijheid zichtbaar wordt

Misschien is dat ook de reden waarom academische vrijheid in Vlaanderen vaak pas zichtbaar wordt wanneer er spanning ontstaat. Zolang belangen samenvallen, volstaat een impliciet begrip. Wanneer ze botsen, wordt duidelijk dat niet altijd helder is wat academische vrijheid precies beschermt, en wie zich erop kan beroepen.

Dat hoeft geen probleem te zijn. Maar het nodigt wel uit tot voorzichtigheid met stellige claims. Academische vrijheid is geen vaststaand gegeven dat zich automatisch doorzet. Ze krijgt vorm in concrete keuzes, afwegingen en praktijken. Juist daarom is het zinvol om af en toe stil te staan bij wat we ermee bedoelen, nog voor ze onderwerp wordt van conflict.

Geef een reactie