Naast het welbevinden van leerlingen en studenten praten we ook af en toe gelukkig ook over het welbevinden van leraren. Vaak impliciet wordt dit dan gekoppeld aan een belofte: als leraren zich beter voelen, volgen betere leerresultaten en meer welbevinden bij leerlingen vanzelf.
Maar deze blog gaat bijna altijd over deze vraag: wat weten we daar empirisch over? En terwijl ik zelf aan een paar studies dacht, blijkt deze vraag deze keer complexer dan ik vermoedde.
Een recente scoping review van Rebecca Baelen en collega’s probeert precies dat in kaart te brengen. Geen nieuwe studie dus, maar een overzicht van wat er de voorbije decennia onderzocht is over de relatie tussen het welbevinden van leraren en dat van leerlingen, én hun leren. De aanpak is breed. Meer dan 7.600 studies werden gescreend, waarvan er uiteindelijk 67 overbleven die echt beide kanten van de relatie in beeld brengen.
Dat alleen al is interessant. Het thema leeft misschien wel, maar de empirische basis is beperkter dan je zou verwachten in tijden van lerarentekorten over de hele wereld.
Wat vonden de onderzoekers? In het overgrote deel van de studies is er een positieve samenhang, juist correlatie. In 93 procent van de gevallen hangt het welbevinden van leraren samen met dat van leerlingen. Voor leren ligt dat op 84 procent. Dat klinkt als een sterk en consistent verhaal.
Maar zodra je iets dichter kijkt, wordt het minder eenduidig.
Om te beginnen: “welbevinden” betekent niet overal hetzelfde. Bij leraren gaat het vaak over stress, burn-out of psychologische klachten. Bij leerlingen gaat het meestal ook over problemen, zoals distress of mentale gezondheid. Positieve invullingen zoals motivatie, betrokkenheid of floreren komen minder vaak voor in de onderzoeken. Dat maakt dat veel studies in essentie kijken naar de afwezigheid van problemen, niet naar de positieve aanwezigheid van kwaliteit.
Daarnaast is het merendeel van de studies cross-sectioneel. Dit wil zeggen: slechts één meetmoment, zonder dat gekeken wordt over tijd. Dat betekent dat we samenhang zien, maar geen richting. Het kan zijn dat het welbevinden van leraren invloed heeft op leerlingen. Maar het kan evengoed dat klassen met gemotiveerde, goed functionerende leerlingen bijdragen aan het welbevinden van leraren. Of dat beide samenhangen met bredere factoren zoals schoolklimaat of leiderschap.
Misschien het meest opvallend volgens mij: men vond geen experimentele studies die deze relatie causaal testen. Geen interventies die aantonen dat het verbeteren van lerarenwelbevinden automatisch leidt tot betere uitkomsten bij leerlingen. Dat is een belangrijke lacune, zeker gezien hoe we vaak het verband als evident vermoeden.
Dat betekent voor alle duidelijkheid niet dat het verband er niet zou zijn. Er zijn goede redenen om aan te nemen dat het ertoe doet. Leraren die minder stress ervaren hebben meer ruimte voor duidelijke instructie, beter klasmanagement en kwalitatieve interacties. Dat zijn allemaal factoren waarvan we weten dat ze samenhangen met leren. Tegelijk werkt het ook in de andere richting. Klassen waarin leerlingen betrokken zijn en vooruitgang boeken versterken het gevoel van competentie en tevredenheid bij leraren.
Dus de conclusie is niet dat welbevinden er niet toe doet, maar dat het geen losstaande knop is waaraan je draait om onderwijs te verbeteren. Het is ingebed in klaspraktijk, schoolorganisatie en bredere context. Wie daar iets aan wil doen, zal dus ook daar moeten kijken.
En los daarvan is welbevinden van leerkrachten (en natuurlijk ook leerlingen, maar lijkt me niet het startpunt van deze studie) waardevol op zich. Wij hebben het recht om ons ok te voelen en niet ten onder te gaan aan stress.
Groetjes van een juf die om 2:30 in de vakantie nog aan het werk is…