Soms verschijnt er onderzoek waar je ogenschijnlijk weinig mee kan. Geen interventie. Geen stappenplan. En nee, ook geen duidelijke aanbeveling voor morgen in de klas. Je leest het, knikt, en blijft achter met de vraag: en nu? Een recente grootschalige studie naar wiskundige vaktaal in de klas is zo een onderzoek. Maar toch is er meer.
Op het eerste gezicht is de uitkomst helder en tegelijk onbevredigend. Leraren die meer wiskundige vaktaal gebruiken, hebben leerlingen die beter scoren op gestandaardiseerde toetsen. Dat verband is zelfs sterk genoeg om stand te houden wanneer leerlingen willekeurig aan leraren worden toegewezen. En toch. Hetzelfde onderzoek laat ook zien dat die vaktaal nauwelijks “overspringt” naar leerlingen. Meer termen gebruiken als leraar leidt niet automatisch tot leerlingen die zelf rijker of preciezer spreken over wiskunde.
Wie op zoek is naar een snelle vertaalslag, zit hier vast. Meer vaktaal werkt, maar ook weer niet. Of toch?
Ik vond het onderzoek via The Hechinger Report en twijfelde even om dit onderzoek van Zachary Himmelsbach en collega’s te bespreken. Niet omdat het een zwakke studie is, integendeel, maar omdat ze zich zo slecht lijkt te lenen tot een eenvoudige vertaalslag. Toch verdient precies dit soort onderzoek niet om herleid te worden tot een te eenvoudige headline.
De verleiding is namelijk soms groot om dit soort bevindingen te reduceren tot een eenvoudige boodschap. Gebruik meer vaktaal. Wees preciezer. Vermijd alledaagse woorden. Maar dat is precies wat dit onderzoek niet ondersteunt. Het laat niet zien dat vaktaal op zichzelf de oorzaak is van leren. Het toont wel dat leraren die structureel meer vaktaal gebruiken, gemiddeld effectiever zijn. Dat verschil lijkt subtiel, maar blijkt cruciaal.
De meest aannemelijke lezing is daarom geen directe, maar een indirecte. Vaktaal functioneert hier niet als een knop die je omzet, maar als een spoor dat zichtbaar wordt wanneer onderwijs goed in elkaar zit. Waar begrippen scherp worden afgebakend. Waar representaties expliciet met elkaar verbonden worden. En ook waar voorbeelden niet alleen worden voorgedaan, maar ook benoemd. In dat soort uitleg duiken woorden als factor, verhouding of evenwijdig vanzelf op. Niet omdat ze moeten, maar omdat het denken erom vraagt.
Dat verklaart ook de ogenschijnlijke paradox. Vaktaal correleert met leren, maar veroorzaakt het niet rechtstreeks. Ze is onderdeel van een bredere constellatie van instructiekenmerken die samenhangen met kwaliteit. Wie probeert alleen het zichtbare element te kopiëren, mist waar het eigenlijk om draait.
En als je dat beseft, ontdek je de praktische waarde van dit onderzoek. Niet in de vorm van een tip, maar als een lens. Het helpt anders te kijken naar uitleg. Niet: gebruik ik voldoende vaktermen? Wel: wanneer heb ik woorden nodig om het denken te dragen? Waar blijft mijn uitleg impliciet? Waar laat ik leerlingen handelen zonder dat het onderliggende concept echt benoemd wordt?
In die zin is dit een studie waar je ogenschijnlijk niets mee kan. Je kan er geen checklist uit destilleren. Geen professionaliseringstraject rond bouwen. Geen eenvoudige boodschap over vaktaal in de klas van maken op een studiedag. En toch is ze waardevol. Omdat ze laat zien waar kwaliteit zich verraadt, zonder te doen alsof die makkelijk te isoleren of te imiteren is.
Onderzoek hoeft niet altijd te zeggen wat we moeten doen. Soms volstaat het dat het scherper maakt wat we zien. En soms is dat precies genoeg.
Interessant! Ik heb me altijd afgevraagd of de zelfdeterminatietheorie van Decy en Ryan ook niet zoiets is. Of in elk geval vaak op die manier toegepast wordt…
Begrijp je vraag niet goed?