Onderwijsspiegel 2026: het probleem is vaak niet de visie, maar de vertaling naar de klas

De Onderwijsspiegel 2026 van de Onderwijsinspectie ligt vanaf vandaag op tafel. Zoals elk jaar biedt dit rapport veel cijfers, veel vaststellingen en vooral veel herkenning voor wie in het onderwijs werkt. In de media wordt er vooral gefocust op de vaststelling dat 1 op 5 scholen niet slagen en noemt de minister het “alweer geen goed rapport”.

Laat ik even op ruimere afstand kijken. Dan zie ik dat er één lijn er vrij duidelijk doorheen loopt. Scholen doen wel degelijk inspanningen. Er is vaak ook effectief een visie… maar die wordt onvoldoende systematisch vertaald. Er wordt ook nagedacht over kwaliteit. Maar… dit alles wordt vaak niet zichtbaar op de klasvloer.

Het probleem is dus  niet dat scholen geen visie hebben. Het probleem is dat die visie zelden de klas bereikt. En dat is natuurlijk niet omdat directies dat niet willen. Wie vandaag een school leidt, weet hoe hard er gewerkt wordt aan plannen, prioriteiten, trajecten en professionalisering. Het probleem zit ergens anders: in de concrete vertaling. En ik denk zelf dat het wellicht het moeilijkste stuk binnen het onderwijs is geworden.

Want ondertussen is er nog iets veranderd. Scholen beschikken vandaag over meer data dan ooit. Vlaamse toetsen, leerlingvolgsystemen, interne bevragingen, analyses. In theorie zou dat moeten helpen. Evidence-informed werken, weet je wel. Niet langer op buikgevoel, maar op basis van wat we weten uit zowel praktijk, wetenschap en data. Maar… weten is nog altijd niet hetzelfde als doen.

Wat opvalt, is niet dat scholen geen data hebben. Het is dat ze er moeilijk iets mee kunnen. Niet uit onwil, maar omdat de stap van inzicht naar ingreep groot is. Data zegt dat begrijpend lezen zwak is. Goed. En dan? Wat verandert er morgen in de les in klas 3B? Wie doet wat anders? Hoe weet je of het werkt?

Ik zou nog verder durven gaan: soms lijkt het probleem niet een tekort aan data, maar een overschot. Te veel cijfers, te veel dashboards, te veel signalen. Als alles belangrijk wordt, wordt niets nog richtinggevend. Dan verschuift de aandacht bijna ongemerkt van handelen naar opvolgen. Goed omgaan met data is ook vertrekken van de juiste onderzoeksvragen en dan kijken welke data we nodig hebben om die vragen te beantwoorden. Ik pleit dus niet tegen data, ben je gek, maar wel bewuster. Kan ook de planlast mee helpen beperken.

De onderwijsinspectie benoemt dat vrij nuchter: scholen hebben data, maar gebruiken die nog te weinig doelgericht om beleid en praktijk bij te sturen. En dus krijg je een vreemde paradox:

  • We vragen scholen om evidence-informed te werken.
  • Ze verzamelen zelf en we geven hen steeds meer data.
  • Maar de kernvraag blijft liggen: hoe wordt dat collectief handelen?

Het probleem is dat we nog altijd onderschatten hoe moeilijk het is om die visie te laten landen in wat leraren elke dag doen. En dat los je niet op met nog een extra dashboard. Wel, misschien met genoeg rust voor de schoolleiders. Wel met de nodige, maar soms pijnlijke keuzes. En begrijp me niet verkeerd: de urgentie voelt zowat iedereen, de goodwill merk ik dagelijks. Maar de omstandigheden zijn er vaak niet naar. Denk aan personeelswissels, ook bij directies, tekorten en werkdruk.

Geef een reactie