Je kijkt naar een leerling of student die er bijna is. Zijn of haar antwoord of werk is niet echt meer fout, maar ook nog net niet juist. En vaak voelt dat als goed nieuws. We zien iets om op verder te bouwen, benoemen wat al lukt en geven een aanmoediging. Logisch ook. Maar net daar zit een kleine maar belangrijke valkuil.
In een recente studie van Yasemin Copur-Gencturk en Jinhyo Cho keken ze naar de feedback van leraren. Hun onderzoek toont iets opvallends. Wanneer een antwoord fout is, geven leraren vaker concrete, taakgerichte feedback. Ze benoemen wat er misloopt en geven gerichte aanwijzingen om het te verbeteren. Wanneer een antwoord deels correct is, verschuift dat. Dan komt de nadruk vaker te liggen op wat al goed gaat, maar wordt de feedback ook algemener en minder richtinggevend.
Dat is begrijpelijk. Bij een fout antwoord is de nood duidelijk. Er moet iets rechtgezet worden. Bij een deels correct antwoord voelt het alsof de leerling al op weg is. En dus redeneert men wellicht onbewust dat een duwtje in de rug volstaat. Maar net daar wringt het. Want “bijna juist” is vaak precies het moment waarop gerichte feedback het meeste verschil kan maken.
De leerling zit dan in de zone waar het begrip groeit, maar nog niet stabiel is. Kleine misvattingen, halve strategieën of onvolledige redeneringen bepalen of hij of zij verder raakt of blijft hangen. Als feedback dan vaag blijft, bijvoorbeeld in de vorm van “goed bezig” of een algemene vraag, dan mist de feedback net de broodnodige hefboom.
Dat sluit aan bij wat we al langer weten over feedback. Niet alle feedback is gelijk. Wat leerlingen helpt, is feedback die duidelijk maakt wat er goed gaat, wat er nog ontbreekt en vooral wat de volgende stap is. Niet alleen bevestiging, maar richting.
Wat deze studie ook toont, is dat dit geen kwestie is van ervaring. Meer jaren voor de klas staan maakte blijkbaar weinig verschil in deze studie. Wat wel samenhing met betere feedback, was vakinhoudelijke expertise. Leraren met een sterkere inhoudelijke achtergrond gaven vaker specifieke en bruikbare feedback. Nu besef ik dat dit niet onlogisch is, maar had er zelf niet aan gedacht;, moet ik bekennen.
Wat kunnen we meenemen van dit onderzoek? Niet dat differentiëren in feedback belangrijk is, dat weten wel al langer. Wel dat we het niet altijd optimaal doen. Soms zijn we als lesgevers beter in feedback wanneer het fout loopt, en minder degelijk wanneer het er het meest toe doet.