Is de mentale gezondheidscrisis bij jongeren een eliteprobleem?

Ik bracht het zelf al eerder op mijn blog: als we het hebben over de toename van mentale problemen bij jongeren, zouden deze vooral toenemen bij kinderen uit meer bevoorrechte milieus. Tegelijk blijft al decennialang overeind dat jongeren uit gezinnen met een lagere sociaaleconomische status gemiddeld kwetsbaarder zijn. Dat lijkt tegenstrijdig, maar dat is het eigenlijk niet. Het hangt vooral af van wat je precies bekijkt.

Als je een momentopname maakt, verandert er weinig aan het klassieke beeld. Jongeren uit gezinnen met minder middelen rapporteren gemiddeld meer mentale problemen. Dat is robuust en goed onderbouwd. Maar wie naar evoluties kijkt in plaats van naar niveaus, ziet iets anders gebeuren. In sommige studies stegen mentale problemen sneller bij jongeren uit hogere sociaaleconomische groepen. Niet omdat ze plots slechter af zijn dan andere groepen, maar omdat hun cijfers sneller omhooggaan. Hierdoor werden zeker tijdens de pandemie de sociale ongelijkheid in mentale problemen kleiner, maar die ongelijkheid zou mogelijk wel na de pandemie weer toenemen.

Dat verschil tussen niveau en evolutie maakt veel uit. Het eerste vertelt je wie het vandaag het moeilijkst heeft. Het tweede vertelt je waar het probleem groeit. Wie die twee door elkaar haalt, komt al snel tot ongenuanceerde uitspraken. Ofwel dat mentale problemen een “armoedeprobleem” zijn, ofwel dat het plots een “eliteprobleem” zou zijn geworden. Geen van beide klopt.

En dan is er nog een derde nieuwe laag die het verhaal complexer maakt. Een populaire verklaring voor de toename van mentale problemen bij jongeren is inkomensongelijkheid. Hoe groter de kloof tussen arm en rijk, hoe meer stress, vergelijking en druk, en dus hoe slechter het gaat met jongeren. Het klinkt intuïtief sterk en heeft veel invloed gehad, ook buiten de wetenschap.

Alleen: wanneer je dat idee streng test, wordt het blijkbaar minder overtuigend. Een recente grootschalige, preregistreerde studie van Nilsen en collega’s met meer dan een half miljoen Noorse jongeren keek niet naar verschillen tussen regio’s, maar naar veranderingen binnen gemeenten over tijd. De redenering is simpel: als ongelijkheid echt een oorzaak is, dan zouden stijgingen in ongelijkheid ook samen moeten gaan met stijgingen in mentale problemen.

Dat bleek nauwelijks het geval. Men vond geen betekenisvol verband tussen veranderingen in inkomensongelijkheid en depressieve symptomen bij jongeren. Kleine verschillen waren soms statistisch zichtbaar, maar praktisch verwaarloosbaar. Dat betekent niet dat regio’s met meer ongelijkheid gemiddeld geen hogere problemen hebben, maar wel dat veranderingen in ongelijkheid die evolutie niet goed verklaren. Ook opvallend: verschillen tussen jongens en meisjes, waar nog een klein effect opdook, zoals meestal ten nadele van meisjes, bleven beperkt.

Opgelet, dat betekent niet dat context er niet toe doet. Noorwegen is bijvoorbeeld niet de Verenigde Staten. Maar het zet wel vraagtekens bij het idee dat ongelijkheid per definitie dé motor zou zijn achter de recente toename van mentale problemen. Het verhaal is, opnieuw, minder rechtlijnig.

Als je die twee inzichten samenlegt, krijg je een interessanter beeld. Ja, sociale verschillen blijven belangrijk. Jongeren uit kwetsbare situaties hebben gemiddeld meer problemen. Maar de recente stijgingen laten zich niet reduceren tot die klassieke kloof. En ook brede verklaringen op macroniveau, zoals inkomensongelijkheid, blijken minder voorspellend dan vaak wordt aangenomen.

Dit is voor alle duidelijkheid geen mythe-blogpost. Het betekent niet dat eerdere inzichten fout zijn, maar dat ze onvolledig worden zodra je naar verandering kijkt in plaats van naar een momentopname. Wie wil begrijpen wat er vandaag met jongeren gebeurt, zal dus moeten accepteren dat het verhaal tegelijk sociaal én breder is. Dat er geen enkele factor is die alles verklaart. En dat nuance hier geen zwakte is, maar een noodzakelijke voorwaarde om niet naast de kwestie te praten.

Geef een reactie