Evidence-informed onderwijs vraagt meer dan goede bedoelingen: Hoe geraakt onderzoek in de klas?

In het onderwijs duikt het idee van evidence-informed werken de laatste jaren steeds vaker op. Beleidsmakers verwijzen ernaar. Onderzoeksgroepen gebruiken het. In discussies over lesgeven wordt het bijna een vanzelfsprekend referentiepunt: onderwijs dat gebruikmaakt van onderzoek.

Ik ben er vanuit mijn positie natuurlijk zeker niet tegen, integendeel. Tegelijk bestaat er ook behoorlijk wat scepsis. Sommigen vrezen dat het onderwijs te technocratisch wordt. Anderen wijzen erop dat onderzoek nooit rechtstreeks voorschrijft wat een leraar in een concrete klas moet doen.

En ergens tussen die twee posities zit een praktische vraag die we minder vaak stellen. Stel dat we onderzoek inderdaad een rol willen geven in onderwijs, hoe organiseer je dat dan eigenlijk? Het onderwijs als systeem lijkt daar eigenlijk maar gedeeltelijk op ingericht te zijn. Een recent rapport van de OECD over de rol van onderzoeksinstellingen en lerarenopleidingen bij het gebruik van onderzoek laat dat vrij scherp zien.

Onderzoeksinstellingen en lerarenopleidingen worden vaak gezien als de belangrijkste actoren om onderzoek naar de praktijk te brengen. Dat klinkt logisch. Universiteiten produceren onderzoek. Lerarenopleidingen bereiden toekomstige leraren voor. Als er ergens een brug kan worden geslagen tussen onderzoek en klaspraktijk, dan lijkt het daar. Alleen blijkt het in de praktijk minder vanzelfsprekend.

Zo geeft een meerderheid van de lerarenopleidingen zelf aan dat afgestudeerde leraren niet altijd voldoende vaardigheden hebben ontwikkeld om met onderzoek om te gaan. Slechts ongeveer een derde van de opleidingen denkt dat nieuwe leraren spontaan naar onderzoek zullen zoeken wanneer ze in hun praktijk op een probleem botsen. Nog minder opleidingen denken dat afgestudeerden zich echt zeker voelen in het beoordelen van de kwaliteit van onderzoek. Dat betekent niet dat leraren niet geïnteresseerd zijn in onderzoek. Wel dat het vermogen om onderzoek te vinden, te begrijpen en te vertalen naar de klaspraktijk niet vanzelf ontstaat.

Aan de andere kant van het systeem speelt nog iets anders. Ook onderzoeksinstellingen zelf blijken niet altijd optimaal ingericht om onderzoek naar beleid of praktijk te vertalen. Onderzoekers worden in veel systemen vooral beloond voor publicaties in wetenschappelijke tijdschriften. Samenwerking met scholen, communicatie naar een breder publiek of het vertalen van onderzoeksresultaten naar bruikbare inzichten voor de praktijk krijgt vaak minder structurele aandacht.

Dat is op zich begrijpelijk. Wetenschap heeft haar eigen logica en kwaliteitscriteria. Maar het betekent wel dat het niet vanzelfsprekend is dat onderzoek automatisch zijn weg naar onze klaslokalen vindt.

Het rapport gebruikt daarvoor een term die de laatste jaren vaker opduikt en mij ook niet heel onbekend is: knowledge mobilisation. Daarmee bedoelen de auteurs alle inspanningen die nodig zijn om onderzoek effectief bruikbaar te maken voor beleid en praktijk. Dat gaat niet alleen over onderzoek produceren, maar ook over het toegankelijk maken ervan, relaties bouwen tussen onderzoekers en praktijkmensen en het versterken van vaardigheden om onderzoek te gebruiken.

En precies daar wringt het soms. In veel onderwijssystemen wordt er namelijk impliciet van uitgegaan dat die verbinding vanzelf ontstaat. Universiteiten doen onderzoek. Lerarenopleidingen leiden leraren op. Scholen werken met leerlingen. En ergens daartussen zou kennis dan zijn weg moeten vinden. Alleen blijkt dat in de praktijk vaak een te optimistische verwachting.

Het OECD-rapport wijst bijvoorbeeld op iets ogenschijnlijk eenvoudigs: instellingen die een expliciet mandaat hebben om onderzoek te vertalen naar beleid of praktijk doen dat ook systematisch vaker. Wanneer kennisdeling een duidelijke opdracht is, mét tijd en middelen, gebeurt ze ook vaker. Wanneer het iets is dat “er nog bij” moet, blijft het vaak beperkt.

Dat lijkt bijna banaal, maar het raakt wel aan een belangrijk punt. Evidence-informed werken is niet alleen een kwestie van goede wil. Het vraagt ook infrastructuur. Denk aan mensen, tijd, structuren en organisaties die de verbinding tussen onderzoek en praktijk actief onderhouden.

Het gebruik van onderzoek ontstaat niet vanzelf. Het moet georganiseerd worden.

Dat kan via lerarenopleidingen die expliciet inzetten op onderzoeksvaardigheden. Via onderzoeksinstellingen die sterker inzetten op communicatie en samenwerking met scholen. Via beleidsstructuren die het gebruik van onderzoek stimuleren. En ook via organisaties die zich expliciet richten op het verbinden van onderzoek, beleid en praktijk.

Hoe dat er precies moet uitzien, zal in elk onderwijssysteem anders zijn. Maar één ding lijkt wel duidelijk: als we willen dat onderzoek een rol speelt in onderwijs, volstaat het niet om dat alleen te verwachten van individuele leraren of onderzoekers. Het systeem zelf moet er ook een beetje op ingericht zijn. Anders blijft evidence-informed onderwijs vooral een goede bedoeling.

Geef een reactie