Als je kijkt naar onderzoek over motivatie in het onderwijs, valt één ding direct op: dezelfde motivatietheorieën worden steeds opnieuw aangehaald en bevestigd. Namen als de zelfdeterminatietheorie, expectancy-value theorie,… blijven al tientallen jaren populair. In ons psychologieboek bespreken we een artikel van Cook en Artino die de grootste gemene deler tussen deze theorieën aantoont. Ondanks alle nieuwe inzichten en technieken in psychologie, blijken deze gevestigde theorieën opvallend stabiel.
Hoe kan dat? Wetenschappers Kou Murayama en Luise von Keyserlingk leggen uit dat deze stabiliteit vooral komt doordat bestaande motivatietheorieën vaak vrij breed en algemeen zijn opgesteld. Ze identificeren belangrijke concepten zoals doelen, waarden en behoeften, maar gaan vaak niet diep genoeg in op hoe deze concepten precies werken. Daardoor is het lastig om de theorieën echt streng te testen. De meeste onderzoeken bevestigen gewoon wat we al vermoeden: goede motivatie leidt tot goede resultaten, en negatieve motivatiefactoren doen het omgekeerde.
Daarnaast blijkt dat veel onderzoek naar motivatie zich vooral richt op verbanden tussen motivatiefactoren en uitkomsten, zoals prestaties op school. Daardoor lijken de resultaten al snel voorspelbaar en bieden ze weinig ruimte voor verrassende inzichten – al ben ik het hier zelf minder mee eens, er duiken wel degelijk soms interessante nuances op. Er wordt relatief weinig gedaan om écht diep in de mechanismen te duiken die verklaren hoe motivatie precies werkt en verandert.
Wat de auteurs voorstellen, is dat onderzoekers kritischer en creatiever omgaan met deze theorieën. In plaats van dezelfde ideeën telkens opnieuw te testen, zouden ze meer moeten inzetten op het ontwikkelen van preciezere theorieën die duidelijker maken hoe motivatie precies ontstaat en verandert. Dat kan volgens hen bijvoorbeeld met wiskundige modellen, die helpen om precies vast te leggen hoe bepaalde motivatiefactoren elkaar beïnvloeden.
Ook adviseren ze om vaker kritisch te kijken naar wat bestaande theorieën niet goed kunnen verklaren. Juist die kritische benadering kan ervoor zorgen dat het veld zich blijft vernieuwen. Jonge onderzoekers moeten daarnaast meer worden aangemoedigd om eigen ideeën te ontwikkelen en niet bang te zijn om gevestigde theorieën uit te dagen.
Kortom: hoewel het fijn is dat we stevige theorieën hebben die hun waarde steeds weer bewijzen, zou het motiverend zijn om ze eens wat grondiger op de proef te stellen. Want juist door kritisch en creatief naar bestaande theorieën te kijken, kunnen we nieuwe, waardevolle inzichten krijgen over hoe we leerlingen écht kunnen stimuleren.
Abstract van het artikel:
Although empirical research on motivation has been growing, one remarkable observation is that the same major theories continue to dominate the field, and the constellation of motivation theories has changed very little in recent decades. We argue that this status quo can be explained by the ways in which the major motivation theories are formulated and tested. Specifically, while existing theories of motivation have identified important motivation constructs (e.g., goals, values, needs), the theories are somewhat underspecified and lack a detailed account of the dynamic causal mechanisms that underpin motivated behavior. Thus, strong tests of these theories are difficult, and empirical tests of the theories tend to consist of simple and rather obvious tests of statistical relationships between the constructs and their antecedents and outcomes. It is imperative that motivation theories be formulated with greater specificity for the field to advance. More formal training in theory and theory development is thereby needed, and we encourage (especially early-career) researchers to engage in more lively discussions about the theories themselves, rather than simply continuing to test them.
Pingback: Dit was het onderwijsnieuws… Rinke en ik kijken terug op maart 2025 met oa AI-schaamte, het IMF, motivatie en jonge mantelzorgers | X, Y of Einstein?