De sociale staat van Vlaanderen, wat vinden we zoal over jongeren

Er werd een nieuw rapport vrijgegeven over de sociale staat van Vlaanderen, een beschrijving van hoe de samenleving in Vlaanderen er uitziet in vergelijking met de rest van Europa. Het rapport is meer dan 300 pagina’s en kan je hier downloaden.

Ik keek natuurlijk naar belangrijke info over jongeren. Enkele opvallende quotes:

  • over ontgroening en vergrijzing: “het Vlaamse Gewest komt naar voren als de meest vergrijsde regio (17,9%) van Europa”.
  • Uit het grote hoofdstuk rond onderwijs:
    • “Kinderen en jongeren met hoogopgeleide ouders, die thuis over een computer en een studeertafel beschikken en die thuis de landstaal spreken waarin ook de TIMSS-testen zijn afgenomen, scoren beter. Over het algemeen mogen we zeggen dat deze trend in alle landen/regio’s zichtbaar is.”
    • “In het vierde leerjaar lager onderwijs staat Vlaanderen voor wiskunde op de eerste plaats voor ‘negatieve attitude’ en op de laatste plaats voor ‘zeer positieve attitude’. Voor wetenschappen vinden we gelijkaardige resultaten. In het tweede leerjaar secundair onderwijs is de attitude al positiever dan in het lager onderwijs, maar ze blijft toch onder het internationale gemiddelde. Een mogelijke verklaring is opnieuw het schoolklimaat alsook het watervalsysteem dat kenmerkend is voor Vlaanderen. Anderzijds scoren we gemiddeld genomen wel goed, maar moeten we dit toch blijvend relativeren omwille van de sociaal vertekende scores die kunnen ontstaan omwille van de verschillen in leeftijd of leerjaar, als gevolg van het steekproefkader.”
    • “De (PISA)-resultaten tonen aan dat de Vlaamse leerlingen tot de West-Europese (en zelfs wereldtop) behoren.”
    • “De verschillen tussen de sterke en zwakke leerlingen in Vlaanderen blijven volgens PISA boven het gemiddelde van de OESO (behalve voor leesvaardigheid). Verschillen tussen Vlaamse jongens en meisjes zijn niet significant als het om wetenschappelijke geletterdheid gaat, maar wel voor de twee andere gebieden: jongens scoren iets beter op wiskundige geletterdheid (12 punten) en meisjes beduidend beter op leesvaardigheid (28 punten).”
    • “Zoals in vorige golven van PISA (OECD, 2011) stelt men een vrij sterke relatie vast tussen de prestaties op testen en de sociale afkomst van de leerlingen, gemeten aan de hand van het beroep en het onderwijsniveau van de ouders, de educatieve en culturele hulpbronnen en het aantal boeken waarover de leerlingen thuis beschikken. Terwijl die sociale ongelijkheid in Vlaanderen niet afgenomen is sinds 2000, lijkt ze wel te zijn toegenomen in een aantal andere West-Europese landen/regio’s waaronder Frankrijk, Duitsland en Luxemburg.”
    • In het lager onderwijs komen beduidend meer leerlingen van allochtone afkomst, arbeiderskinderen en kinderen uit éénoudergezinnen terecht in het Buitengewoon Lager Onderwijs.
  • Over Armoede
    • “In België en Vlaanderen is er niet veel verschil in het armoederisico tussen kinderen en jongeren. Voor beide leeftijdsgroepen is het risico wel hoger dan dat van volwassenen in het algemeen, maar vergeleken met de kopgroeplanden scoort Vlaanderen hier goed.”
  • Over gezondheid
    • “In 2008 waren in het Vlaamse Gewest 37 kinderen tussen 1 en 15 jaar het slachtoffer van een dodelijk ongeval. Dit is een daling ten opzichte van 2007 waarin 42 kinderen stierven, maar een stijging ten opzichte van 2006 waarin 26 kinderen stierven (Kind en Gezin, z.j.). Twee derde van deze kinderen stierven na een verkeersongeval (cijfers 2008), zij waren in de meeste geval- len voetganger. Naast verkeersongevallen blijken verdrinking of onderdompeling en onopzette- lijke vergiftiging ook nog twee belangrijke doodsoorzaken (Kind en Gezin, z.j.). Wanneer de Europese vergelijking gemaakt wordt, kan opgemerkt worden dat het Vlaamse Gewest met gemiddeld 6,7 sterfgevallen per 100.000 kinderen (0-15 jaar; cijfers 2007) hoog scoort. Enkel in Griekenland stierven er in 2007 meer kinderen door een ongeval, namelijk 7,9 per 100.000. Verder telde Nederland in 2007 3,9 sterfgevallen per 100.000 kinderen, Italië 4,4 en het Verenigd Koninkrijk 4,2 (Kind en Gezin, z.j.).”
  • Sociale, maatschappelijke en politieke participatie
    • “Jongeren hebben minder contact met hun buren (45% van de 18- tot 24-jarigen praat minstens wekelijks met buren, bij de 55- tot 74-jarigen is dit meer dan 80%), maar zij compenseren dit door meer contact met hun vriendenkring (75% van de 18- tot 24-jarigen ontmoet minstens wekelijks vrienden, bij de 55- tot 74-jarigen is dit ongeveer 60%)”
    • “Jongeren (18 tot 34 jaar) blijken in alle landen meer sociale contacten te hebben dan personen uit de middengroep (35 tot 64 jaar).”
    • “Jongeren die zich in alle landen onderscheiden door een hogere contactfrequentie, wonen minder vaak samen met een partner. Mensen die zeggen moeilijk rond te komen met hun inkomen, hebben ten slotte een grotere kans op minder dan wekelijks contact met vrienden, familie of collega’s.”
    • “Jongeren (18 tot 34 jaar) hebben in alle landen net als in Vlaanderen meer kans om een vertrouwenspersoon te hebben dan de middengroep (35 tot 64 jaar) die op hun beurt in bijna alle landen vaker een vertrouwenspersoon hebben dan de ouderen (65 jaar en ouder)”
    • “‘Sterkere’ groepen (zoals jongeren, hoogopgeleiden en personen met hogere inkomens) participeren beduidend meer aan de digitale media.”
    • “Religieuze en welzijnsorganisaties trekken meer ouderen aan, terwijl jongeren proportioneel meer lid zijn van cultuur-, jeugd- en sportverenigingen.”
    • Zelf samengevat: in heel Europa, maar ook in Vlaanderen, zijn merkelijk minder jongeren politiek actief in partijen, maar bij niet-institutionele zijn net de jongeren merkelijk meer actief dan alle andere leeftijdsgroepen: “Deze vormen van participatie sluiten beter aan bij de wijze waarop jongeren zich tegenwoordig willen engageren: niet via een langlopend en exclusief engagement in één vereniging maar via kortlopende engagementen waarbij ze de vorm en de inhoud zelf kunnen bepalen.”
  • Over mobiliteit
    • “Bij de overgang van de basisschool naar het middelbaar onderwijs vergroot vaak de afstand tot de school en treedt het openbaar vervoer als een geschikt vervoermiddel naar voren. Daarenboven kunnen deze jongeren hierdoor hun verplaatsingen op een meer autonome en onafhankelijke manier uitvoeren waardoor het openbaar vervoer bijdraagt tot een groter wel- bevinden. Dit verandert vanaf de leeftijd van 18 jaar en het behalen van een rijbewijs. Vanaf dan beschouwt men het openbaar vervoer als een vervoermiddel dat je weinig vrijheid biedt en waarbij je heel wat tijd verliest. Dit gevoel versterkt nog wanneer men een drukke job moet combineren met een gezin en kinderen. Tijdsdruk haalt men als voornaamste reden aan om het openbaar vervoer niet te gebruiken.”
  • Over werk
    • De arbeidsparticipatie van Vlaamse jongeren ligt relatief laag. In Nederland bijvoorbeeld wor- den studies en werk veel vaker gecombineerd.

Geef een reactie