Je zou denken dat als je mensen volledig vrijlaat, alles alle kanten op gaat. Geef tien groepjes dezelfde opdracht, zonder voorbeelden, zonder overleg, en je verwacht variatie. Veel variatie. En die komt er wellicht ook. Maar zelden is die variatie volledig willekeurig. Als je goed kijkt, zie je patronen opduiken. Oplossingen die op elkaar lijken, zonder dat ze van elkaar hebben afgekeken.
Een recente studie deed iets gelijkaardigs, maar dan op een veel grotere schaal. Onderzoekers bekeken honderden talen wereldwijd. Talen die zich over duizenden jaren hebben ontwikkeld, vaak los van elkaar. Als er ergens ruimte is voor willekeur, dan is het hier wel. Maar dat is niet wat ze vonden.
Talen verschillen voor alle duidelijkheid enorm. In klanken, in woorden, in grammatica. Maar ze verschillen niet zomaar. Er zitten patronen in. Voorkeursrichtingen. Alsof talen, ondanks alle vrijheid, toch telkens opnieuw in bepaalde oplossingen terechtkomen.
Tot daar klinkt dat misschien niet zo verrassend. Linguïsten spreken al langer over iets wat ze “universalia” noemen. Dit zijn regels die in alle talen zouden gelden. Alleen is daar de voorbije jaren veel kritiek op gekomen. Veel van die zogenaamde universalia bleken minder stevig dan gedacht. En dat is precies wat dit onderzoek van Annermarie Verkerk en collega’s interessant maakt.
Wanneer je beter corrigeert voor verwantschap tussen talen en voor geografische invloeden, valt een groot deel van die universalia weg. Wat eerst leek op een bijna universeel patroon, blijkt vaak het gevolg van talen die familie van elkaar zijn of van buren die elkaar beïnvloeden.
Met andere woorden: veel van wat “overal voorkomt”, komt gewoon vaak voor op dezelfde plekken maar niet overal. Wat overblijft aan universalia is een pak kleiner. Ongeveer een derde van de voorgestelde patronen houdt stand.
En toch is net dat het sterke punt. Want wat overeind blijft, kunnen we niet meer willekeurig noemen. Het gaat vooral over hoe talen dingen ordenen en structureren. Het gaat ook over consistentie en over hoe elementen zich tot elkaar verhouden. En misschien nog belangrijker: die patronen ontstaan niet één keer, maar opnieuw en opnieuw, in verschillende delen van de wereld.
Wat de onderzoekers vonden, is moeilijk nog toeval te noemen. Het lijkt er dus op dat talen, ondanks hun enorme diversiteit, toch onderhevig lijken te zijn aan gedeelde ontwikkelingen in hoe mensen spreken, luisteren en begrijpen. Ze hebben zaken gemeenschappelijk door wat werkbaar is in communicatie.
Je kan het vergelijken met water dat naar beneden stroomt. Het kan verschillende paden volgen, maar het eindigt vaak in dezelfde valleien. Of met steden die onafhankelijk van elkaar ontstaan, maar toch gelijkaardige structuren krijgen. Er is variatie. Veel variatie. Maar binnen grenzen.