Iedereen die lesgeeft in het secundair of voortgezet onderwijs zal dit wellicht herkennen: ergens onderweg lijkt er iets te knakken. Leerlingen worden minder enthousiast, minder betrokken, minder nieuwsgierig. School voelt meer als moeten dan als willen. En dan kan je als leerkracht of als team beginnen denken: Doe ik iets verkeerd? Is mijn les niet boeiend genoeg? Ben ik te streng, te saai, te weinig motiverend?
Een grote nieuwe meta-analyse in Review of Education werpt een ander licht op die ervaring. Symonds en collega’s analyseerden 125 longitudinale studies uit verschillende landen, met samen meer dan vijfhonderd metingen van leerlingbetrokkenheid bij jongeren tussen 10 en 18 jaar. De conclusies zijn opvallend eensgezind: gemiddeld genomen daalt de betrokkenheid van leerlingen tijdens de adolescentie. Niet spectaculair, niet dramatisch, maar wel systematisch.
Die daling geldt voor verschillende vormen van engagement: gedragsmatig (meedoen, opletten), emotioneel (je goed voelen op school) en cognitief (je inspannen, strategieën gebruiken). Het is geen kwestie van één aspect dat wegvalt. Het gaat om een bredere verschuiving in hoe jongeren zich tot school verhouden.
Wat voor scholen misschien nog het meest herkenbaar is: de daling is het sterkst in de vroege adolescentie, en vooral rond schoolovergangen. De stap van lager naar secundair onderwijs blijkt een gevoelig moment. Leerlingen krijgen meer vakken, meer leraren, meer evaluatie, minder nabijheid. Tegelijk verandert er van alles in henzelf: een grotere behoefte aan autonomie, meer gevoeligheid voor status, onzekerheid over identiteit. Volgens de zogenaamde stage–environment fit theory ontstaat er dan een mismatch tussen wat jongeren nodig hebben en wat school hen biedt.
Belangrijk is ook waar deze studies gebeurden. Het merendeel komt uit Europa (waaronder België trouwens) en Noord-Amerika, met aanvullend werk uit Azië en Australië. De daling blijkt dus geen typisch Vlaams of Nederlands probleem, maar een internationaal patroon. Dat alleen al is een vorm van geruststelling: dit is geen lokaal pedagogisch falen, maar een structureel ontwikkelingsfenomeen.
De grootte van het effect is bovendien behoorlijk klein. Het gaat niet om een massale afhaakbeweging. Gemiddeld blijft engagement redelijk stabiel, maar met een lichte neerwaartse trend. Dat nuanceert het doemdenken. Veel jongeren blijven behoorlijk betrokken. En binnen elke groep zijn er grote verschillen: sommige leerlingen bloeien net open, anderen haken sterker af.
En precies daar zit misschien de geruststellende boodschap voor leraren. Dit onderzoek zegt niet: “het maakt niet uit wat je doet”. Het zegt wel: je werkt tegen een lichte tegenwind in. Verwachten dat motivatie vanzelf groeit met de leeftijd is waarschijnlijk onrealistisch. Dat maakt het werk van leraren niet minder belangrijk, maar wel begrijpelijker. Het verklaart waarom inspanningen soms vooral stabiliseren in plaats van spectaculair verbeteren.
Interessant is ook wat het onderzoek níét vond. Er waren geen verschillen tussen jongens en meisjes. En er was geen trend doorheen de jaren: studies uit 2006 en uit 2022 tonen hetzelfde patroon. De daling is dus geen gevolg van smartphones, TikTok of corona alleen. Ze zat er al langer in. Geef toe, dat had je misschien niet verwacht.
Misschien moeten we dit soort resultaten dus niet lezen als slecht nieuws, maar als een beeld van wat normaal is. Dat adolescenten kritischer worden, afstand nemen, minder vanzelfsprekend meegaan in schoolse logica, hoort bij ontwikkeling. De vraag is dan niet hoe we dat volledig voorkomen, maar hoe we vermijden dat het escaleert. Hoe zorgen we dat een lichte daling geen diepe breuk wordt?