Voor het eerst is er voor Vlaanderen een eigen versie van Education at a Glance, het jaarlijkse OESO-rapport dat het onderwijs van meer dan veertig landen in kaart brengt. Dat is geen detail, maar een belangrijke stap. Tot nu toe moesten we het in het algemene rapport vaak stellen met Belgische cijfers die zelden de realiteit van de Vlaamse scholen en opleidingen weerspiegelden. Onderwijs is nu eenmaal een gemeenschapsbevoegdheid, en dus verdient Vlaanderen ook zijn eigen spiegel. Het voordeel van Education at a Glance is dat het steeds een goed overzicht geeft. Het nadeel is dat het zelden kan verrassen als je de onderwijsactualiteit van nabij volgt. Of deze blog regelmatig leest, natuurlijk.
Het rapport is een samenwerking tussen de OESO en het Departement Onderwijs en Vorming en gebruikt dezelfde internationale indicatoren als de wereldwijde editie, maar zet daar de Vlaamse cijfers naast. Het resultaat is een genuanceerd beeld: Vlaanderen doet het op veel vlakken beter dan het gemiddelde, maar de uitdagingen die we dus vaak al langer kennen, blijven zichtbaar.
De focus: hoger onderwijs in context
Het centrale thema van Education at a Glance 2025 is het hoger onderwijs. De OESO keek dit jaar in detail naar wie de stap zet naar een bachelor- of graduaatsopleiding, wie afstudeert en hoe die trajecten gefinancierd worden. De Vlaamse versie volgt die focus, maar biedt tegelijk een breed overzicht van het hele systeem, van de kleuterklas tot de universiteit. Dat levert een reeks interessante inzichten op.
1. Vlaanderen blijft hoogopgeleid en relatief veerkrachtig
Meer dan de helft van de Vlaamse vrouwen (59%) en bijna de helft van de mannen (46%) tussen 25 en 34 jaar heeft een diploma hoger onderwijs. Daarmee ligt Vlaanderen boven het OESO-gemiddelde en in de Europese topgroep. De tewerkstellingsgraad volgt dat patroon: 90% van de langgeschoolde volwassenen werkt, tegenover 78% van de middengeschoolden en 54% van de kortgeschoolden.
Ook de overgang van onderwijs naar werk verloopt relatief goed. Slechts 7,5% van de Vlaamse jongeren tussen 18 en 24 jaar behoort tot de NEET-groep. Dit zijn jongeren die noch studeren, noch werken, noch een opleiding volgen. Dat cijfer ligt beduidend lager dan het OESO-gemiddelde van 14%.
Die combinatie van hoge scholingsgraad en lage jeugdwerkloosheid blijft een sterk punt van het Vlaamse onderwijsmodel, waarin de band tussen leren en werken stevig verankerd is.
2. De doorstroom en het rendement in het hoger onderwijs
De instroom in het hoger onderwijs is breed. Negen op de tien Vlaamse generatiestudenten kiezen voor een bacheloropleiding, tegenover 77% in de OESO-landen. Slechts 10% start in een graduaatsopleiding, wat lager is dan het OESO-gemiddelde (17%), maar verklaarbaar is omdat dit type opleiding in Vlaanderen pas recent volledig geïntegreerd werd en we weten ondertussen dat deze opleidingen nu boomen.
Toch is de studievoortgang een aandachtspunt. Slechts een derde van de Vlaamse studenten behaalt zijn diploma binnen de voorziene studieduur, tegenover 43% in de OESO. Na drie bijkomende jaren bereikt Vlaanderen met 70% wel het internationale gemiddelde. Vrouwen studeren systematisch sneller af dan mannen, en studenten met hoger opgeleide ouders halen beduidend vaker hun diploma dan studenten met kortgeschoolde ouders.
De sociale ongelijkheid in het hoger onderwijs blijft dus bestaan, ondanks de brede toegankelijkheid. De data maken duidelijk dat de uitdaging niet zozeer in de instroom zit, maar in de doorstroom en het vasthouden van studenten. Dit is volgens mij een van de belangrijkste inzichten.
3. Een sterke publieke investering
Financieel gezien is het Vlaamse onderwijs gul. De publieke uitgaven per leerling liggen op alle niveaus hoger dan het OESO-gemiddelde: van 12.772 USD in het kleuteronderwijs tot 24.143 USD per student in het hoger onderwijs. Oja, het rapport werkt met dollars om de vergelijking met andere landen mogelijk te maken. In totaal besteedt Vlaanderen 6% van zijn bbp aan onderwijs, waarvan het overgrote deel uit publieke middelen komt.
Private bijdragen blijven relatief beperkt. In het niet-hoger onderwijs gaat het om gemiddeld 651 USD per leerling — veel minder dan de 1.088 USD in de OESO-landen. In het hoger onderwijs ligt het aandeel privémiddelen hoger, maar ook daar neemt de overheid het leeuwendeel voor haar rekening.
De Vlaamse aanpak met gematigde inschrijvingsgelden gecombineerd met gerichte financiële steun, situeert zich tussen het Scandinavische model van gratis onderwijs en het Angelsaksische leenstelsel. Toegankelijkheid blijft dus een prioriteit, maar niet ten koste van kwaliteit.
4. Leraren: goed betaald, maar niet genoeg gewaardeerd
Vlaamse leraren behoren tot de best betaalde in de OESO. Een leraar lager onderwijs verdient gemiddeld 74.000 USD per jaar (gecorrigeerd voor koopkracht), tegenover 57.000 USD in de OESO. In het secundair onderwijs ligt dat nog hoger, en ook schoolleiders doen het goed.
Dat vertaalt zich in kleine klassen en relatief lage leerling-leerkrachtratio’s: 12 in het lager onderwijs, 9 in het secundair. Maar dit gaat ook gepaard met hoge loonkosten per leerling. In het lager secundair onderwijs liggen die 68% boven het OESO-gemiddelde.
Die investering betaalt zich terug in kwaliteit, maar het systeem kraakt onder structurele druk. 1,8% van de lerarenjobs blijft bij de start van het schooljaar open en 4,8% van de leraren is niet volledig gekwalificeerd. Bovendien verlaat jaarlijks ongeveer 8% van de leraren het beroep. De cijfers zijn niet dramatisch in OESO-perspectief, maar in de praktijk betekent dit dat scholen vaak moeten improviseren om hun roosters rond te krijgen. Nu denken veel directies als ze dit lezen: daarvoor had ik geen rapport nodig om dat te weten…
5. Geletterdheid en basisvaardigheden: het stille risico
Een ander belangrijk luik van het rapport komt uit het PIAAC-onderzoek. Vlaanderen telt minder laaggeletterden dan het OESO-gemiddelde, 19% tegenover 27%, maar dat blijft één op vijf volwassenen. De kloof tussen autochtone en anderstalige eerste-generatiemigranten is bovendien groot: 70 punten verschil bij kortgeschoolden, een van de grootste in de OESO.
Nog opvallender: terwijl de geletterdheid van hooggeschoolden stabiel bleef, daalde die van laaggeschoolden met ruim 10 punten in tien jaar tijd. De basisvaardigheden staan dus onder druk, vooral bij wie al kwetsbaar is.
6. De balans: sterk, maar niet vanzelfsprekend
Education at a Glance Vlaanderen 2025 schetst een onderwijssysteem dat internationaal goed presteert: hoogopgeleid, goed gefinancierd, sociaal ingebed. Maar de cijfers leggen ook bloot wat we al wisten: de uitdagingen verschuiven, ze verdwijnen niet.
De kloof tussen opleidingsniveaus en sociale groepen blijft groot, de druk op het lerarenberoep stijgt, en de basisvaardigheden vragen blijvende aandacht. Tegelijk toont het rapport hoe stevig de fundamenten zijn: een sterke publieke investering, hoge deelname aan kleuteronderwijs, en een bevolking die blijft geloven in onderwijs als hefboom.
De cijfers stellen gerust, maar niet genoeg om gerust te zijn. Onderwijs is nooit af — en wie denkt dat het goed genoeg is, loopt achter op wie blijft verbeteren.
Bizar, de idee dat het wel OK is met de kwaliteit is van ons onderwijs. Alsof percentages academici daar echt veel over zeggen. Wat zeggen we dan tegen ervaren rekruteerders en managers die jonge alumni zien die geen enkele vreemde taal kennis (voldoende basiskennis om er in redelijk taal functioneel in te zijn) of die geen reationele analyse meer kunnen maken van een probleem in hun eigen vakgebied?Of tegen leerkrachetn die …
Het gaat over waar je mee vergelijkt.