De titel van ons tweede mytheboek, Juffen zijn toffer dan meesters, was natuurlijk ironisch bedoeld. We kozen hem als een soort compensatie: omdat we wisten dat vrouwelijke leerkrachten in de praktijk vaak minder waardering krijgen dan hun mannelijke collega’s, zeker wanneer die waardering in cijfers wordt uitgedrukt. Niet omdat ze minder goed lesgeven, maar omdat de bril waarmee studenten of leerlingen beoordelen zelden neutraal is. Precies daarover gaat een nieuwe overzichtsstudie van Edgar Valencia en collega’s (2025): What Have We Learned About the Instructor’s Gender Effect on Student Evaluation of Teaching?
De onderzoekers analyseerden 21 experimentele en quasi-experimentele studies, gepubliceerd sinds 2000, over de vraag of studentbeoordelingen van onderwijs (de bekende SET-scores) beïnvloed worden door het geslacht van de docent. Het antwoord is genuanceerd, maar duidelijk: ja, meestal wel. En meestal in het nadeel van vrouwen.
Dat op zich is niet nieuw. We weten al langer dat vrouwelijke docenten gemiddeld iets lagere scores krijgen dan mannelijke, zelfs bij gelijke prestaties. De meerwaarde van deze review is dat de auteurs niet alleen wilden weten of er bias is, maar vooral waarom.
Wat studenten (onbewust) verwachten
Ze onderscheiden drie hoofdverklaringen.
- De eerste is de rol van genderstereotypen: studenten verwachten dat mannen competent en briljant zijn, en vrouwen warm en zorgzaam. Als die verwachtingen niet overeenkomen met wat ze zien, daalt de beoordeling.
- De tweede verklaring is de expectancy violation theory: docenten die zich anders gedragen dan wat “past” bij hun genderrol, worden afgestraft.
- De derde is de role congruency theory: een man die streng en afstandelijk is, oogt professioneel; een vrouw die hetzelfde doet, wordt gezien als kil of onaangenaam. (Het kriebelt nu om onze oorspronkelijke werktitel hier te vermelden, maar misschien doet Paul dat wel in de commentsectie.)
De auteurs vonden zeven studies met sterke aanwijzingen voor bias, elf met gedeeltelijke steun en drie zonder verschil. Toch wijzen alle resultaten in dezelfde richting: vrouwelijke docenten scoren gemiddeld lager. De verschillen zijn klein, maar systematisch. En precies daarom tellen ze op, zeker in een academisch systeem waarin zulke scores mee bepalen wie doorgroeit of promotie krijgt.
Van de drie verklaringen blijkt vooral de stereotypeverklaring het sterkst onderbouwd en het meest consistent in de bevindingen. De meeste studies tonen dat verwachtingen over competentie en briljantheid systematisch in het voordeel van mannen uitvallen. De andere twee theorieën vullen dat beeld vooral aan: ze verklaren wanneer en waarom de bias sterker optreedt, bijvoorbeeld in vakken waarin autoriteit of abstracte kennis zwaarder doorwegen.
De cijfers liegen niet?
Valencia en collega’s besteden ook veel aandacht aan de kwaliteit van de onderzoeksopzetten. Ze tonen hoe lastig het is om bias zuiver te meten. Denk aan experimenten met verzonnen namen of stemmen die het effect goed isoleren, maar weinig realiteitswaarde hebben. Toch is het patroon robuust genoeg voor één duidelijke conclusie: de evaluaties die we gebruiken om zogezegd objectief te meten hoe goed iemand lesgeeft, zijn dat niet altijd.
Wie de kwaliteit van onderwijs eerlijk wil beoordelen, moet dus verder kijken dan cijfers alleen. Niet alleen omdat cijfers weinig zeggen over leren. Ook omdat ze soms meer vertellen over onze vooroordelen dan over de leraar zelf.