Het idee dat sommige mensen “linkerhersenhelft-types” zijn en anderen “rechterhersenhelft-types” is een van de hardnekkigste onderwijsmythes die ik al meer dan 10 jaar bevecht. Ondanks alles blijft het idee populair. Nieuwe hersenstudies maken dat beeld alleen maar moeilijker vol te houden. Niet omdat ze één andere plek voor intelligentie vinden, maar omdat ze net tonen dat intelligentie helemaal nergens specifiek zit.
Zo ook een recente studie in Nature Communications die nog eens laat zien waarom dat idee zo moeilijk vol te houden is. Niet omdat onderzoekers nu eindelijk ontdekt hebben waar intelligentie dan wél zit, maar omdat ze opnieuw tonen dat de vraag eigenlijk verkeerd gesteld is. Intelligentie lijkt namelijk niet uit één plek in het brein te komen. Net zoals eerder al voor creativiteit werd aangetoond, lijkt intelligentie overal in het brein te zitten.
De studie vertrekt van een vrij klassieke vraag: hoe hangt algemene intelligentie, het bekende g-factorconcept uit de psychometrie, samen met de organisatie van het brein? Daarvoor gebruikten de onderzoekers gegevens van meer dan achthonderd deelnemers uit het Human Connectome Project. Ze combineerden cognitieve testresultaten met hersenscans en bekeken niet alleen afzonderlijke hersengebieden, maar vooral hoe verschillende netwerken met elkaar verbonden zijn.
Wat daaruit komt, past slecht bij een simpel beeld van gespecialiseerde hersendelen die elk een bepaald talent vertegenwoordigen.
Om te beginnen blijkt intelligentie niet afhankelijk van één specifiek hersennetwerk. Verschillende netwerken dragen elk een beetje bij: netwerken die te maken hebben met aandacht, cognitieve controle, taal, perceptie en geheugen. Maar geen enkel netwerk op zichzelf blijkt doorslaggevend. Wanneer onderzoekers één netwerk uit hun model weghalen, verandert de voorspellende kracht nauwelijks. Dat suggereert dat vooral de interacties tussen netwerken belangrijk zijn.
Het brein werkt hier dus minder als een verzameling afzonderlijke modules en meer als een systeem waarin verschillende onderdelen voortdurend met elkaar communiceren.
Nog interessanter is een tweede resultaat uit de studie. Bij mensen met hogere scores op algemene intelligentie spelen zogenaamde “zwakke” maar lange verbindingen tussen hersengebieden een opvallende rol. Dat zijn verbindingen die relatief weinig activiteit vertonen, maar wel gebieden met elkaar verbinden die ver uit elkaar liggen in het brein.
Die verbindingen lijken belangrijk omdat ze informatie uit verschillende systemen kunnen samenbrengen. De link met creativiteit en intelligentie lijkt logisch. Sterke, lokale verbindingen helpen gespecialiseerde verwerking binnen een netwerk. Maar die zwakkere, lange verbindingen maken het mogelijk om informatie te integreren over verschillende netwerken heen.
In netwerktermen lijkt het brein van mensen met hogere intelligentiescores meer op wat onderzoekers een “small-world netwerk” noemen. Het zijn lokaal sterk verbonden clusters, gecombineerd met efficiënte verbindingen tussen die clusters. Zo’n structuur combineert specialisatie met integratie.
De linker- en rechterhersenhelften bestaan natuurlijk wel degelijk. Ze hebben ook bepaalde functionele verschillen. Taalprocessen zijn bijvoorbeeld vaak iets sterker gelateraliseerd in de linkerhemisfeer. Maar dat betekent niet dat mensen vooral “linksbreinig” of “rechtsbreinig” zijn. Vrijwel alle complexe cognitieve taken gebruiken netwerken die beide hemisferen overspannen.
Wat deze studie nog eens duidelijk maakt, is dat intelligentie niet lijkt op een krachtig centrum ergens in het brein. Het lijkt eerder op een goed georganiseerd transportsysteem. Verschillende regio’s en netwerken leveren elk een bijdrage, maar het geheel werkt alleen goed wanneer de verbindingen tussen die systemen efficiënt georganiseerd zijn.
Dat maakt de hersenhelftmythe niet alleen onjuist, maar ook conceptueel misleidend. Ze suggereert dat denken te herleiden is tot afzonderlijke onderdelen. Terwijl veel onderzoek uit de cognitieve neurowetenschap net in de andere richting wijst: naar interacties, netwerken en dynamische samenwerking tussen systemen.
Voor onderwijs en leren is dat misschien geen revolutionaire boodschap. Leraren weten al lang dat vaardigheden zelden geïsoleerd functioneren. Begrijpend lezen, probleemoplossend denken of leren redeneren vragen telkens een combinatie van kennis, aandacht, geheugen en taal. Maar het helpt wel om te zien dat ook het brein zelf zo georganiseerd lijkt.
Niet als twee gescheiden helften met elk hun eigen specialiteit, maar als een complex netwerk waarin verschillende systemen samenwerken om tot intelligent gedrag te komen.