Het is verleidelijk om te hopen dat kunst “werkt”. Dat een museumbezoek stress verlaagt, dat een schilderij aan de muur mensen rustiger maakt, dat esthetische ervaring een laagdrempelige manier is om welbevinden te verbeteren. En eerlijk: ik zou graag hebben dat het bewijs dat ook ondubbelzinnig laat zien.
Recent publiceerden MacKenzie Trupp, Claire Howlin, Anna Fekete, Julian Kutsche, Joerg Fingerhut en Matthew Pelowski een grote systematische review over het effect van kunst bekijken op welzijn. Niet kunst maken, geen therapie, geen workshops, maar gewoon: kijken naar beeldende kunst. De studie verscheen in The Journal of Positive Psychology en is methodologisch zorgvuldig opgezet. De studie werd vooraf geregistreerd, volgt de PRISMA-richtlijnen en is opvallend transparant over wat wel en niet gevonden wordt.
Het gevolg is dat dit geen review is die enthousiasme verkoopt. Wel is het een overzichtsstudie die probeert te begrijpen wat overeind blijft wanneer je het hele veld samenlegt.
En dat onderzoeksveld blijkt behoorlijk rommelig. De auteurs vonden 38 relevante studies, samen goed voor ruim 6.800 deelnemers. Je merkt het al. Veel van die studies zijn klein. Veel gebruiken geen echte controlegroep. Kunst kijken wordt vaak gecombineerd met gesprekken, reflectieopdrachten, educatie of sociale interactie. Dat is op zich begrijpelijk, maar het maakt het moeilijk om te isoleren wat het effect is van het kijken zelf.
Wanneer je streng bent en alleen kijkt naar studies met een controlegroep, blijft er weinig over. Voor stress, stemming, pijn en algemeen welbevinden is het bewijs gemengd tot zwak. Evenveel uitkomsten zijn niet significant als wel. Dat is geen tekortkoming van deze review, maar precies haar sterkte. De auteurs maken null-resultaten expliciet zichtbaar in plaats van ze weg te filteren.
En toch is het niet allemaal slecht nieuws.
Wanneer je kijkt naar één specifieke uitkomst, valt iets op. Voor eudaimonisch welbevinden, denk hierbij aan betekenis, zingeving en reflectie, is de evidentie consistenter en duidelijker. In de studies die dit meten, en vooral in de studies die vergelijken met een controleconditie, blijft dit effect relatief overeind. De effectgroottes zijn klein, maar ze keren telkens weer terug.
Dat is tegelijk hoopgevend en teleurstellend. Hoopgevend, omdat het suggereert dat kunst kijken inderdaad iets kan betekenen voor mensen. Teleurstellend, omdat het niet het soort effect is waar beleid of headlines warm van lopen. Geen snelle stressreductie. Geen eenvoudig toepasbare interventie.
Misschien zegt dat ook iets over onze verwachtingen en vooral hoe graag we iets instrumentaliseren. We willen graag dat kunst werkt zoals een interventie: meetbaar, efficiënt en reproduceerbaar. Terwijl het beperkte maar consistente signaal net wijst op iets anders. Kunst lijkt minder te doen op het niveau van onmiddellijke ontspanning en meer op het niveau van betekenisgeving. Trager. Minder spectaculair. Moeilijker te vangen in korte designs. En er is natuurlijk ook art for art’s sake.
Dat maakt dit onderzoek niet minder relevant. Integendeel. Het dwingt tot bescheidener spreken, maar ook tot betere vragen. Niet: verlaagt kunst stress? Maar: onder welke omstandigheden draagt kunst bij aan betekenis? Voor wie? En via welke processen?
Wie uit deze review concludeert dat kunst irrelevant is voor welzijn, leest te weinig. Wie eruit concludeert dat kunst bewezen therapie is, leest te snel. Wat overblijft is geen slogan, maar iets waardevollers: een zorgvuldig afgebakend inzicht, en een uitnodiging om beter onderzoek te doen. En misschien ook de nodige hulp om onze hoop iets preciezer te richten.