Tijdens een lezing in Mechelen kreeg ik onlangs een vraag van een directeur die ik steeds vaker hoor: waarom zien we eigenlijk zoveel meer diagnoses zoals ADHD dan vroeger? Is er echt een explosieve stijging? Zijn kinderen veranderd? Of kijken wij anders?
Niet toevallig kwam ik kort daarna via Dan Willingham een nieuwe sociologische studie tegen in Social Forces die precies die vraag probeert te beantwoorden. Niet vanuit neurologie of psychiatrie, maar vanuit een macrosociologisch perspectief. Ik ga zeker niet met alles volledig akkoord, je zal snel merken waarom. Toch vond ik ze wel bijzonder interessant omdat Tuncer-Ebetürk en collega’s iets proberen te doen wat ik nog niet vaak zag: ADHD wereldwijd bekijken als cultureel én institutioneel fenomeen.
De onderzoekers analyseerden gegevens uit 135 landen tussen 1996 en 2019. Hun vertrekpunt is eenvoudig: ADHD-diagnoses stijgen wereldwijd al decennia. Niet alleen in de Verenigde Staten, maar ook in heel uiteenlopende landen en regio’s. Tegelijk blijft ADHD wetenschappelijk gezien een complexe diagnose. Er bestaat nog steeds geen objectieve biologische test. Diagnoses steunen vooral op gedragscriteria en observaties. De auteurs maken vervolgens een interessante denkoefening. Misschien zegt een stijging in diagnoses niet alleen iets over kinderen zelf, maar ook over hoe samenlevingen naar kinderen kijken.
Hun verklaring draait rond twee grote maatschappelijke evoluties. Belangrijk: dit blijft een macrosociologische correlatiestudie. Ze tonen verbanden op maatschappelijk niveau, geen rechtstreekse causale mechanismen bij individuele kinderen!
De eerste is wat zij “child-centeredness” noemen. Kinderen worden wereldwijd steeds meer gezien als unieke individuen met eigen rechten, noden en ontwikkelingskansen. Dat zie je volgens hen in allerlei evoluties:
- meer aandacht voor welzijn,
- meer focus op ontwikkeling,
- intensievere ouderbetrokkenheid,
- kleinere gezinnen,
- meer onderwijshervormingen gericht op jonge kinderen,
- en een grotere gevoeligheid voor mogelijke problemen of achterstanden.
Hun analyse toont dat landen met meer onderwijshervormingen gericht op jonge kinderen én met een lagere vruchtbaarheid gemiddeld ook meer ADHD-diagnoses zien.
Dat betekent natuurlijk niet dat kleinere gezinnen ADHD veroorzaken. Het gaat eerder om een culturele verschuiving waarbij elk individueel kind meer aandacht krijgt. En hoe meer aandacht je hebt voor ontwikkeling en gedrag, hoe groter de kans dat afwijkingen of moeilijkheden worden opgemerkt, benoemd en gediagnosticeerd.
De tweede factor die ze benadrukken, is de rol van internationale organisaties en gezondheidsnetwerken. Volgens de auteurs hebben organisaties zoals WHO, UNICEF en allerlei gezondheids- en advocacygroepen ADHD wereldwijd steeds meer gepositioneerd als een legitieme neurodevelopmentale aandoening die ondersteuning en behandeling verdient. Via internationale richtlijnen, campagnes en medische netwerken verspreidt dat denken zich wereldwijd.
Opvallend genoeg vonden de onderzoekers weinig steun voor klassieke verklaringen zoals rijkdom, democratie of algemene kwaliteit van gezondheidszorg. De culturele factoren bleven veel sterker samenhangen met de stijging van diagnoses.
Nu moet je hier volgens mij echt voorzichtig mee blijven. Dit is geen bewijs dat ADHD “niet echt” zou zijn. Dat is absoluut niet wat deze studie zegt. De auteurs erkennen expliciet dat ADHD een neurodevelopmentale aandoening kan zijn met biologische componenten. Hun punt is eerder dat de maatschappelijke zichtbaarheid en interpretatie van ADHD sterk cultureel mee gevormd worden.
En dat lijkt me eigenlijk moeilijk te ontkennen. Wie vandaag lesgeeft of met kinderen werkt, leeft in een totaal andere culturele context dan pakweg veertig jaar geleden. We kijken anders naar gedrag, welzijn, participatie, emoties en ontwikkeling. Ouders, scholen en hulpverlening monitoren kinderen veel intensiever. Tegelijk zijn onze verwachtingen rond functioneren vaak ook hoger geworden.
Dat heeft voordelen. Moeilijkheden die vroeger genegeerd werden, krijgen nu soms eindelijk erkenning en ondersteuning. Maar het betekent ook dat de grens tussen “verschil”, “moeilijkheid” en “stoornis” voortdurend cultureel mee verschuift.
Net daarom vond ik deze paper interessant. Niet omdat ze “het antwoord” geeft, maar omdat ze het debat breder trekt dan de klassieke tegenstelling tussen “ADHD is puur biologisch” versus “ADHD is een modeverschijnsel”. Zoals wel vaker ligt de realiteit waarschijnlijk ingewikkelder.
En dus vertelt een stijging in diagnoses waarschijnlijk niet alleen iets over kinderen. Ze vertelt ook iets over onszelf, over hoe wij vandaag naar kinderen kijken, wat we belangrijk vinden en welke vormen van gedrag we als problematisch ervaren.
Niets illustreert de problemen met de huidige ADHD-diagnostiek beter dan het geboortemaandeffect (Relative Age Effect). Wereldwijd zien we dat de jongste kinderen in een klasgroep tot wel twee keer vaker medicatie voorgeschreven krijgen dan hun oudste klasgenoten. Het is een pijnlijk bewijs dat we relatieve onrijpheid te vaak verwarren met een stoornis, simpelweg omdat we kinderen te strikt vergelijken met klasgenoten in plaats van te kijken naar hun werkelijke ontwikkelingsfase.