Steeds meer studenten zijn geroepen om te doctoreren. Ikzelf deed het op latere leeftijd in mijn eigen tijd. Maar beeld je in dat je begint aan een doctoraat. Je werkt jaren aan één project, vaak met veel autonomie, maar tegelijk in een relatie waarin één persoon een enorme invloed heeft op je toekomst. Die ene persoon is je promotor. Dat blijkt terug tegelijk de kracht en de kwetsbaarheid van het systeem.
De voorbije jaren doken er namelijk geregeld verhalen op, denk bijvoorbeeld aan de uitzendingen van Pano. Getuigenissen over grensoverschrijdend gedrag, machtsmisbruik, pesterijen. De verhalen zijn vaak schrijnend. Maar zoals dat gaat met zulke reportages: ze worden al snel gelezen als uitzonderingen. Het zijn extreme gevallen of rotte appels. De rest is niet zo. En terwijl ik zelf ook goede ervaringen heb en ik ken andere gelukkigen. Toch blijkt het toch echt wel degelijk veel vaker voor te komen.
Dat toont een nieuwe studie van Li Zheng in British Educational Research Journal. Op basis van data van meer dan 6000 doctoraatsstudenten blijkt dat ruim één op de vijf aangeeft gepest te zijn tijdens zijn of haar traject. Ongeveer evenveel rapporteert discriminatie. En in bijna de helft van de gevallen (48%) is de promotor de dader. Let wel, de data is gebaseerd op zelfrapportages en toont enkel correlaties. Maar de cijfers zijn mijns inziens te groot om zomaar weg te zetten.
De gevolgen zijn ook niet min. Studenten die pesterijen of discriminatie ervaren, zijn duidelijk minder tevreden over hun traject en kijken minder positief naar hun jobkansen. Bij pesten zie je zelfs dat de kans daalt dat iemand in onderzoek wil blijven. Met andere woorden: het systeem duwt mensen weg uit het systeem.
Je kan daar snel een individuele verklaring voor zoeken. Slechte begeleiding. Persoonlijke conflicten. Pech. Maar dat wordt moeilijker als je dezelfde cijfers ziet opduiken over 34 landen heen. Dan gaat het minder over individuen en meer over hoe het systeem georganiseerd is.
En dat systeem heeft een aantal kenmerken die het kwetsbaar maken, iets wat ook al in de Pano-uitzending bleek: Denk dan aan de sterke afhankelijkheidsrelatie tussen promotor en doctoraatsstudent. Maar ook aan de onduidelijke grenzen tussen opleiding en werk, incentives die publicaties en output belonen, maar niet noodzakelijk goed mentorschap. En vaak is er ook sprake van beperkte externe controle.
Opvallend is ook wat niet werkt. Universitaire ondersteuning rond mentaal welzijn heeft wel een positief effect op tevredenheid, maar slaagt er nauwelijks in om de negatieve impact van pesterijen of discriminatie op te vangen. Dit suggereert dat je een structureel probleem niet oplost met individuele ondersteuning alleen.
Dat maakt deze studie tegelijk ontluisterend en herkenbaar. Ontluisterend, omdat de omvang groter is dan we graag willen geloven. Herkenbaar, omdat het past in een breder patroon dat al langer zichtbaar is voor wie wil kijken.
De vraag is dan niet zozeer of dit probleem bestaat. Die fase zouden we eigenlijk voorbij moeten zijn. De vraag is wat we ermee doen. En vooral: of we blijven denken in termen van incidenten en opvang of durven kijken naar de manier waarop het systeem zelf deze situaties mogelijk maakt.