Hoe die ene leraar het verschil kan maken in je leven

Zelf heb ik het geluk gehad verschillende lesgevers ontmoet te hebben die een positieve impact op mijn leven hebben gehad. Via The Hechinger Report ontdekte ik hoe wetenschappers in een nieuwe NBER-working paper, hebben aangetoond dat wellicht deze ene ‘mentor’ effectief correleert met een positief effect lang na de schoolbanken.

Kraft en twee andere onderzoekers van Harvard University en de University of Virginia gebruikten data van de National Longitudinal Study of Adolescent to Adult Health, een longitudinale studie onder 20.000 tieners van 1994 tot volwassenheid. In 2000, toen de deelnemers 18-24 jaar oud waren, werd onder andere de volgende vraag gesteld: Anders dan je ouders of stiefouders, heeft een volwassene op enig moment een belangrijk positief verschil gemaakt in je leven sinds je 14 jaar oud was?

Driekwart van de studenten zei dat ze zo’n volwassene in hun leven hadden gehad. Vaak was hun belangrijkste mentor een ander familielid, een buurman of een religieuze leider. Maar meer dan 15 procent van de leerlingen – meer dan één op de zeven respondenten – zei dat een leraar, een begeleider of een sportcoach binnen hun school hun belangrijkste mentor was. Deze schoolrelaties waren bijzonder langdurig; leerlingen zeiden dat leraren en coaches gemiddeld meer dan vijf jaar een belangrijke rol in hun leven speelden.

De onderzoekers vergeleken wat er gebeurde met de 3.000 leerlingen die mentoren op school hadden met de ongeveer 5.000 leerlingen die zeiden dat ze helemaal geen mentoren hadden. De leerlingen met een dergelijke steunfiguur op school deden het matig beter op de middelbare school met iets hogere cijfers – bijvoorbeeld een B- tegenover een C+ – en zakten minder vaak voor een vak.

Maar wat echt opviel was wat er na de middelbare school gebeurde. Degenen die een positieve relatie hadden opgebouwd met een leraar, een begeleider of een coach, vergrootten hun kansen om naar de universiteit te gaan met minstens 9 procentpunten. Dat is een aanzienlijke stimulans gezien het feit dat slechts 51 procent van de studenten zonder mentor zich inschreef voor de universiteit. Eenmaal in het hoger onderwijs, maakt het al dan niet hebben van een dergelijke mentor weinig uit, die lijkt vooral belangrijk voor de stap naar verder studeren.

Ik schreef bewust in de eerste paragraaf van deze blog correlatie en niet causaal verband, omdat de data dergelijke uitspraak niet toelaat. Tegelijk vermoeden de onderzoekers dat het net de informele ‘mentoren’ zijn die de grootste impact hebben, meer dan als dit formeel via programma’s gebeurt of ingebouwd werd in het curriculum of schoolaanpak. Dat laatste maakt het natuurlijk een stuk moeilijker te organiseren. Toch zien de onderzoekers terug enkele correlaties in de data. Ze zijn bijvoorbeeld dat dergelijke positieve relaties vaker komen in scholen met kleinere klassen, een positieve cultuur op school waarbij er een groot gevoel van betrokkenheid bestaat. Al is dat laatste misschien een cirkelredenering. Kraft suggereert nog een derde mogelijkheid, en dat is dat een school regelmatige ontmoetingen in kleinere groepjes mogelijk maakt. Niet noodzakelijk in de vorm van kleine klassen, maar bijvoorbeeld tutoring-momenten, schoolclubjes, enz.

Geef een reactie