Sommige kinderen zijn gewoon laat met het ontwikkelen van praten. Late talkers, heet dat dan. Het lijkt logisch om te denken dat dit iets is dat in het kind zelf zit. Een kwestie van aanleg. Geduld hebben en het komt wel goed. Een nieuwe studie in Child Development van Avelar en collega’s zet daar toch wat vraagtekens bij. De onderzoekers bekeken bijna tweehonderd peuters uit gezinnen met een lage sociaaleconomische status. Op zich geen kleine groep. En ook geen uitzonderlijke: we weten dat het risico op taalvertraging daar gemiddeld wat hoger ligt.
Wat ze wilden weten, was eigenlijk vrij simpel: welke factoren hangen samen met laat beginnen praten?
Het antwoord is tegelijk helder en ongemakkelijk. Van alle variabelen die ze bekeken, denk dan aan opleiding van de moeder, inkomen, gezinssamenstelling, thuistaal, geslacht van het kind,… bleef er uiteindelijk maar één echt overeind: kinderopvang. Kinderen die niet naar opvang gaan, hebben een duidelijk hogere kans om als late talker geïdentificeerd te worden.
Dit is geen klein detail, maar toont vooral dat laat beginnen praten puur “in het kind zit” moeilijk houdbaar wordt. Het is dus geen pure nature. Context doet ertoe. Interactie doet ertoe. De taal die kinderen horen en met wie ze die delen, maakt duidelijk verschil.
En toch is dit geen simpel succesverhaal over interventies, zoals het zelden is. Want tegelijk toont diezelfde studie iets anders. De voorspellende kracht blijft relatief beperkt. Veel kinderen zonder opvang ontwikkelen zich gewoon normaal. En omgekeerd zijn er ook kinderen mét opvang die toch achterblijven. Zelfs de sterkste factor in de studie verklaart maar een deel van het verhaal.
Laat beginnen praten is wellicht dus niet per se een vaststaand gegeven in het kind zelf. Maar het is ook geen probleem dat je even oplost door aan één knop te draaien. Niet puur nature, maar ook geen maakbaarheidsverhaal.
Wat er dan overblijft, zijn geen mirakels maar bekende principes:
- Rijke interactie.
- Tijd nemen om te praten, te luisteren, te reageren.
- Verschillende contexten waarin kinderen taal ervaren, zoals thuis, op school, in opvang.
Dit alles is niet spectaculair, maar wel robuust.
Enkele reflecties hierbij inzake de Vlaamse kinderopvang
1. Ook in Vlaanderen zijn we overtuigd dat de voorschoolse opvang een sterke educatieve waarde kan hebben en kinderen andere leerervaringen kan bieden dan thuis
2. Maar helaas is opvang geen basisvoorziening, maar een betalende service, waardoor kinderen met een lage SES structureel minder toegang hebben (het laatste HIVA behoefte-rapport kan dit voor de zoveelste keer bevestigen). In die zin is het goed te lezen dat de voorspellende kracht beperkt is
3. Al zien we ook dat in beter gesubsidieerde locaties (IKT voorzieningen) er een grotere diversiteit van kinderen is (meer meertalige kinderen, meer kinderen uit éénoudergezinnen,…), dus die sturing vanuit overheid zorgt toch voor enige diversiteit
3. Uit de twee MeMoQ metingen (2016 en 2023) blijkt wel dat rijke talige interactie (taalondersteuning) een belangrijk aandachtspunt is en blijft
4. Hetzelfde onderzoek toont trouwens aan dat een aantal structurele elementen ene belangrijke rol spelen hierbij: het aantal kinderen per begeleider én de groepsgrootte hebben beiden onafhankelijk van elkaar een invloed op de pedagogische kwaliteit, waaronder dus ook de rijke talige interacties
5. Er daar doet de mate van subsidiering er wel toe… beter gesubsidieerde voorzieningen (ofwel IKT locaties) slagen erin zowel de ratio als groepsgrootte iets kleiner te houden in vergelijking met locaties die met een vrije prijs werken. En dit heeft al een gunstig effect op de kwaliteit (al is er nog veel groeimarge)