Dat onderzoek naar (neuro)mythes in het onderwijs levert meestal somber nieuws op. Leraren geloven massaal in leerstijlen, linker- en rechterhersenhelften, brain gym en andere hardnekkige misverstanden. En elke nieuwe studie lijkt dat beeld vooral te bevestigen: we weten beter, maar doen het niet beter.
Maar recent verscheen er een artikel dat voorzichtig tegen de stroom ingaat of misschien een beeld van een kentering geeft. Niet naïef optimistisch, wel genuanceerd hoopgevend. Deze nieuwe studie van Erika Wauthia en collega’s in Teaching and Teacher Education, waarin ze in de Franstalige gemeenschap het denken van startende en ervaren leraren vergelijken over neuromythes en evidence-based onderwijspraktijken (ik schrijf evidence-based in lijn met het artikel).
Wat ze anders doen dan veel eerdere studies, is belangrijk. Ze vroegen leraren niet simpelweg of ze in een stelling geloofden (“Leerlingen leren beter als je hun leerstijl volgt”), maar legden hen concrete klas-scenario’s voor. Bijvoorbeeld: een leraar merkt dat leerlingen moeite hebben met samenvatten. Wat is effectiever: de les aanpassen aan leerstijlen, of werken met modeling en begeleide inoefening? Dat maakt de vraag minder theoretisch en dichter bij echte pedagogische keuzes.
En daar verschijnt het positieve nieuws.
Zowel studenten in de lerarenopleiding als ervaren leraren blijken gemiddeld vaker te kiezen voor evidence-based strategieën dan voor neuromythes. Niet altijd, niet perfect, maar wel systematisch. Modeling en guided practice, gespreid oefenen, differentiatie en metacognitie worden in veel gevallen hoger ingeschat dan leerstijlen, brain gym of hemisferische dominantie.
Dat alleen al is hoopgevend. De grote vrees is vaak dat neuromythes in de weg kunnen lopen van effectievere vormen van onderwijs. Dit onderzoek laat zien: nee, veel (toekomstige) leraren herkennen wél degelijk wat goede instructie is.
Nog opvallender is het verschil tussen beginnende en ervaren leraren. In-service teachers – leraren met gemiddeld bijna 18 jaar ervaring – geloven minder in de klassieke neuromythes dan studenten in hun eerste jaar opleiding. Er was ooit onderzoek dat dit anders toonde. Vooral bij leerstijlen, meervoudige intelligenties en brain gym is dat verschil duidelijk. Tegelijk geloven ervaren leraren sterker in de effectiviteit van bewezen strategieën zoals modeling, metacognitie en differentiatie.
Met andere woorden: ervaring lijkt niet noodzakelijk cynischer te maken, maar wel kritischer. Meer jaren in de klas hangen in dit onderzoek samen met minder geloof in pseudowetenschappelijke verklaringen en meer vertrouwen in robuuste didactiek.
Dat is belangrijk, omdat eerdere studies vaak concludeerden dat ervaring weinig verschil maakt. Soms leek het zelfs alsof “meer kennis over het brein” mensen vatbaarder maakte voor mythes. Dit onderzoek nuanceert dat beeld: niet kennis op zich, maar pedagogische expertise lijkt het verschil te maken.
Er zit ook een interessant spanningsveld in de resultaten. Sommige neuromythes worden even hoog gewaardeerd als echte effectieve strategieën. Meervoudige intelligenties scoort bijvoorbeeld ongeveer even hoog als differentiatie. En brain training wordt nauwelijks onderscheiden van gespreid oefenen. Dat toont hoe verwarrend het landschap blijft: termen klinken wetenschappelijk, overlappen semantisch, en verhullen fundamenteel andere ideeën over leren.
Het probleem is dus niet alleen dat leraren verkeerde dingen geloven, maar dat de grens tussen pseudowetenschap en echte wetenschap soms bewust vaag wordt gehouden. “Breintraining” klinkt nu eenmaal aantrekkelijker dan “herhaling met tussenpozen”.
Wat dit onderzoek vooral ondergraaft, is het idee dat neuromythes enkel een probleem zijn van onwetendheid. Ze zijn er al vóór de lerarenopleiding begint. Studenten brengen ze mee vanuit media, populaire psychologie, eigen schoolervaringen en intuïtieve ideeën over leren. Dat maakt het een structureel opleidingsprobleem, geen individueel falen.
Tegelijk laat deze studie iets bemoedigends zien: leraren leren bij. Hogere opleiding en meer ervaring hangen samen met minder mythedenken en meer vertrouwen in evidence-based praktijken. Dat suggereert dat professionalisering wél werkt, al gaat het langzaam en onvolmaakt.
De implicatie is niet: “we zijn er bijna”. Sommige mythes blijven opvallend hardnekkig. Maar wel: het beeld van de leraar als willoos slachtoffer van brain-based marketing klopt niet helemaal. Er groeit iets. Kritisch vermogen. Pedagogisch inzicht. Een voorkeur voor wat werkt boven wat mooi klinkt.