De relatie tussen academische prestaties en werkprestaties roept al jarenlang discussie op. Veel werkgevers gebruiken academische prestaties om sollicitanten te beoordelen. Maar hoe effectief is dit werkelijk? Een recente meta-analyse biedt nieuw inzicht in deze kwestie.
Het onderzoek dat ik vond via Dan Willingham, uitgevoerd door Van Iddekinge en collega’s, analyseerde gegevens uit meer dan 100 studies en vond een duidelijk maar toch ietwat bescheiden verband tussen academische prestaties en werkprestaties. De gemiddelde gecorrigeerde correlatie was .21, wat suggereert dat academische prestaties enigszins voorspellend zijn voor succes op de werkvloer. De relatie was sterker voor specifieke contexten, zoals trainingprestaties (.34) en functies die nauw aansluiten bij iemands studieachtergrond. Dit toont aan dat de relevantie van academische prestaties sterk afhankelijk is van de context.
Interessant is dat bepaalde factoren deze relatie beïnvloeden. Cijfers behaald in vakken die direct relevant zijn voor een toekomstige baan, zoals praktijkgerichte cursussen, hadden een hogere voorspellende waarde. Ook bleken beoordelingen door docenten betrouwbaarder dan de resultaten van centrale toetsen, omdat ze een breder scala aan vaardigheden omvatten, zoals werkethiek en sociale competenties. Dit benadrukt dat niet alleen wat je leert, maar ook hoe je wordt beoordeeld, belangrijk kan zijn.
Ondanks deze bevindingen blijft het verband tussen academische prestaties en werkprestaties relatief beperkt. Factoren zoals teamvaardigheden, creativiteit en aanpassingsvermogen – essentieel in veel moderne banen – worden zelden vastgelegd in schoolcijfers. Daarnaast zorgen trends zoals grade-inflation, waarbij steeds betere punten gegeven worden voor hetzelfde werk, ervoor dat academische prestaties steeds minder onderscheidend worden.
Voor organisaties biedt deze meta-analyse een belangrijke boodschap: bekijk academische prestaties maar gebruik deze niet als enige maatstaf voor succes, maar combineer ze met andere selectiecriteria, zoals werkervaring en soft skills. Voor studenten benadrukt dit onderzoek het belang van praktijkervaring en het ontwikkelen van een breed scala aan vaardigheden.
Academische prestaties zijn dus niet de heilige graal, maar kunnen wel een nuttig hulpmiddel zijn – tenminste als je ze correct toepast.
Abstract van het onderzoek:
Many organizations assess job applicants’ academic performance (AP) when making selection decisions. However, researchers and practitioners recently have suggested that AP is not as relevant to work behavior as it used to be due to factors such as grade inflation and increased differences between academic and work contexts. The present meta-analysis examines whether, and under what conditions, AP is a useful predictor of work behavior. Mean correlations (corrected for error in the criterion) between AP and outcomes were .21 for job performance (k = 114), .34 for training performance (k = 8), and −.02 for turnover (k = 20). There was considerable heterogeneity in validity estimates for job performance (80% credibility interval [.04, .37]). Moderator analyses revealed that AP is a better predictor of performance (a) for AP measures that are more relevant to students’ future jobs, (b) for professor ratings of AP than for grades and class rank, (c) for samples that include applicants from the same university or from the same major, and (d) for official records of AP than for applicant self-reports. Job relevance was the strongest and most consistent moderator with operational validities in the .30s and .40s for measures that assessed AP in major-specific courses or courses in which students are evaluated on behaviors relevant to their future jobs (e.g., practicum classes). Overall, researchers and organizations should carefully consider whether and how AP is relevant to particular jobs and outcomes, as well as use designs and measures that optimize the predictive value of AP.