Vijf jaar geleden schreef ik dat onderwijs maar beter geen roeping kan zijn. Niet omdat het werk onbelangrijk zou zijn. Integendeel. Maar omdat het idee van roeping te vaak wordt ingezet om grenzen te vervagen. Wie het “echt meent”, klaagt niet. Wie uitgeput raakt, heeft blijkbaar niet genoeg passie. En structurele problemen worden zo netjes teruggelegd bij het individu.
Wat me toen opviel in de reacties, was niet zozeer verzet, maar vooral herkenning. Alsof het idee al langer leefde, maar dat ik het toevallig zo expliciet benoemde.
De voorbije jaren is dat ongemak trouwens volgens mij alleen maar meer zichtbaard geworden. En niet alleen in het onderwijs, maar ook in andere sectoren waar werk sterk wordt verbonden met identiteit en betekenis zoals bijvoorbeeld de gezondheidszorg. Ook de academische wereld is daar een uitgesproken voorbeeld van. En precies daar las ik recent een artikel dat voelde als bijna een echo van die oude post.
Het gaat om een opiniestuk van Laurel Raffington, gepubliceerd in Nature Human Behaviour. De titel is bewust scherp: Academia is just a job. Geen roeping. Geen levensmissie. Gewoon werk.
Die formulering kan voor sommigen als heiligschennis aanvoelen. Maar Raffington maakt meteen duidelijk dat dit geen pleidooi is tegen passie of betrokkenheid. Ze schrijft expliciet dat ze van wetenschap houdt. Het punt is niet dat het werk betekenisloos is, maar dat betekenis te vaak wordt misbruikt om structurele problemen te verdoezelen.
Wat het artikel scherp blootlegt, is hoe “liefde voor het vak” in academia functioneert als morele hefboom. Onzekere contracten, extreme werkdruk en voortdurende prestatiedruk worden genormaliseerd. Wie het niet volhoudt, krijgt al snel het gevoel dat dat aan hem ligt. Niet aan het systeem. Alsof uitval een gebrek aan roeping verraadt, eerder dan een grens die werd overschreden.
Dat mechanisme is pijnlijk herkenbaar. Ook in het onderwijs. Ook daar zeggen we dat mensen het verschil maken. Dat ze bevlogen zijn. Dat ze het doen “voor de leerlingen”. En tegelijk bouwen we structuren waarin tijd schaars is, ondersteuning fragiel en verwachtingen eindeloos rekbaar. Wie grenzen trekt, moet die vaak eerst uitleggen of verdedigen.
Het interessante aan Raffingtons betoog is dat ze expliciet afstand neemt van het idee dat minder roeping zou leiden tot minder kwaliteit. Integendeel. Door werk als werk te benoemen, wordt het mogelijk om het duurzaam te organiseren. Om grenzen normaal te maken. Om verantwoordelijkheid te leggen waar ze hoort: bij instellingen, beleid en organisatie, niet alleen bij individuele inzet.
Dat was ook de kern van mijn punt in 2021. Onderwijs heeft geen martelaren nodig, maar professionals. Mensen die hun vak kennen, hun leerlingen serieus nemen en hun werk zinvol vinden. Maar dat vraagt geen heiligverklaring. Het vraagt professionaliteit. Begrenzing. Ondersteuning.
Misschien verklaart dat ook waarom die post toen zo weinig weerstand opriep. Niet omdat de boodschap comfortabel was, maar omdat ze raakte aan iets wat veel mensen al langer aanvoelden. Dat betekenisvol werk geen vrijgeleide mag zijn voor structurele overbelasting.
Vijf jaar later klinkt die boodschap niet radicaler, maar breder gedragen. Ze duikt nu op in de wetenschap, de zorg, het onderwijs. Minder als aanklacht. Meer als nuchtere vaststelling. En misschien is dat precies wat dit soort werk nodig heeft. Minder romantiek. Meer zorg. Voor het werk én voor de mensen die het doen.