Niet alle peers zijn gelijk: wie beïnvloedt wat bij jongeren?

In de leefwereld van jongeren komen veel leeftijdsgenoten of peers voor. Maar welke invloed hebben welke andere jongeren?  Het artikel van Mary Page Leggett-James, René Veenstra, Goda Kaniušonytė en Brett Laursen, beantwoordt een deel van deze vraag. Ze vergelijken rechtstreeks de invloed van beste vrienden met die van klasnormen die meer te maken hebben met populariteit

Wat deden ze concreet? In een steekproef van 543 Litouwse leerlingen (10–14 jaar) keken ze over drie maanden naar veranderingen in:

  • emotionele problemen
  • gebrek aan emotionele helderheid
  • probleemgedrag
  • academische prestaties
  • sociale-mediagebruik
  • gewichtsbezorgdheid

Ze gebruikten een vrij verfijnde analysetechniek (een longitudinale Group Actor-Partner Interdependence Model) die toelaat om de unieke invloed van beste vrienden én statusnormen tegelijk te schatten met de bedoeling overlappende effecten eruit te filteren.

Eerste les: beste vrienden blijken vooral invloed te hebben op wat je kwetsbaar maakt. Meer emotionele problemen bij je beste vriend voorspellen meer emotionele problemen bij jou. Dit ligt in lijn met eerder onderzoek, meen ik me te herinneren. Hetzelfde geldt voor gebrek aan emotionele helderheid en probleemgedrag. Bij oudere leerlingen beïnvloeden beste vrienden ook academische prestaties.

Wie populair of niet populair is daarentegen blijken vooral invloed te hebben op wat zichtbaar is. Wanneer populaire leerlingen veel met sociale media bezig zijn, stijgt het sociale-mediagebruik van klasgenoten. Bij oudere leerlingen geldt hetzelfde voor gewichtsbezorgdheid: als populaire leerlingen daarmee bezig zijn, neemt die bezorgdheid toe in de klas.

De auteurs kaderen dit via twee sociale “algoritmes”. In vriendschappen werkt vooral het wederkerigheidsprincipe. Je past je aan om de relatie te behouden. Dat gebeurt in een relatief veilige, private sfeer. Het is dus niet vreemd dat juist daar internaliserende problemen en gedeelde moeilijkheden zich verspreiden. Denk aan co-ruminatie: samen piekeren kan verbinden, maar ook versterken.

In groepen werkt eerder hiërarchie. Populaire leerlingen modelleren wat status geeft. En status is zichtbaar. Denk dan aan zaken zoals uiterlijk, sociale media of  publieke indruk.

Wat ik hier sterk aan vind, is dat het een simplificatie doorprikt die we vaak maken. We spreken over “peer pressure” alsof dat één mechanisme is. Alsof alle leeftijdsgenoten dezelfde richting uitduwen. Dit onderzoek toont dat dat te grof is. Als je probleemgedrag wil begrijpen, kijk dan naar de beste vriend. Als je sociaal-mediagebruik of uiterlijknormen wil begrijpen, kijk dan naar de populaire leerlingen.

Dit alles heeft ook implicaties voor interventies. Wil je gedragsproblemen aanpakken? Dan volstaat het niet om klasnormen te veranderen. Dan moet je kijken naar vriendschapsnetwerken. Wie zit naast wie? Welke dyades versterken elkaar?

Wil je sociale-mediagebruik of uiterlijkdruk temperen? Dan moet je niet primair mikken op individuele counseling, maar op normverandering. En normverandering loopt via statusdragers. Zonder populaire leerlingen mee te krijgen, verander je weinig.

Zoals bij elk onderzoek zijn er hier ook beperkingen. De steekproef komt uit Litouwen, al argumenteren de auteurs dat de context vergelijkbaar is met andere West-Europese settings. De meetperiode is relatief kort. Kleine effecten kunnen onder de radar blijven. Maar methodologisch is dit sterk werk, juist omdat het beide invloeden tegelijk modelleert.

Geef een reactie