Hoe iets goeds ongelijkheid kan vergroten: over leesplezier

Even een iets langere aanloop bij deze blog. Ik gebruik soms een wat provocerend voorbeeld wanneer het over gelijke kansen gaat. Moeten we ouders eigenlijk verbieden om ’s avonds voor te lezen? Niet omdat voorlezen slecht is, integendeel. Maar omdat we weten dat het helpt. En dus ook: dat niet elk kind er in dezelfde mate van profiteert. Wie thuis meer boeken heeft, meer tijd, meer taal, meer ondersteuning, bouwt een voorsprong op. Voorlezen is dan geen probleem op zich, maar het kan wel bijdragen aan verschillen.

Het is natuurlijk een absurde conclusie. Je werkt niet aan gelijke kansen door kansen weg te nemen, toch? Maar het helpt wel om een ongemakkelijke realiteit zichtbaar te maken: sommige dingen die goed zijn, zijn niet automatisch gelijkmakend. Dietrichson en collega’s maakten dit eerder al duidelijk in hun meta-analyse uit 2017.

Ik moest aan dit alles denken bij een nieuwe studie van Xie en collega’s die keek naar leesplezier, sociaal-economische status en leesprestaties, op basis van PISA-data in het Verenigd Koninkrijk.

De eerste resultaten zijn weinig verrassend. Leerlingen met een hogere sociaal-economische status scoren beter op lezen. Leerlingen die meer plezier beleven aan lezen, scoren ook beter. Tot daar niets nieuws.

Maar het interessante zit in de combinatie van die twee: leesplezier blijkt de relatie tussen sociaal-economische status en leesprestaties te versterken. Met andere woorden: leerlingen die al een voorsprong hebben, lijken net iets meer te profiteren van hun leesplezier dan leerlingen die die voorsprong niet hebben. Het klassieke Mattheus-effect dus: wie heeft, zal gegeven worden. Laat me duidelijk zijn: de grootte van het effect deed me even twijfelen om hierover te bloggen, maar het onderliggende mechanisme is te interessant om te negeren.

Dit mag geen reden zijn om leesplezier te relativeren. Integendeel. Het bevestigt nog maar eens hoe belangrijk motivatie en interesse kan zijn voor lezen naast woordenschat, kennis, technische leesvaardigheid,… Maar het is wél een reden om voorzichtig te zijn met eenvoudige conclusies. “We moeten gewoon het leesplezier verhogen” klinkt aantrekkelijk, maar verbergt duidelijk een meer complexere realiteit. Want als dat leesplezier niet gelijk verdeeld is, en als de opbrengsten ervan ook ongelijk zijn, dan kan een goedbedoelde focus op motivatie bestaande verschillen versterken.

Interessant is ook wat de studie niet vindt. De jobtevredenheid van leraren blijkt geen rol te spelen in dit verhaal. Ze hangt niet samen met leesprestaties, en ze verandert ook niets aan de relatie tussen sociaal-economische status en prestaties. Dat staat haaks op een vaak impliciet idee dat “gelukkige leraren automatisch beter presterende leerlingen opleveren”. Het kan, maar het is duidelijk geen simpele, rechtlijnige relatie als het over dit onderwerp gaat.

Zoals altijd moeten we voorzichtig zijn. Dit is een cross-sectionele studie, dus we kunnen geen causale conclusies trekken (remember PISA-data). Bovendien gaat het om data uit één land. En de effecten, zeker die interactie tussen leesplezier en sociaal-economische status, zijn klein. Maar klein betekent niet onbelangrijk, zeker niet wanneer effecten zich opstapelen over jaren en over grote groepen leerlingen.

En zo kom ik dus op een oude nagel terug om te blijven op kloppen. In onderwijs is het steeds belangrijk de vraag te stellen: wat werkt, voor wie, en onder welke omstandigheden, en wat zijn mogelijke neveneffecten? En die laatste kunnen moeilijke keuzes opleveren.

Geef een reactie