
Naar aanleiding van mijn vorige blogpost over executieve functies en de mogelijke effecten van de coronaperiode kreeg ik een interessante vraag van een lezer. In hun teamkamer vroegen ze zich af of ook iets anders een rol kan spelen. Niet alleen de schermtijd van kinderen zelf, maar ook het technologiegebruik van ouders. Als ouders vaker met hun smartphone bezig zijn, verandert dat misschien ook de manier waarop kinderen zich gedragen of hoe goed ze hun aandacht kunnen richten.
Die vraag sluit goed aan bij een vrij recente reviewstudie en meta-analyse in JAMA Pediatrics van Marcelo Toledo-Vargas en collega’s.
De onderzoekers bekeken een fenomeen dat in de literatuur vaak “technoference” wordt genoemd. Dat is technologie die een interactie verstoort. Bijvoorbeeld wanneer een ouder tijdens het spelen, eten of praten met een kind voortdurend op een smartphone kijkt of wanneer meldingen gesprekken onderbreken.
Voor de meta-analyse bracht men 21 studies met samen bijna 15.000 deelnemers samen. De meeste studies gingen over jonge kinderen (tot ongeveer vijf jaar).
De resultaten zijn interessant, maar vragen ook nuance.
Kinderen van wie de ouders vaker technologie gebruiken in hun aanwezigheid scoren gemiddeld iets lager op cognitieve taken. Het effect is klein, maar statistisch wel significant. Ook voor gedrag zien onderzoekers kleine maar consistente verbanden. Meer technologiegebruik door ouders hangt samen met iets meer internaliserende problemen (zoals angst of verdriet) en meer externaliserend gedrag (zoals boosheid of drift). Daarnaast vonden de onderzoekers ook kleine verbanden met minder prosociaal gedrag en iets minder veilige hechting.
Je leest het goed: het zijn verbanden. Het is erg moeilijk om hier duidelijke causale relaties aan te tonen. Het kan bijvoorbeeld ook dat ouders vaker naar hun telefoon grijpen wanneer een kind moeilijk gedrag vertoont. De richting van het effect kan dus deels ook omgekeerd zijn. En het klinkt ook om andere redenen dramatischer dan het eigenlijk is. Alle effecten zijn klein. De onderzoekers benadrukken dat zelf ook expliciet.
Het patroon is wel consistent. Wanneer interacties tussen ouder en kind vaker worden onderbroken door technologie, lijken sommige ontwikkelingsuitkomsten gemiddeld iets minder gunstig. De verklaring die onderzoekers meestal geven heeft weinig te maken met technologie zelf en veel met interactie.
Voor jonge kinderen zijn korte, wederkerige interacties met volwassenen cruciaal. Dat zijn momenten waarin een kind iets toont, reageert op een blik, een vraag stelt of samen iets ontdekt. Ontwikkelingspsychologen spreken vaak over serve-and-return interactions. Wanneer die interacties vaker onderbroken worden omdat een ouder op een scherm kijkt, ontstaan er simpelweg minder van dat soort leermomenten.
Het gaat dus niet zozeer om het apparaat, maar om gemiste interacties.
Interessant is ook dat de onderzoekers geen verschil vonden tussen twee vormen van technologiegebruik: afleiding (bijvoorbeeld scrollen op een smartphone) en onderbrekingen (meldingen of telefoontjes). Beide blijken ongeveer dezelfde kleine verbanden te hebben met de onderzochte uitkomsten.
Wat we dus voorzichtig kunnen zeggen, is dat wanneer technologie interacties tussen ouder en kind vaker onderbreekt, onderzoekers gemiddeld kleine verbanden zien met cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling.
Of dat iets te maken heeft met de observaties van leerkrachten sinds corona? Ook dat weten we niet.
De ontwikkeling van aandacht, zelfregulatie en executieve functies gebeurt dus zeker niet alleen op school. Ze groeit vooral in duizenden kleine interacties thuis.
En soms zit daar letterlijk een scherm tussen.
Afbeelding: https://familytimecenters.com/blog/postpartum-depression-guide