Meer praten helpt niet per se: wat onderzoek zegt over leraartaal en taalontwikkeling

Het lijkt vanzelfsprekend dat wat leraren zeggen ertoe doet. Toch is dat idee lange tijd verrassend indirect onderzocht, al gebeurt er nu ook in Vlaanderen interessant onderzoek binnen het TACOS-project. Discussies over taalontwikkeling bij jonge kinderen spelen zich vooral af rond thuiscontexten, ouderlijke input en sociaaleconomische verschillen. Het bekende debat rond de 30-million-word gap is daar een voorbeeld van: een discussie die intussen sterk genuanceerd is, met zowel geslaagde als minder geslaagde replicaties, maar die vooral duidelijk heeft gemaakt dat taalontwikkeling niet herleid kan worden tot woordenaantallen alleen, maar ook over de kwaliteit van de interacties.

Wat in dat debat relatief onderbelicht bleef, is de rol van taalgebruik in klascontexten. Niet als compensatie voor thuis, maar als didactische factor op zich. Een recente meta-analyse van Jiang, Kaplan en Ko-Wong brengt daar nu voor het eerst systematisch zicht op. Ze analyseerden 104 unieke studies (118 artikelen, 411 effectgroottes), met gegevens van meer dan 13.000 leraren en ruim 112.000 kinderen, van kleuterklas tot en met derde leerjaar. Cruciaal: ze gebruikten partiële correlaties, dus verbanden waarbij gecontroleerd werd voor zaken als SES, leeftijd en beginniveau. Dat maakt zoals vaker de resultaten minder spectaculair, maar inhoudelijk veel robuuster

De centrale bevinding is helder. De kwaliteit van leraartaal hangt positief samen met de taalontwikkeling van kinderen. Het gemiddelde effect is bescheiden (r ≈ .11), maar consistent over de verschillende studies heen. In veldonderzoek, met echte klaslokalen en echte leraren, is dat geen triviale uitkomst omdat daar effecten vaak klein zijn. Het gaat hier trouwens ook niet om intensieve interventies, maar om natuurlijke verschillen in hoe leraren spreken.

Minstens even belangrijk is wat níét gevonden wordt. De hoeveelheid leraartaal, het aantal woorden of uitingen, vertoont geen betekenisvolle samenhang met taalontwikkeling. Die conclusie vraagt wel voorzichtigheid, omdat relatief weinig studies zich puur op kwantiteit richten. Maar het patroon sluit wel aan bij wat we breder zien in taalonderzoek: meer praten op zich is geen garantie voor beter leren.

De auteurs onderscheiden verschillende aspecten van taalkwaliteit:

  • interactieve taal (responsief reageren, uitbreiden, vragen stellen),
  • linguïstische kwaliteit (woordenschat, zinscomplexiteit)
  • en conceptuele taal (verklaringen, abstracte begrippen, praten over verleden en toekomst).

Opvallend genoeg blijken die drie dimensies allemaal ongeveer even sterk samen te hangen met taalontwikkeling. Er is geen enkele “silver bullet”. Taalkwaliteit lijkt eerder een samenhangend geheel van betekenisvolle communicatie dan een optelsom van losse technieken.

Context doet er bovendien toe. Het verband tussen taalkwaliteit en taalontwikkeling is sterker bij oudere kinderen dan bij jongere, en opvallend genoeg iets sterker in klassen met meer meisjes. Het is ook duidelijker zichtbaar tijdens expliciete taalinstructie dan tijdens spel. Methodologisch gezien vinden studies die leraartaal fijnmazig coderen sterkere effecten dan studies met globale observatieschalen. Hoe scherper je kijkt, hoe duidelijker het effect wordt. Dat laatste lijkt me ook niet zo onlogisch.

Verder lees ik ook nog een belangrijk detail dat nuance vraagt: een niet onaanzienlijk deel van de effecten is negatief. In sommige studies hangt complexere of meer verfijnde leraartaal samen met net minder taalwinst bij kinderen. Dat lijkt een contradictie, maar ik lees het eerder als een waarschuwing. Taal die niet aansluit bij het ontwikkelingsniveau van leerlingen kan simpelweg over hen heen gaan. Vooral bij meertalige leerlingen of kinderen met een zwakker taalniveau blijkt afstemming cruciaal. Taalkwaliteit is dus geen absoluut criterium, maar een relationeel en contextgevoelig begrip.

En precies daar raakt deze meta-analyse zijdelings aan het bredere debat over taalinput. Niet door het 30-million-word-gap-verhaal te bevestigen of te ontkrachten, maar door iets anders te laten zien: ook wanneer je controleert voor SES en beginniveau blijft de kwaliteit van leraartaal betekenisvol. Dit is geen verhaal over compenseren voor “tekorten thuis”, maar over wat goed onderwijs inhoudt, voor alle leerlingen.

De auteurs zijn terecht voorzichtig. Er is volgens hun analyses wellicht sprake van publicatiebias, en na correctie hiervoor wordt het gemiddelde effect kleiner. De verschillen tussen studies blijven groot. Dit is geen bewijs dat goede leraartaal alles oplost. Maar het is wel overtuigend bewijs dat leraartaal geen randverschijnsel is. Ze maakt structureel deel uit van de leeromgeving, met meetbare gevolgen voor taalontwikkeling.

Wat betekent dit alles nu voor beleid en praktijk? Vooral dit: investeren in de kwaliteit van leraartaal is waarschijnlijk een van de meest schaalbare en kosteneffectieve hefbomen die we hebben. Niet door leraren aan te sporen “meer te praten”, maar door hen te ondersteunen in hoe ze betekenisvol, responsief en inhoudelijk rijk communiceren, afgestemd op hun leerlingen en hun context.

Geef een reactie