Maakt individualisme kinderen angstiger? Wat een nieuwe wereldwijde studie wél en niet toont

Er is iets onweerstaanbaars aan grote internationale studies. Zeventig landen. Drie decennia. Duizenden datapunten. Het soort onderzoek dat meteen het gevoel geeft dat we dichter bij een antwoord komen op een grote vraag. In dit geval: wat doet culturele verandering met de mentale gezondheid van kinderen en jongeren? Zorgt de individualisering van de samenleving voor meer angst? Of wat met bijvoorbeeld het verminderen – op veel plekken, niet overal – van een gedeeld geloof?

Een recente studie in Developmental Science van Leonard Konstantin Kulisch en collega’s probeert precies dat te doen. De onderzoekers kijken naar hoe bepaalde opvoedingswaarden veranderen doorheen de tijd en of die veranderingen samenhangen met angststoornissen bij kinderen en adolescenten. De intuïtie is herkenbaar. We zijn in veel samenlevingen steeds meer nadruk gaan leggen op zelfstandigheid, autonomie, jezelf ontplooien. Minder op gehoorzaamheid, religie of collectiviteit. En ergens leeft het gevoel dat die verschuiving misschien een prijs heeft.

Het mooie aan deze studie is dat ze verder probeert te gaan dan losse momentopnames. Ze combineren data uit de World Values Survey, gezondheidsdata en ontwikkelingsindicatoren en volgen 70 landen over een periode van meer dan dertig jaar. Dat alleen al maakt het interessanter dan veel eerdere studies die enkel correlaties op één moment bekijken.

Maar precies daar begint ook de nuance. Wat de studie namelijk niet vindt, is misschien even belangrijk als wat ze wel vindt. Globaal gezien is er geen duidelijk verband tussen meer nadruk op onafhankelijkheid in opvoeding en meer angststoornissen bij jongeren. Het eenvoudige verhaal van “meer individualisme leidt tot meer angst” houdt dus niet stand als je wereldwijd kijkt.

Het wordt pas interessant wanneer je inzoomt. In zogenaamde WEIRD-landen – Westers, hoogopgeleid, rijk en democratisch – lijkt er wel degelijk een zwakke positieve samenhang te zijn: meer nadruk op onafhankelijkheid gaat samen met iets meer angst. In niet-WEIRD landen zie je dat patroon niet, en soms zelfs het omgekeerde.

Dat is op zich al een belangrijk signaal. Het suggereert dat culturele waarden niet op zichzelf werken, maar in interactie met context. Wat in de ene samenleving belastend is, kan in een andere net ondersteunend zijn.

Nog opvallender is dit: landen waarin “religieuze waarden” belangrijk blijven in de opvoeding kennen gemiddeld iets minder angststoornissen bij jongeren. Ook in een Amerikaanse cohortstudie op individueel niveau duikt dat patroon op: niet zozeer de religiositeit van ouders, maar de bredere trend in de omgeving lijkt samen te hangen met minder angst.

En dat is het punt dat in het persbericht voor aandacht zorgde. Veel lezers zullen net hier waarschijnlijk afhaken of net enthousiast worden. Zie je wel, denken sommigen, we zijn iets verloren. Of net: dit kan toch niet kloppen?

Daarom is het nodig om verder te lezen.  Ten eerste zijn de effecten klein. Statistisch significant, maar klein. Dat betekent dat ze gevoelig zijn voor interpretatie, context en ruis. Ten tweede werken de onderzoekers met indirecte maten. “Cultuur” wordt afgeleid uit één vraag in een survey over welke eigenschappen kinderen moeten leren. “Angststoornissen” komen uit grote internationale schattingen die gebaseerd zijn op uiteenlopende databronnen. Dat is niet fout, maar het is ook geen directe meting.

Belangrijker nog: dit soort analyses gebeurt op landniveau. Dat betekent dat we verbanden zien tussen landen die veranderen, niet tussen individuele kinderen. Het klassieke probleem van de ecological fallacy ligt hier op de loer. Wat op groepsniveau samenhangt, hoeft op individueel niveau helemaal niet zo te werken.

En dan zijn er nog de alternatieve verklaringen. Neem die religie. Het kan perfect zijn dat religieuze contexten meer sociale cohesie bieden, meer duidelijkheid, meer structuur. Maar het kan ook zijn dat in die contexten minder snel diagnoses gesteld worden, of dat angst zich anders uit. De studie zelf suggereert dat stigma en rapportageverschillen een rol kunnen spelen.

Hetzelfde geldt voor de stijging van angststoornissen. Is dat een echte toename, of zien we beter, meten we anders, labelen we sneller? Dat is een vraag die je niet kan oplossen met het type data dat in deze studie werd  gebruikt.

Laat me duidelijk zijn. Dit betekent niet dat deze studie waardeloos is. Integendeel. Ze is vooral interessant omdat ze een te eenvoudig verhaal onderuit haalt en vervangt door iets complexers. Culturele verandering lijkt niet één richting uit te werken. Ze hangt samen met context, met economische ontwikkeling, met sociale structuren.

Op basis van dit werk kunnen we niet stellen dat individualisme slecht is of religie goed. Maar we leren wel dat kinderen opgroeien in een web van verwachtingen, normen en structuren. En dat veranderingen daarin effecten kunnen hebben, maar zelden op een eenduidige manier.

Geef een reactie