Werkt de brede eerste graad? Wat de nieuwe EEF-studie echt zegt

Ik dacht: laat ik de week maar eens beginnen met een hot topic in onderwijs. Er is namelijk geen tekort aan meningen over niveaugroepering in het onderwijs. Of het nu gaat over tracking (opsplitsen in verschillende onderwijsrichtingen of trajecten), setting (niveuagroepen) of – in Vlaanderen – de brede eerste graad, het debat keert telkens terug in dezelfde vorm. Moeten we leerlingen zo snel mogelijk opdelen volgens niveau, of houden we ze zo lang mogelijk samen in een meer comprehensief systeem met een middenschool of nog langer? De collega’s van de Education Endowment Foundation (EEF) publiceerden hierover een nieuwe studie die het voorbije weekend massaal gedeeld werd. Een studie die een duidelijk antwoord lijkt te geven en haalde zelfs The Guardian. Maar zoals zo vaak: het wordt pas interessant wanneer je iets trager leest.

De headline is snel gemaakt. Leerlingen in scholen met gemengde groepen (mixed attainment) boeken gemiddeld ongeveer één maand minder vooruitgang in wiskunde dan leerlingen in niveaugroepen (setting). Dat klinkt als een duidelijk pleidooi tegen gemengde groepen. Alleen… dat is niet het volledige verhaal. Wanneer je kijkt naar subgroepen, verdwijnt het verschil voor leerlingen uit een minder goede beginsituatie en voor leerlingen uit kansarme gezinnen. Het nadeel zit vooral bij de sterkere leerlingen, die in gemengde groepen minder vooruitgaan .

Dat is een ongemakkelijke vaststelling, omdat ze niet netjes past in het klassieke kampdenken. Dit is niet het verhaal waarin de setting “de zwakken schaadt” of waarin mixed attainment “iedereen helpt”. Wat we zien, is eerder een verschuiving: minder vooruitgang bij de top, zonder duidelijke winst onderaan. Ja, ze groeien dan misschien dichter naar elkaar toe, maar of het op een faire manier gebeurt?

Wie het bredere onderzoek erbij neemt, merkt dat dit patroon minder nieuw is dan je zou denken. Op systeemniveau vinden Terrin en Triventi in hun meta-analyse geen significant effect van tracking op gemiddelde prestaties, maar wel een duidelijke toename van ongelijkheid . Anders gezegd: het gemiddelde verandert nauwelijks, maar de spreiding wel. Systemen met meer tracking produceren grotere verschillen tussen leerlingen.

Ook onderzoek naar de timing van selectie wijst in dezelfde richting. Landen die later differentiëren, dus dichter bij een comprehensief model blijven, kennen doorgaans minder ongelijkheid in onderwijsuitkomsten (ja, het is soms handig om een goed geheugen te hebben). Maar ook daar zit een nuance: die vermindering van ongelijkheid gaat soms samen met een lichte daling in prestaties van leerlingen… uit sterkere milieus . Opnieuw: geen gratis winst.

En plots zitten we midden in de echte vraag achter dit debat. Niet: werkt tracking of niet? Maar: wat willen we bereiken met ons onderwijssysteem? Het idee achter zowel tracking en setting is bekend: homogeenere groepen maken het makkelijker om instructie af te stemmen, wat efficiëntie kan verhogen. Het idee achter comprehensief onderwijs, of de brede eerste graad, is even bekend: door leerlingen langer samen te houden, vermijd je vroege selectie en beperk je ongelijkheid. Beide redeneringen hebben theoretische en empirische steun. En beide hebben beperkingen.

Wat de EEF-studie vooral duidelijk maakt, is dat de effecten relatief klein zijn. We spreken over maanden verschil, niet over structurele sprongen. Dat is typisch voor onderwijsinterventies als je verder kijkt dan de vaak te hoge effecten bij Hattie. Tegelijk toont ze dat de verdeling van die effecten belangrijker is dan het gemiddelde. Wie wint, wie verliest, en hoe groot zijn die verschillen?

Daarmee wordt ook duidelijk waarom dit debat zo hardnekkig is. Het is geen puur empirische discussie. Het is ook vooral een normatieve. Hoeveel ongelijkheid vinden we aanvaardbaar? Hoe belangrijk is het om sterke leerlingen maximaal te laten groeien? En wat betekent “eerlijkheid” in een onderwijssysteem?

In Vlaanderen vertaalt zich dat concreet in de discussie over de brede eerste graad. Voorstanders zien het als een manier om kansen gelijker te maken en leerlingen meer tijd te geven om hun potentieel te tonen. Tegenstanders vrezen dat sterke leerlingen te weinig uitgedaagd worden en dat de lat zakt. De EEF-resultaten geven beide kampen in feite deels gelijk en tegelijk geen van beide volledig.

Want wat in de EEF-studie ook opvalt, is hoe sterk de klaspraktijk meespeelt. Lesobservaties tonen dat gemengde groepen vaak les krijgen op een tempo dat dichter bij de lagere niveaus ligt, terwijl hogere niveaugroepen net meer uitdaging krijgen . Dat betekent dat het effect van grouping niet alleen zit in de samenstelling van de groep, maar in wat leraren effectief doen met die groep. Dit vind ik zelf een van de belangrijkste inzichten. Want daar verschuift de discussie naar een interessantere plek. Niet: moeten we leerlingen groeperen of niet? Maar: hoe zorgen we ervoor dat alle leerlingen, ongeacht de structuur, voldoende uitdaging en ondersteuning krijgen?

Een gedachte over “Werkt de brede eerste graad? Wat de nieuwe EEF-studie echt zegt

  1. Naast de focus op wat leraren DOEN in deze groepen, is er misschien een nog belangrijker element: wat leraren VERWACHTEN van elke groep. Het risico bestaat dat de lat (onbewust) lager wordt gelegd voor de zwakkere groepen.

    Wat nog wezenlijker is: dit beïnvloedt ook de verwachtingen van de leerlingen zelf. Geplaatst worden in een ‘lagere’ groep of een jaar moeten overdoen, zendt een krachtig signaal uit over hun capaciteiten. Het tast hun geloof in eigen kunnen (self-efficacy) aan. Je krijgt dan een vicieuze cirkel waarbij zowel de leraar als de leerling de lat lager legt – wat deels verklaart waarom onderzoek zo vaak aantoont dat zittenblijven of strikte niveau-groepen (tracking) tot slechtere uitkomsten leiden.

Geef een reactie