De discussie over inclusief onderwijs keert met vaste regelmaat terug, al kan het soms de verkeerde discussie zijn. Vaak gebeurt dit in stellige termen, omdat alle betrokkenen het beste willen voor de kinderen, maar wat het beste dan is? Het zou daarom óf een morele plicht zijn waar niemand nadeel van ondervindt, óf een goedbedoeld experiment dat “ten koste gaat van de rest van de klas”. Dat laatste is een belangrijke vraag, want iedereen heeft recht op goed onderwijs. Wat doet inclusie met hún leerprestaties, motivatie en welbevinden?
Een nieuwe, geslaagde replicatiestudie van Aleksander Kocaj, gepubliceerd in Contemporary Educational Psychology, probeert precies die vraag opnieuw en grondig te beantwoorden. Niet met kleine steekproeven, maar met grootschalige, representatieve data van Duitse vierdeklassers, en expliciet als herhaling van een eerdere studie die ik eerlijk gezegd niet kende. Toen ik ze opzocht, zag ik dat deze enkel in het Duits gepubliceerd was, en ik moet bekennen dat die taal bij meer dan roestig is. Maar zoals je weet ben ik altijd blij met degelijk replicatienderzoek. Dergelijk onderwijsonderzoek is nog steeds te schaars, terwijl ze cruciaal is om ruis van robuuste patronen te onderscheiden.
De kernvraag van deze studie is dus eenvoudig: verschillen leerlingen zonder speciale onderwijsbehoeften in inclusieve klassen van leerlingen in klassen zonder leerlingen met een SEN-label (special educational needs), op het vlak van prestaties, motivatie en psychosociaal functioneren? Het antwoord is genuanceerd.
Eerst het geruststellende deel. Voor leesvaardigheid, luistervaardigheid, motivatie, sociale integratie en schooltevredenheid vindt de studie geen betekenisvolle negatieve effecten. Leerlingen zonder SEN doen het in inclusieve klassen grosso modo even goed als hun leeftijdsgenoten elders. Dat geldt ook voor hun academisch zelfbeeld, hun plezier in leren en hun betrokkenheid bij school. Wie inclusie automatisch gelijkstelt aan een slechter leerklimaat voor “de rest”, vindt daarvoor weinig steun in dit onderzoek.
Maar het verhaal is niet volledig rooskleurig. In spelling en wiskunde zijn de prestaties van leerlingen zonder SEN in inclusieve klassen gemiddeld iets lager. Het gaat om zeer kleine effecten (ongeveer −0,07 tot −0,09), statistisch significant maar pedagogisch beperkt. Dit zijn geen dramatische achterstanden, eerder minieme verschuivingen die je op individueel niveau nauwelijks merkt. Tegelijk zijn ze wel consistent genoeg om ernstig te nemen, zeker omdat ze ook in deze replicatie opnieuw opduiken. Dit is niet onbelangrijk omdat het grote verschil tussen beide onderzoeken is dat bij het replicatieonderzoek inclusie al beter ingeburgerd was in Duitsland.
Interessant is dat die kleine negatieve effecten niet uitsluitend te verklaren zijn door één specifieke groep. Ze treden op wanneer er leerlingen met emotionele of gedragsproblemen in de klas zitten, wat vaak wordt gesuggereerd, maar ook – terug opnieuw zeer beperkt – bij de aanwezigheid van leerlingen met leerstoornissen. Dat ondergraaft het eenvoudige verhaal dat “het probleem” enkel bij gedragsmoeilijkheden zou liggen.
Wat deze studie expliciet níét laat zien, is minstens even belangrijk. Er is geen bewijs dat hoogpresterende leerlingen extra nadeel ondervinden. Er is geen aanwijzing dat motivatie of welbevinden structureel lijden onder inclusie. En er is geen ondersteuning voor het idee dat inclusie automatisch leidt tot een slechter klas- of schoolklimaat. De verschillen die worden gevonden zijn klein, contextgebonden en sterk afhankelijk van hoe inclusie concreet wordt vormgegeven.
De vraag “werkt inclusie?” is te grof. De betere vraag is: onder welke voorwaarden, voor wie, en met welke ondersteuning? Inclusie is geen uniforme interventie, maar een organisatorische en pedagogische keuze die pas effect krijgt via didactiek, ondersteuning, klasmanagement en verwachtingen van leraren. Zonder die randvoorwaarden blijft inclusie kwetsbaar, zowel voor leerlingen met als zonder SEN.
Wat deze nieuwe studie vooral doet, is de scherpe kanten van het debat afvijlen. Ze bevestigt dat inclusie geen rampscenario is voor leerlingen zonder SEN, maar ook geen ‘free lunch” of “walk in the park”. Het onderzoek staat ook niet stil bij de organisatorisch en andere noden van bijvoorbeeld de lesgevers. Kleine prestatiedalingen in bepaalde domeinen vragen wel degelijk om serieuze aandacht. Ze vertellen ons de nood aan voldoende ondersteuning, expertise en realistische verwachtingen van wat leraren in heterogene klassen kunnen waarmaken.
Vrij vertaald: inclusief onderwijs is geen moreel statement alleen, en ook geen technocratische ingreep. Het is een complexe hervorming die pas werkt wanneer ze pedagogisch doordacht en structureel ondersteund wordt.
Afbeelding: https://www.pexels.com/nl-nl/foto/spelen-kinderen-kids-aan-het-leren-8422255/

Pingback: Gerichte interventies bij SEND: wat zegt onderzoek echt?