Nadat er een internationaal rapport verschijnt, komen er veel reacties die vaak neerkomen op ‘zie je wel’, want mijn oplossing zou werken. Ook ik ben hier wellicht niet vreemd aan. Daarom wil ik vandaag iets anders proberen namelijk door twee andere bronnen te nemen met de bedoeling mijn eigen blik te verruimen. In De Tijd las ik zo gisteren een interview met Nobelprijswinnaar James Heckman (over wie ik ooit wel al een paper schreef) én een nieuwe blog en nieuwe paper van onderzoekers van UCL over genetische predispositie en sociale ongelijkheid.
Op het eerste gezicht lijken dat compleet verschillende werelden. Heckman (en IELS) praten over kleuters en vroege ontwikkeling, de andere over polygenic scores en genetica. Maar eigenlijk raken ze allebei aan exact dezelfde ongemakkelijke vraag: waarom zien we verschillen tussen kinderen al zo vroeg? En waarom blijken die verschillen zo hardnekkig?
Heckman hamert al jaren op het belang van de eerste levensjaren. Zijn centrale idee is bekend: investeren in jonge kinderen rendeert sterk, zeker voor kwetsbare groepen. Niet alleen cognitieve vaardigheden zoals taal en rekenen ontwikkelen zich vroeg, maar ook zaken zoals zelfregulatie, aandacht, motivatie en doorzettingsvermogen. Dat deel van zijn werk is breed invloedrijk geworden, ook al vergeet zelfs hij soms zijn eigen update over het belang van sustaining.
In het interview gaat hij nog verder. Volgens Heckman blijft het gezin de belangrijkste omgeving voor ontwikkeling. Hij verwijst daarbij naar onderzoek waaruit blijkt dat zelfs sterke welvaartsstaten zoals Denemarken de invloed van sociale achtergrond maar gedeeltelijk kunnen compenseren. Dat klinkt provocatief, maar tegelijk zit daar weinig echt nieuws in. Hij stelt dat we als sinds Coleman weten dat sociale achtergrond sterk samenhangt met schoolsucces.
Alleen wordt zo’n vaststelling soms verkeerd gelezen. Dat gezinnen veel invloed hebben, betekent niet automatisch dat scholen weinig betekenen. Het betekent vooral dat ongelijkheid via veel mechanismen tegelijk werkt: taal, stress, verwachtingen, gezondheid, sociale netwerken, buurt, stabiliteit, interacties… Scholen krijgen kinderen nooit als een leeg blad binnen (of volledig vol blad).
En precies daar is die nieuwe genetica-paper interessant. De onderzoekers bekeken kinderen uit arme en rijke gezinnen met een hoge polygenic index voor educational attainment. Kort gezegd: kinderen die volgens de huidige genetische maten een relatief sterke predispositie lijken te hebben voor schoolsucces. Je zou kunnen denken dat zulke kinderen, ongeacht hun achtergrond, ongeveer gelijkaardige trajecten volgen.
Maar dat gebeurde niet.
Zelfs binnen die groep bleven grote verschillen zichtbaar. Op driejarige leeftijd zagen de onderzoekers al duidelijke taalverschillen tussen kinderen uit armere en rijkere gezinnen. Tegen vijf jaar waren die verschillen verder gegroeid, vooral voor woordenschat en taal. Deels in lijn met Heart en Risley met de 30 million word gap. Later volgden ook grote verschillen in examenresultaten op zestienjarige leeftijd.
Belangrijker nog: de auteurs van die paper zijn opvallend voorzichtig. Ze benadrukken voortdurend dat zulke polygenic scores géén pure maat van “aangeboren talent” zijn. Ze worden mee beïnvloed door sociale processen zoals assortative mating, sociale stratificatie en intergenerationele overdracht van kansen. Met andere woorden: zelfs genetische predisposities blijken verweven met omgeving.
Discussies over onderwijs en ontwikkeling blijven soms hangen in oude tegenstellingen:
- nature versus nurture;
- aanleg versus omgeving;
- ouders versus school.
Maar moderne ontwikkelingswetenschap maakt dat beeld steeds moeilijker houdbaar. De realiteit lijkt veel meer een voortdurende wisselwerking. Kinderen ontwikkelen zich niet los van hun context. Maar context werkt ook niet op een uniforme manier in op identieke kinderen. Verschillen ontstaan in interactie tussen aanleg, ervaringen, kansen, verwachtingen en omgeving.
Dat maakt ook het IELS-verhaal interessanter. Want misschien is het opvallendste aan Vlaanderen niet dat onze gemiddelden uitzonderlijk zijn, maar dat verschillen tussen kinderen al vroeg zichtbaar worden. En misschien is dat ook niet zo vreemd in een systeem waar bijna alle kinderen deelnemen aan kleuteronderwijs. Een inclusief systeem maakt verschillen zichtbaar die elders deels buiten beeld blijven. Maar zichtbaar maken is natuurlijk niet hetzelfde als veroorzaken. Dat is meteen ook waarom ik altijd wat voorzichtig blijf bij grote uitspraken zoals: “de school maakt weinig verschil” of “alles wordt thuis bepaald”, ook al komen ze van een Nobelprijswinnaar.
Tegelijk is het belangrijk te beseffen dat onderwijs maatschappelijke ongelijkheid nooit volledig zal kunnen oplossen. Daarvoor zijn de mechanismen te breed en te diep verweven. Maar tegelijk betekent dat niet dat scholen machteloos zijn. Wel dat we misschien realistischer moeten zijn over wat onderwijs alleen kan dragen.
Het mag duidelijk zijn: kinderen liggen niet vast op vijfjarige leeftijd. Integendeel. Maar ontwikkeling is vanaf het begin een complex samenspel van aanleg, interactie, omgeving en kansen. Precies daarom blijven die vroege jaren zo belangrijk.