Waarom het zo traag gaat om te weten wat kan werken in onderwijs

We zeggen in onderwijs graag dat we evidence-informed willen werken. Vrij logisch ook: scholen willen investeren in aanpakken waarvan we weten dat ze iets opleveren voor leerlingen. Maar wie even inzoomt op hoe onderwijsonderzoek tot stand komt, merkt snel hoe traag dat proces eigenlijk verloopt. Dat is geen geheim, maar een recente studie laat nu haarscherp zien hoe groot die vertraging in de praktijk kan zijn.

Taylor en collega’s volgden 376 Amerikaanse effectstudies, allemaal gefinancierd door het Institute of Education Sciences. Hun vraag was eenvoudig: hoe lang duurt het voor een interventie zover is dat scholen er op een betrouwbare manier iets mee kunnen? Het antwoord: ongeveer acht jaar. Ik herhaal: acht jaar.

Niet omdat onderzoekers niets doen, maar omdat elk onderdeel van de keten tijd vraagt. Vier jaar om het onderzoek uit te voeren. Dan minstens een jaar om het gepubliceerd te krijgen. En daarna nog eens gemiddeld tweeënhalf jaar voor de kwaliteitstoetsing door een clearinghouse als het What Works Clearinghouse (WWC).

Dat zijn Amerikaanse cijfers, maar de onderliggende dynamiek is niet typisch Amerikaans, al staat het WWC wel bekend als uiterst zorgvuldig en streng. Ook in Vlaanderen gaat het wetenschappelijk proces traag. Onderwijsinterventies vragen altijd tijd om te implementeren. Publicatieprocessen zijn traag en selectief. Replicaties laten op zich wachten. En er is geen traditie van grote, gecoördineerde kennisinfrastructuren zoals de EEF of WWC, iets wat we met Leerpunt wel graag zouden evenaren en aanzetten tot geven, maar we zijn natuurlijk een pak kleiner. Gelukkig is er steeds meer internationale samenwerking hierover.

Onderwijs leent zich niet tot snelle wetenschap

De traagheid is geen teken van inefficiëntie. Het is een gevolg van de aard van onderwijs én onderzoek. Een interventie die je eerlijk wilt testen, moet draaien in een authentieke schoolcontext. Met leraren die hun eigen klas hebben, met roosters die niet altijd meewerken, met leerlingen die ziek worden, verhuizen of van school veranderen. Je kan dus niet, zoals in sommige wetenschappen, met een helder afgebakend experiment klaar zijn op twee maanden.

En zelfs wanneer een interventie degelijk onderzocht is, is één studie niet genoeg. Onderwijs is contextgevoelig. Wat werkt in een Texaanse basisschool werkt niet automatisch in een Vlaamse school met een ander leerplan, andere populatie en andere lerarenpraktijken. Daarom zijn replicaties nodig. Syntheses. Meta-analyses. En precies daardoor schuift de horizon steeds op.

De echte bottleneck zit tussen onderzoek en praktijk

De studie van Taylor en collega’s toont vooral hoe dun die schakel is tussen onderzoek en praktijk. Onderzoekers doen hun werk. Scholen hebben vragen. Maar tussen beide ligt een strook niemandsland waar veel kennis blijft liggen. Niet omdat ze fout is, maar omdat er geen structuur is die ze opneemt, beoordeelt en bruikbaar maakt.

In het Verenigd Koninkrijk speelt de Education Endowment Foundation die rol. In de Verenigde Staten de What Works Clearinghouse. Vlaanderen had die infrastructuur niet. En dat is precies waarom Leerpunt de voorbije jaren begonnen is die kloof stap voor stap te dichten. Niet door studies te schrijven, maar door ze begrijpelijk en relevant te maken voor scholen. Door te laten vertalen wat implicaties zijn, voor welke leerlingen iets werkt en onder welke voorwaarden.

De praktijk beweegt per definitie sneller dan de wetenschap

Er zit nog een spanning die vaak onder de radar blijft. Onderzoek in onderwijs gaat traag, maar scholen moeten elke dag beslissen. En leveranciers van methodes en tools hoeven geen acht jaar te wachten. Dat maakt onderwijs kwetsbaar voor sterke verhalen en snelle oplossingen. Niet omdat scholen naïef zijn, maar omdat zij wél in realtime moeten handelen.

Daarom is een kennisinfrastructuur cruciaal. Niet om scholen te vertellen wat ze moeten doen, wel om het ruisniveau te verlagen en betrouwbare informatie sneller beschikbaar te maken.

Taylor en collega’s signaleren verschillende mogelijkheden: kortere cycli van experimenteren en bijsturen, preprints, registered reports, betere datastandaarden, meer samenwerking tussen onderzoekers en scholen, en langere termijninvesteringen in onafhankelijke kwaliteitsbeoordeling.

Dat zijn geen technocratische suggesties, maar manieren om de keten tussen onderzoek en praktijk korter te maken zonder te morrelen aan kwaliteit. Net daar ligt de echte uitdaging: sneller werken en betrouwbaar blijven. Al zal het altijd vooral dat blijven: een uitdaging.

2 gedachten over “Waarom het zo traag gaat om te weten wat kan werken in onderwijs

  1. Er zijn een heleboel bottlenecks. Uit eigen ervaring weet ik dat tussen het moment dat je als onderzoeker een artikel indient en het uiteindelijk gepubliceerd wordt niet zelden 2 jaar of meer zit. Bovendien heb ik regelmatig ervaren dat partijdigheid en concurrentie van reviewers een rol speelt. (Dat geldt zeker voor kleine landen als Nederland waar iedereen elkaar kent.) Reviewers
    (en editors) van de ene groep hebben er belang bij dat artikelen van de concurrerende groep niet geplaatst worden. En ook is het me vaker overkomen dat me gedwongen werd referenties van de editors en concurrenten op te nemen (die dan ook nog niet of nauwelijks relevant waren voor mijn onderzoek). En wil je een replicatiestudie gefinancierd krijgen ben je sowieso al jaren verder – als het je al lukt. En dan is er nog een vertaalslag van wetenschap(pelijk onderzoek) naar onderwijspraktijk nodig. Bij dit alles is de rol van het ministerie van OCW dubieus. Met de mond belijdt dat evidence-based werken, maar als je kijkt naar hun feitelijke acties, dan komt daar gewoon niks van terecht. En dan heb ik het niet eens over onderzoekers die in weerwil van bewijs dat het tegendeel aantoont blijven vasthouden aan allang achterhaalde studies.

    Driessen, G. (2025). Evidence-based education policy in practice: The case of the Netherlands. Forum for Education Studies, 3(3): 3108.
    ISSN 3005-2629 DOI 10.59400/fes3108
    http://www.geertdriessen.nl/wp-content/uploads/2025/07/2025-Driessen-FfES-Evidence-based-education-policy-in-practice-Pre-print.pdf

    Driessen, G. (2025). The Chicago Child-Parent Center early-childhood program: A critical appraisal. Research on Preschool and Primary Education, 3(1), 39-51.
    ISSN 3005-2629 DOI 10.55976/rppe.32025134339-51
    https://www.researchgate.net/publication/389318924_The_Chicago_child-parent_center_early-childhood_program_A_critical_appraisal

    Driessen, G. (2025). The fragile foundation of pre- and early-school programs for disadvantaged children. Forum for Education Studies, 3(1), [1-16].
    ISSN 3029-2956 DOI 10.59400/fes1869
    https://ojs.acad-pub.com/index.php/FES/article/view/1869

  2. Pingback: Luchtkwaliteit en inclusief onderwijs – Teacher Tapp Nederland

Geef een reactie